maandag 25 februari 2013

Buiten spelen

Als ik het plein op komt miezert het. In een hoek van het plein, weg bij de anderen, maar dicht bij de ingang van de school staat een jongetje. Zielig hoopje mens is een overmatig euforische beschrijving van dit rillende kledingbaaltje met capuchon.
-"Mag je niet mee doen?" spreek ik mijn pedagogische tact aan.
Hij haalt 'n schouders op.
-"Plagen ze je?" pols ik verder.
Ik bereid me voor op een spontane bekentenis van zelfmoordplannen van een gepest element van de kinderschaar.
- "Ik wil naar binnen", hoor ik duidelijk uit de capuchon komen.
- "Maar kerel, dan ga je toch!"

Ik herinner me hoe ik als kind een grote hekel had aan buiten spelen in de pauze. Veel liever bleef ik binnen en ging lezen in een 'Kameleon', of schaken. Maar wij moesten naar buiten. 'Visnet' spelen, waar ik werd gekozen om met het dikste meisje van de klas, dat toch niet hard kon lopen, de anderen te vangen. Een hopeloze en vernederende activiteit, waarvan het hoofddoel toch leek dat klasgenoten je konden uitlachen. Ik ondernam pogingen binnen te blijven. Zonder succes.
- "Naar buiten in de pauze, dat is goed voor je", placht de meester te zeggen.

Wie heet dat bedacht? Waar staat dat? Volgens mij is het vooral goed voor de meester. En tegenwoordig blijkbaar ook voor de juffen. Want meesters zijn er niet meer.

-"We moeten buiten blijven", zegt het jongetje nog.
Ik heb met het ventje te doen. Heel soms kom ik een school tegen, waar je zelf mag weten of je naar buiten gaat. En de meesten gaan echt. Jammer dat het moet.

zaterdag 2 februari 2013

De Dood

Dit is mijn laatste column voor radio Noordoostpolder. Daar waar de vorige keren de column bedoeld was als reflectie en overweging voor twee weken, moet deze column denkstof opleveren voor de rest van het leven van de luisteraars. Als die bestaan. Welk onderwerp leent zich beter voor een dergelijke opdracht dan de dood.

Gisteren heb ik één van mijn beste vrienden begraven. Hij was nog jong, en viel wandelend in het bos zo dood neer, zonder enige vooraankondiging. Ik ben verdrietig. Hanny Michaelis dichtte al eens:

Kohalzend wakker worden
Tussen de gestolde feiten
van gisteren en eergisteren

Opstaan, het licht trotserend
onder het oorverdovend
carrillon van herinneringen
Optornen tegen een geheugen
dat geen duimbreed wijkt

zo voelt het ongeveer. Hij was een vrolijk mens en leefde bij de dag. Hij genoot van ieder moment. En nu is hij er niet meer. Bij het nadenken over zijn verscheiden, moest ik denken aan de Chinese wijsgeer ZHuang Zi, die leefde rond 350 voor Christus.

Zhuang Zi's vrouw is overleden. Hui Zi komt hem condoleren. Zhuang Zi zat op de grond met gespreide benen op een vat te trommelen en te zingen. Hui Zi zei: "Zij heeft met je geleefd, je kinderen grootgebracht en is met je oud geworden. Nu haar lichaam gestorven is en je niet huilt, is dat tot daar aan toe. Maar op een vat trommelen en zingen, is dat niet een beetje teveel?"
Zo is het niet, zei Zhuang Zi. Toen ze stierf was ik natuurlijk verdrietig, net als ieder ander. Maar toen dacht ik na over haar begin, en hoe er oorspronkelijk geen geboorte bestaat en ook geen lichaam en ook geen levensenergie. In de duisternis (de aarde was toen nog woest en ledig) was alles verenigd. Eerst ontstond de levensenergie, van daaruit het lichaam en daarna werd ze geboren.
Nu is ze weer veranderd en is ze gestorven. Het is net als de lente, de zomer, de herfst en de winter, de cyclus van de jaargetijden. Nu slaapt ze rustig in de grote kamer van hemel en aarde. Stel dat ik haar nu achtervolg met misbaar en tranen, dan zou ze vinden dat ik niets heb begrepen van het lot. Dus ben ik daarmee opgehouden (Vrij naar Kristoffer Schipper).

