Posts tonen met het label Boek H1. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Boek H1. Alle posts tonen

zaterdag 1 september 2012

Knietje vrijen.

Ik ga een column maken voor radio Noordoostpolder. Dat lijkt me het aangewezen moment om eens na te denken over wat ik weet van de Noordoostpolder, of over wat ik heb met de noordoostpolder. Tijdens het nadenken over deze tekst valt me al op dat je het woord noordoostpolder niet straffeloos kunt blijven herhalen. Niet alleen is het te lang en teveel een tongbreker, het intellectuele gehalte van je tekst lijdt er ook meteen onder. Teveel polder. Niet sexy. Niet hip. Niet chil. Niet vet. Niet….., ja, hoe zou dat nu heten eigenlijk? En kun je Noordoostpolder straffeloos afkorten? NOP?

Mijn eerste herinnering aan de NOP is gek genoeg seksueel getint. En dat is verrassend. Mijn associatieve brein is beslist niet ongebreideld seksueel van aard en het woord polder is, ook in mijn gevoelswereld, niet ultrasensueel. Het is evenmin zo dat ik iedere gedachte aan vroeger meteen Freudiaans weet terug te voeren op een orale, genitale, anale of andere fase, ook al heb ik een psychologische vooropleiding.
Ik zie me zelf weer zitten in de keuken van onze boerderij. Het is eind jaren zestig. Ik ben een jaar of twaalf. Er zijn kennissen van mijn ouders op visite. Mijn vader en de mannelijke bezoeker bespreken het plan van de bezoeker om naar de Noordoostpolder te verhuizen. Dat is dus het moment dat ik dat woord voor het eerst hoor: Noordoostpolder. Onze bezoeker wil daar een loonbedrijf beginnen. Er schijnen daar grote boeren en boerderijen te zijn. Met heel veel bouwland en heel veel werk. Daarbij vergeleken, is mijn vader met z’n 12 koeien en 11 hectare weiland een te verwaarlozen bron van inkomsten. Het huidige loonbedrijf van de bezoeker loopt niet zo goed en in de NOP, zal hij zijn als Anton in loonbedrijfluilekkerland. Het geld zal er binnen stromen. De bomen zullen tot in de hemel groeien. Mijn vader knikt.
Ik zit schuin tegenover onze bezoeker. Naast hem, en dus recht tegenover mij, zit zijn dochter, van een jaar of elf. Hoewel ik geen enkele seksuele aanmoediging vanuit mijn opvoeding heb meegekregen, en alle relevante voorlichting beperkt is gebleven tot een boekje dat mijn moeder mij op een onbewaakt moment in de handen drukte, met de woorden:   “Lees dit maar eens even, misschien heb je er iets aan”, ondanks dat, reageert mijn lichaam op haar aanwezigheid. Ze lacht naar mij. Ze heeft een beetje een bol gezicht, en ze bloost een beetje. Ze heeft al borsten. Het symbool van ‘sex’. De jongens op school hebben het er vaak over. Ik houd mij dan altijd op de vlakte. Snap niet zo goed waar ze het over hebben. Weet niets van sex. Maar nu helpt mijn lichaam mee. Ik raak met mijn voet haar been aan onder de tafel. Niemand kan het zien. Ons pluchen tafelkleed hangt minstens 30 centimeter over de rand. De aanwezige mannen gaan op in hun loonbedrijf-luchtkastelen.
En zij? Ze is in ieder geval niet echt verlegen. Zonder gene wrijft zij met haar voet langs mijn been. Ik ben blij dat we geen schoenen dragen. Dat de klompen keurig in de schuur zijn achter gebleven. Ik wrijf een beetje terug. We kijken elkaar niet aan. Zij knelt mijn been tussen de hare, komt met haar voet zo hoog langs mijn been, dat er gevoelens opwellen, die volkomen nieuw voor mij zijn.
Als ze weg zijn wil ik maar één ding: ook naar de Noordoostpolder verhuizen.