Ik ken mensen die een kamer hebben ingericht voor iemand die is gestorven. Ze gaan er iedere dag kijken. Ze zijn bang de gestorvene te vergeten. Lichaam en geest van de achterblijvers dwingt hen om door te gaan. En dat zou in hun ogen respectloos zijn. Kijk daar eens anders naar: "Het leven gaat door",  is geen cliché  maar een lot waartoe ons lichaam, onze geest en ons bestaan ons dwingt, het is iets dat behoort tot de natuurlijke gang van zaken. Je kunt alleen je leven stil zetten, als je jezelf daartoe dwingt, als je je lichaam en geest daar toe dwingt. Het is tegennatuurlijk. Je hoeft niet  bang te zijn dat je iemand die dood is vergeet, hij wordt onderdeel van je leven en je levende herinnering, tenzij je je leven stil zet.

Gisteren leefde hij nog. Toen was het goed. Vandaag is hij dood. Vandaag is het ook goed. De dagen zijn in zichzelf goed. Vandaag is niet slecht in zichzelf. Vandaag is alleen niet goed, als ik wil dat vandaag net zo is als gisteren. Dan heb ik een leven lang verdriet.

Deze column gaat verdwijnen. De Noordoostpolder wordt van een kans op nadenken beroofd. Het leven was goed met een column. Het leven is goed zonder column. Ik weet het zeker.

NB. Citaten uit het verzameld werk van Zhuang Zi, vertaald en toegelicht door Kristofer Schipper.

zondag 20 januari 2013

Boete (Doen)

Wij gingen thuis nooit met vakantie. Mijn vader was boer en moest iedere dag melken. Personeel hadden we niet. Dus bleven we thuis. In zo'n situatie is zes weken zomervakantie best lang. Dus bedachten we van alles. En toen één van mijn vriendjes een racefiets kreeg was het plan snel geboren: We gingen een wielerronde organiseren.

Neefjes en nichtjes werden opgetrommeld en ploegen werden geformeerd. Etappes werden uitgezet en finishlijnen getrokken. En we moesten allemaal een naam, een echte wielernaam en een rugnummer. Maar toen kon het ook beginnen. Ik was Walter Goodefroot. Goodefroot was een gerenommeerd sprinter, en ik was zeker even goed. De eerste etappe was kort en eindigde in een massasprint. Dat was ook de bedoeling. Want wij wisten: de eerste etappe is voor de sprinters. Ik werd tweede.

Een groot probleem was hoe we er voor konden zorgen dat de uitslag werd bepaald door wie de sterkste fietser was, en niet door wie het beste materiaal had. Mijn vriendje met de racefiets was zo sterk in het voordeel dat wij eigenlijk niet mee wilden doen. Of  iedereen zou eigenlijk een dag op zijn racefiets mogen rijden. Maar daar was hij niet voor. Er waren veel meer verschillen. Sommige deelnemers hadden versnellingen, en andere niet. Sommigen hadden fietstassen, andere niet. Uiteindelijk vonden we een compromis: Je moest aan het begin van de etappe zeggen welke versnelling je zou gebruiken en je mocht dan de hele etappe niet schakelen. Iedereen stemde in. Oncontroleerbaar, en gebaseerd op vertrouwen. 

Uiteindelijk won mijn vriendje met de racefiets. Zou hij echt nooit even hebben geschakeld, als hij alleen op kop lag en wind mee had? Of misschien zelfs waar wij bij waren, want konden wij het verschil zien tussen een tandje meer of minder? Wij geloofden er niets van. Maar hij was nooit betrapt, daar ging het om.

Vorige week moest ik met 7 collega's naar Groningen. We gingen in twee auto's. Alleen maar snelweg. We rekenden uit dat als we ons steeds aan de maximumsnelheid hielden, we er om 09.00 uur zouden zijn. Uiteindelijk was ik er bijna 10 minuten eerder dan mijn collega in de andere auto. 
- "Je hebt veel te hard gereden" zeiden de anderen. Ik ontkende stellig. Ik kan me dat niet herinneren, en ik rijd nooit te hard. Maar de collega's in de andere auto, wisten zeker dat zij steeds precies de maximumsnelheid hadden aangehouden. En ik was er veel eerder, dus ik moest wel te hard hebben gereden.

Al snel blijkt dat de collega's bij mij in de auto bereid zijn de Judas uit te hangen. Zij weten en hebben gezien dat ik te hard heb gereden. Ik blijf ontkennen. Maar zij houden vol. Een kennis arriveert. Ik blijk hem te hebben ingehaald.
- "Jij reed hard zeg". Ik zwijg. Wat moet ik zeggen? De hele wereld is tegen mij.

Als ik diep nadenk, weet ik eigenlijk wel dat ik zo nu en dan de meter wel even op 160 heb zien staan. Maar alleen bij het inhalen, en niet omdat ik haast had. Uiteindelijk geef ik maar toe. Oke, misschien heb ik even te hard gereden.  Eén vraag blijft er over: mag de politie mij nu ook een bekeuring sturen?

Lance Armstrong heeft doping gebruikt. In het wielrennen was afgesproken dat niet te doen, maar iedereen deed het, behalve een paar naïevelingen. En als je niet werd betrapt, kwam je ermee weg.  Lance is nooit betrapt. Is Lance z’n bedrog daarmee anders dan dat van mijn vriendje met de racefiets?

Lance moet z'n bronzen medaille van de tijdrit in Sydney inleveren. Weet je wie daar goud en zilver wonnen?  Ekimov en Uhlrich. Twee andere notoire gebruikers. Waarom dan nu één zondebok? De ongelooflijk hypocriete morele verontwaardiging die nu door de wielerwereld golft staat me tegen. Lance was de sterkste. Jammer dat hij doping heeft gebruikt. Maar een bekeuring hoeft hij van mij niet te verwachten.




zaterdag 5 januari 2013

GELUKKIG NIEUWJAAR!

Gelukkig Nieuwjaar! In Friesland bestaat een traditie dat je het nieuwjaarswensen moet ‘afwinnen’. Dat betekent dat je de eerste moet zijn, die ‘Gelukkig Nieuwjaar’ zegt. Als je dat lukt dan is dat krachtiger, dan als je dat niet doet. Ik doe dat nog steeds met mijn ouders, maar we deden het vroeger ook met mijn oma. Die was jarig op 3 januari. Als we daar heen gingen parkeerden we normaal gesproken bij haar voor de deur. Maar op 3 januari zetten we de auto in een andere straat, en slopen we naar haar huis. Dan konden we stiekem via de achterdeur binnenkomen en heel hard ‘Gelukkig Nieuwjaar’ roepen, in het Fries natuurlijk, dan hadden wij het ‘afgewonnen’.

Dit is de eerste column in een nieuw jaar. En dus moet ik u van harte een gelukkig , gezegend en vooral gezond Nieuwjaar wensen. Ik zeg moet, want als ik dat niet doe, is dat natuurlijk verschrikkelijk, niet netjes en onbehoorlijk. En ik meen het ook van harte hoor, die beste wensen. Al heb ik maar een zeer beperkt idee van tegen wie ik het heb.

Mocht u toevallig van criminele huize zijn en dit stukje lezen, wat ik me van criminelen trouwens helemaal niet voor kan stellen, dan wens ik u toe dat u dit jaar snel dood gaat, weinig succes hebt en uw trekken thuis krijgt. Maar als u heel zielig brood steelt, omdat u anders uw kindertjes niet te eten kunt geven, wens ik u wel weer meer inkomen toe, en moet u me die tirade over doodgaan maar weer vergeven.

Wat heeft u gedaan met oudjaar? Spelletjes met de kinderen, of ben je naar een groot feest geweest? Heeft u gevulde eieren gegeten en augurken met ham, of heb je teveel gezopen en een bushokje in elkaar getrimd? Heeft u een sterretje aan gestoken met de kleinkinderen, die om 12 uur nog even uit bed mochten komen, of heb je met je illegale vuurwerk een  vuilnisbak opgeblazen en iemand een pijl in z’n oog geschoten? Had-ie maar beter moeten opletten? Het maakt allemaal niet uit, ik wens u allemaal toch een gelukkig Nieuwjaar.