Ik heb haar nooit meer terug gezien. Het loonbedrijf dat ze zijn begonnen was binnen een jaar failliet.
-" Ach, hij was altijd al een fantast, en een chaoot", weet mijn vader later te vertellen.

Ik vraag me nu af, hoe groot de Noordoostpolder is. Hoeveel mensen er luisteren naar radio NOP. Ik stel me voor dat de wereld daar zo klein is, dat iedereen meteen weet om wie het gaat.

Ik weet zijn en haar naam niet meer. Maar ‘knietje-vrijen blijft voor mij altijd iets van-, en verbonden aan de Noordoostpolder.

NB. Deze column was te horen op radio Noordoostpolder op zaterdag 1 september in het programma 'On the radio'.

dinsdag 30 augustus 2011

Zestien vierkantjes

Het is bijna Pasen 1963. Ik zit op de kleuterschool. Mijn eerste jaar op de kleuterschool in Gorredijk. Het is een wonder dat ik naar de kleuterschool ga, want dat is niet verplicht. En we wonen in Terwispel, dus het is eigenlijk ver weg. En ik moet alleen op de fiets, want mijn moeder kan mij niet brengen. Ik kan met een vriendje mee. Die zit al op de lagere school en is al zeven. Dus dat komt zeker goed.

We fietsen over het zandpaadje langs de vaart naar Gorredijk. Dat vindt mijn vriendje een fijne weg. En ik weet geen andere weg. Dus ik fiets mee. Het is een beetje eng, maar mijn vriendje zegt dat ik niet moet zeuren, en dus fiets ik door. Op mijn doortrapfiets, dus stoppen is so-wie-so niet eenvoudig. Want hij heeft geen remmen.

Als we bij de lagere school zijn, zegt mijn vriendje dat ik maar alleen verder moet. Want we zijn al bijna te laat. Verderop zal ik de school vanzelf wel zien, het kan niet missen. Ik kijk goed om me heen. Want hoe ziet een school er eigenlijk uit? Dat weet ik niet zo goed. 
Net als ik denk dat ik de school zie, sla ik keihard tegen de grond. Ik ben tegen een gele auto aangereden. Een VW kever. Uit het huis waar ik voor lig komen mensen gehold.

Ik huil niet. Mijn vader zegt altijd:
- "Hou op, anders krijg je een mep, dan weet je waarom je huilt".
Dus ik hou me in. Al doet mijn knie wel zeer.
Een aardige mevrouw brengt me naar school. Het is bijna half tien. Maar dat weet ik niet. Ik kan geen klok kijken.

 

Het is bijna Pasen. We moeten een eiermandje maken. Van een vouwblaadje. Zestien vierkantjes en dan knipjes er in. Ik vind het moeilijk, maar het lukt. Als je het goed vouwt, kun je er een bakje van maken. Het allerlastigste is het lijmen. Mijn bakje is kletsnat, en ik zit er onder. Het handvat drijft in het bakje.

De juf is naar cursus geweest. Zij weet nu dat zestien vierkantjes komt uit de vouwreeksen van Fröbel: "Kleuters moeten vouwen, knippen en plakken. Komen tot leuke ruimtelijke creaties. De doelstellingen zijn duidelijk: het leren onderscheiden van vormen, afmetingen en verhoudingen en het verhelderen van het ruimtelijk inzicht. Daarbij vereist vouwen, knippen en plakken concentratie en geduld en bevordert het de ontwikkeling van de fijne motoriek. En het is leuk!"

Brrr. Het zal best, maar ik vind het niks. Maar het moet over. De juf vindt dat ik nog niet klaar ben voor de lagere school. Ik kan nog niet goed plakken.

Mijn trauma heet al vijftig jaar: "zestien vierkantjes".

donderdag 7 april 2011

Koekoek

Op ongeveer 2 kilometer van ons huis ligt een stukje weiland. Tussen de bossen van Terwispel en Beetsterzwaag. Mijn vader (heit) mag het gratis gebruiken om hooi van te maken. Iedere baal voer is meegenomen, voor de zes koeien die wij hebben. De kwaliteit van het gras is zo slecht, dat je beter van stro kunt spreken. En de voedingswaarde is klein. De melkproductie waarschijnlijk laag. De inkomsten krap. Maar we hebben zelf bijna geen hooiland. En de eigenaar is blij dat hij iemand heeft die dit wil maaien.