Ik heb het moeilijk met al die wensen. Eigenlijk vooral omdat de echt gemeende wensen zo niet zo goed tot hun recht komen. Ik heb kleine trucjes bij mijn wensgedrag. Ik wacht tot de ander wat zegt en zeg dan wat anders, bijv. als de ander gelukkig Nieuwjaar zegt, dan zeg ik: "de beste wensen", of "veel gezondheid". Begint de ander met beste wensen, kan ik Gelukkig Nieuwjaar zeggen. Het is niets, maar als je mij kent, toch een kleine indicatie. Soms wil ik dat het nog echter is. Bijv. bij goede kennissen van de schaakclub. Dan zeg ik: Dat je maar veel mag winnen, behalve van mij natuurlijk”. Zoiets, iets wat je echt meent.

Je kunt een hiërarchie maken in nieuwjaarswensen. De beste zijn natuurlijk de persoonlijke wensen, vooral die om 12 uur ’s nachts. De wensen met je geliefden, de wensen die je meent. De wens in de fysieke nabijheid. 
Dan komen de wensen per telefoon, je belt op, midden in de nacht en wenst een vriend of familielid alle goeds dat hij of zij verdient.
Dan komen de nieuwjaarswens per kaart. Die zijn duidelijk hoger dan die per SMS of WhatsApp, want je moet er aanzienlijk meer moeite voor doen. Dan komen de SMS’ en, en andere elektronische wensen en dan de kaartjes die je nog verstuurt nadat je een kaartje van iemand hebt gekregen en denkt: “Shit, die zijn we vergeten”.

En dan komen de rituele nieuwjaarswensen. Dat begint al met de fysieke wensen op straat ’s nachts, voor de buren en vooral aan de mensen die op visite zijn bij de buren en die je niet eens kent. De nieuwjaarswens, die je roept vanaf de fiets tegen een vage kennis, als je hem op straat tegen komt. De wensen waar je niet om heen kunt, de rituele wensen.

Maar de ergste moeten nog komen. Maandag is het weer zover. De wensen aan de collega’s. En nog erger, die waar je collega’s bij gaat zoenen. De wens voor de collega, waarmee je al liever niet samen wérkt, laat staan dat je die wilt zoenen. Ik heb mijn moeder nog nooit gezoend, en dat doen we ook nu nog niet met oud en nieuw of met verjaardagen, of als we de dood ontmoeten, waarom moet ik die collega’s dan wel zoenen? Waarom die collega dat trouwens wel wil, is mij meestal een groot raadsel, maar als je hem of haar in de verte ziet aankomen, weet je het al: dat wordt nattigheid!

Ik heb al diverse strategieën ontwikkeld. Bij voorkeur kom ik heel vroeg. Als ik als eerste ben, moeten de anderen bij mij langs komen, en kan ik doen alsof ik al druk aan het werk ben. Maar ook veel later komen is een optie of thuis werken, één van de mooie verworvenheden van de digitale samenleving.
Als ik niet wil zoenen houd ik mijn arm een beetje stijf, maar als zij echt wil, is er geen houden aan. Soms vind ik het wel prettig om te zoenen, maar ik neem nooit het initiatief. Ik wacht wat zij doet. Met de ‘hijen’ die willen zoenen weet ik als man al helemaal niet wat ik aan moet.

Al met al kan ik maar één echte wens bedenken voor u als lezer: Ik wens u veel welgemeende wensen toe!

dinsdag 1 januari 2013

Zonder al teveel tegenslag door 2013?

Wie durft de crisis het hoofd te bieden?

Epictetus (50-130) beweerde dat de mensen geen last hadden van de omstandigheden, maar van hun eigen gedachten over die omstandigheden. Een gedachtenoefening.

Het leek me een aardig thema voor een nieuwjaarswens,
en een uitdaging voor een ieder die dit leest.



zaterdag 22 december 2012

Tijd om te geven

Het is een spannende tijd. Sinterklaas is nog maar net terug naar Spanje, opgelucht dat hij iedereen weer ter wille heeft kunnen zijn. Op 'n krent zitten tot een nieuwe missie hem naar Nederland roept. De Kerstman lost hem af. Had mijn moeder dat maar geweten, dat er een kerstman bestond. Want bij ons kwam die nooit. Mijn moeder had zich waarschijnlijk niet aangemeld.  En Sinterklaas kwam hooguit één keer bij ons thuis. Nicolaas is een druk man. Hij had echt geen tijd om twee keer per week langs Terwispel te komen om mijn schoentje te voorzien van pepernoten, marsepein en ander ongezond en onnodig voedsel. Als we geluk hadden kwam hij na zijn aankomst in één of andere haven in Nederland één keer voor 5 december langs met een mandarijntje en een drietal pepernoten. Meer niet. Hij nam wel altijd het hooi mee en de wortel, die wij klaar hadden gelegd voor het paard. Meestal kon de ruil niet uit. En dat zei mijn moeder ook:
- "Dit kan niet uit".
- "Wij hebben het al niet breed en als die oude Nicolaas nou ook nog mijn goede winterwortels mee neemt wordt het helemaal moeilijk de eindjes aan elkaar te knopen".
En dus zetten wij geen schoen. Om mijn moeder te beschermen.

Alleen op 5 december. Dan mochten we de schoen zetten en ook de trui en de broek. Gek genoeg niet thuis, maar bij de buren. De overburen. Die woonden in een 'onbewoonbaar verklaarde woning'. Die hadden zelf geen kinderen. Waarschijnlijk kon Nicolaas daar gemakkelijker naar binnen. Want ze hadden geen slot op de deur. De deur kon niet eens goed dicht. Maar daar zaten wij niet mee. Want wij wisten niet beter.
En als je op vijf december 's avonds je schoen zet, en je trui, en je broek, dan vind je pas zes december 's morgens je cadeautje. Of cadeautjes. Meestal een letter. En iets van speelgoed. Al weet ik niet meer wat. Maar er kwam vooral ook een preek van de buurvrouw. Dat Sinterklaas ons wel erg aardig moest vinden, en dat hij blijkbaar niet gezien had hoe stout wij soms waren. Onze jaarlijkse evaluatie. Zij lachte er heel lief bij. En wij knikten dankbaar.

En dan begon kerst. Met de barmhartige Samaritaan. Stel je voor je bent in elkaar geslagen en je ligt langs de weg. Het bijbelse verhaal. Of je bent zwart en dakloos en je woont in Amerika. De werkelijkheid van vandaag. Zal het nog ooit goed met je komen? Er komt een dominee langs. Je ziet hem en je weet: hij heeft geleerd dat hij de zwakkeren moet helpen, en de armen, en de vertrapten, de daklozen, .. hoop je. Maar hij zegt dat op zondag liever tegen zijn gemeenteleden. Want zelf heeft hij geen tijd.
Of je ziet een priester, een goede katholiek die zich het lot van de medemens aantrekt. Maar die ziet je niet eens, want hij brengt net een klein jongetje naar school, tenminste die loopt met hem mee.
Of er passeert en aardige meneer, die je groet en die 50 eurocent in je bakje laat vallen. HIj kijkt de andere kant op en jouw voeten blijven koud.
En dan kom er een agent aan. En je mag hier niet zitten, hier in het winkelcentrum, waar het nog een beetje warm is en waar je blote voeten niet meteen het risico van vuiligheid en glasgerinkel lopen. Je maakt je zo onzichtbaar mogelijk, maar de agent komt toch naar je toe en geeft je een paar laarzen voor je maat 50, en je kunt je ogen niet geloven. En de agent verdwijnt.

Ik was op een school. De ouders bij het hek zijn boos. Voor de Sinterklaasviering op school moeten hun kinderen, hun oogappeltjes, hun toekomst, een cadeautje kopen voor  een klasgenoot. En het mag niet meer kosten dan  twee euro.
-" Dat kan niet ", roept een boze moeder.
Ik vraag hoe ze daar bij komt.
-" Ik heb gisteren net een trein gekocht voor mijn zoon, de goedkoopste die er is, maar die startset is altijd nog minstens 40 euro".
Ze heeft dus gelijk. Twee euro is niets vergeleken bij 40 euro. Het cadeautje dat je kunt kopen voor je klasgenoot stelt niets voor, vergeleken bij die treinset, hoe klein en ontoereikend die ook is.

Ik denk aan de preken van vroeger. Aan de preken over dankbaarheid van mijn buurvrouw op 6 december, aan de preken in de kerk over de barmhartige Samaritaan. En plotseling weet ik het. Dit gaat helemaal niet over het cadeau! Deze moeder is zwaar in de war. Ze weet helemaal niet waar Sinterklaas over gaat!

Ik denk aan de Sinterklaasvieringen als meester met mijn klas. Hoe ik altijd lette op de enorme spanning van de gever, als de ontvanger het cadeautje uitpakte. Ik denk aan de Sinterklaasvieringen van de afgelopen jaren met mijn eigen grote kinderen. Hoe ik alleen maar let op hun reactie, op hun gezichten, op hun gedrag, op het moment dat de anderen de door hen gegeven cadeautjes uitpakken. En het valt me op dat ze blijer zijn met de reacties van hun doelwit dan met hun eigen cadeaus. Als ze iets geven lijken ze meer te genieten dan op het moment dat ze iets krijgen! Ik denk aan de Samaritaan, aan mijn buurvrouw, aan de agent in het winkelcentrum.

Het gaat in deze dagen niet over iets krijgen. Sinterklaas en kerst gaan over geven. Over het plezier van het geven. Thuis en op school. Over kinderen leren dat geven leuker kan zijn dan te krijgen. De krijger evalueert de gever en niet andersom.

Geniet daar alvast van als je vanavond Sinterklaas viert, of als je de laatste cadeautjes gaat kopen deze week. Dan zul je van de crisis niets merken.

zaterdag 8 december 2012

Met het spoor

Op een ritje voor mijn werk deze week, kom ik tussen Zwolle en Kampen een trein tegen. Of eigenlijk twee treinen. Bijzonder, omdat het spoor dat daar ligt de achterliggende maanden mij vooral is opgevallen omdat er nooit een trein rijdt. Het is het meest aanwezige lege spoor dat ik ken. Nu zie ik eerst een 'losse locomotief, zoals wij dat als kinderen noemden, en dan een wat vreemde blauwe trein, met voor en achter nog een locomotief.

Ik heb een sterk ambivalente houding t.o.v. treinen. Als je er in zit, je hebt een zitplaats, en de trein rijdt, dan heeft het wel iets. Je kunt een boek lezen, het is er warm, en als je bestemming in een grote stad, niet al te ver van het station ligt, heb je geen parkeerprobleem. Maar het kan ook anders. Vorige week kocht ik in een opwelling via vakantieveiling.nl voor een habbekrats twee kaartjes voor Wibi Soerjadi. Hij trad op in het concertgebouw, en vooral dat concertgebouw heeft op mij een enorme aantrekkingskracht.

Als het concert om kwart over tien is afgelopen, stap ik in de tram om via Amsterdam Zuid de trein naar Zwolle te nemen. Dit keer helaas via Utrecht, omdat de rechtstreekse verbinding door werkzaamheden een ommetje maakt. Ik heb mij desondanks niet laten ontmoedigen en neem verwachtingsvol plaats. In Utrecht is er een eerste obstakel. Er blijkt tussen Utrecht en Amersfoort 'een springer' te zijn. Springers zijn mensen, die op rigoureuze wijze hun stem uitbrengen op de NVVE, de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwilllig levenseindE. Ze halen er weinig kamerzetels mee, maar iedere springer brengt een niet anonieme stem uit. Ik wordt gemaand via Hilversum te reizen, ook al stel ik zelf voor via Arnhem en Deventer te gaan. In Hilversum voel ik bij het binnenrijden van het station nattigheid. Er staan hier wel erg veel mensen te wachten. Het is kwart voor twaalf. Om tien over twaalf zal een trein ons via Baarn naar Amersfoort brengen, alwaar wij de laatste trein naar Zwolle kunnen halen. Tweehonderd meter voor Baarn staan we nog even stil.  Ons wordt verteld dat we even moeten wachten op een tegenligger. Er is vandaag maar één spoor beschikbaar tussen Baarn en Amersfoort vanwege een breuk in de bovenleiding. Vijf minuten worden er twintig. Een prettige stem legt uit dat het enkele spoor tussen Baarn en Amersfoort inmiddels wordt geblokkeerd door een defecte trein. De werkelijkheid is altijd bizarder dan welke fantasie dan ook. De NS heeft kans gezien op het enige stukje enkel spoor nu een defecte trein te rangeren.

De omroeper spreekt weer: We hoeven ons geen zorgen te maken. Straks, als we in Amersfoort aankomen zal er NS personeel zijn om ons op te vangen en zullen er bussen klaar staan om ons verder te brengen. En we kunnen nu in ieder geval Baarn binnen rijden. Want wachten hoeft niet meer. De blokkerende trein zal immers nooit arriveren. We zullen een omweg via Den Dolder nemen is het plan.

 Den Dolder. Ik zie de machinist. Hij loopt voor mijn raam langs, terug naar de andere kant van de trein. Zijn gezicht staat op onweer. Ik zwaai hem bemoedigend toe. Dan rijden we Den Dolder weer uit. Alles loopt op rolletjes als we om kwart over één in Amersfoort arriveren. Ik had al een uur in Zwolle kunnen zijn. Iemand die tegen het advies van de NS in toch via Deventer is gereisd, belt een lotgenotende reisgenoot en is al thuis.
In Amersfoort wacht een nieuwe verrassing. Van het beloofde NS personeel, noch van de bussen is enig spoor te bekennen in de zeer verlaten stationshal. Enkele taxichauffeurs met ervaring in dit soort situaties duiken als aasgieren op de passagiers: de NS betaalt. U betaalt € 200 voor een ritje naar Enschede, dat krijgt u later van de NS terug. Wilt u mee? Later blijkt dat niet waar, maar dat weet ik niet. Gelukkig is mijn reisdoel Zwolle en wacht ik nog even af.

Als er een tiental minuten later een NS functionaris verschijnt, wordt beloofd dat er bussen zullen komen. Maar die zijn er nog niet. De NS wil naast de winterdienstregeling niet beschuldigd kunnen worden van nog meer proactief handelen. Een inventarisatie van bestemmingen bij ons gestranden begint. Alsof dat niet een half uur geleden in de trein al had kunnen plaats vinden. Ermelo, Putten, Meppel, Enschede. En nog veel meer. De NS- er schrijft het allemaal op een klein blauw papiertje. Het is kwart voor twee.

Iemand moet naar het toilet. Onder begeleiding van de hopmannende NS functionaris trekken we naar een WC in een kantoorpand van de NS. Dat gaat nog net. Maar koffie of iets te eten blijkt teveel gevraagd.
Kwart voor drie. Er meldt zich een bus. Het is Ome Cor. Hij is 75 jaar en rijdt wel vaker in crisissituaties voor de NS. Naar Zwolle hoor ik? Van onze hopman krijgt hij het blauwe briefje. Dan blijkt dat er ook nog mensen zijn die naar Meppel en Assen moeten. Ome Cor vloekt. "Ik lag net in mijn bed".
We kunnen mee richting Zwolle, maar alleen als we eerst via Nijkerk, Putten, Ermelo, Harderwijk en 't Harde gaan. Ik ben ieder gevoel voor tijd en in mijn vingers verloren. Vooruit maar.

Kwart voor vier stap ik uit in Zwolle. De wandeling naar de auto door de nachtelijke kou brengt de laatste ontnuchtering teweeg. Half vijf rol ik in mijn bed. Wibi slaapt al lang. Morgen om zeven uur zal mijn wekker gaan.

Op weg naar Lelystad word ik een dag later bij Kampen en Dronten gemaand om rustig aan te doen. De tegemoet komende blauwe trein blijkt de koningin te bevatten. En ik ben een potentiële terrorist. De agent vraagt nog net niet of ik misschien waxinelichtjes bij me heb. Het tot nu toe zo lege spoor heet de Hanzelijn legt de agent mij uit. Ik knik begripvol.

Ik moet denken aan iemand die vijf jaar geleden in de plaatselijke krant een heftig pleidooi hield om de Hanzelijn via Emmeloord te laten lopen. Ik ben plaatsvervangend blij voor hem dat dat niet is gelukt.

NB Deze column was in sterk verkorte vorm te horen op radio Noordoostpolder, in het programma 'On the radio' op zaterdag 8 december.
.