We gaan op de fiets. Mijn broer achterop, ik op mijn doortrapfiets. Het lijkt ver. Mijn vader heeft de zeis aan de stang gebonden. Als we er zijn, begint hij met het slijpen van de zeis. Hij heeft een stok met aan beide kanten een ruwe substantie, waarmee hij ritmisch beide kanten van de zeis bestrijkt. Voor-achter, Voor-achter, Voor-achter. Eindeloos. Achteloos. Nooit gaat het fout. Ik wil dat ook leren, maar het is moeilijk.

Dan begint hij te maaien. Wij mogen in het bos spelen. Samen gaan we een bospad op, hand in hand. Het is spannend. Het is avontuur. Het is warm. Het is de wijde wereld. Het is de boze wereld. Iemand roept plotseling zo hard, dat we stijf staan van de schrik. Nog een keer: Koekoek, Koekoek. Keihard. Zonder waarschuwing.

Struikelend over onze beentjes rennen we terug, naar de veilige beschutting van de ouderlijke macht. Bij de broekspijp, naast de zeis.
- Dat is alleen maar een Koekoek, die doet niets.
We zijn in paniek.
- Wat is dat, een Koekoek?
- Dat is een heel klein vogeltje.
- Hij schreeuwt wel heel hard.
- Toch is hij klein.
- Wij zijn bang.
- Hij is banger voor jullie, dan jullie voor hem.

We zijn niet overtuigd. We blijven uit de buurt van het bos. Als het etenstijd is, en heit de boterhammen uit de fietstas haalt, zitten we samen in het gras.
- Ik zal jullie een eindje brengen.
Maar we gaan niet. Nooit. Een Koekoek, daar hebben wij niets mee.

Als we drie dagen later boven op de hooiwagen zitten, horen we hem weer. Boven de paardenhoeven en het kraken van de houten wielen uit. We duiken in het harde gras. Onder de bindstok. Dan kan de Koekoek ons niet zien.

Iemand die zo hard schreeuwt kan nooit ongevaarlijk zijn.

woensdag 30 maart 2011

Vissen

Ik heb vroeger gevist. Samen met mijn broer. In de vakantie. We verveelden ons.
- "Ga toch vissen", zei mijn moeder dan, en dan gingen we. Verderop in de weg was een bruggetje. Net voorbij dat bruggetje kon je langs het talud naar beneden lopen en aan de vaart gaan zitten. Er zat verder nooit iemand. Het was een saaie plaats. Op een saaie dag. Maar het regende niet. Want als het regende gingen we niet.

Vissen was armoe. Geen vakantie. Verveling. Een tak uit een wilg, een stuk touw, een kromme spijker. Zo ving je nooit wat. Later werd dat beter. Hoewel we arm waren thuis, kregen we gemakkelijk een nieuwe hengel. Eerst van een wilgenstok, later een echte bamboe. En een vissnoer met een dobber. Als we die zelf gingen halen tenminste, bij de klompenmaker in Terwispel.
-"Dan heb je wat te doen", zei mijn moeder. En zo was het.

Vissen doe je met maden. Ergens op of rond de boerderij was altijd wel een dooie vogel. Als je die onder een omgekeerde teil legt (achter in de schuur), dan zitten er al snel maden in. Die kun je in een potje doen. Dat vist gemakkelijker dan brood, dat je met water aan elkaar moet zien te rollen in een korrel, en aan je haakje moet pielen. Het valt al uit elkaar als je je hengeltje uit werpt. Maar je hebt niets in de gaten, want je moet niet meteen weer ophalen. En zo zit je aan het water doelloos te staren naar je dobber zonder aas aan het haakje.

We vingen stekelbaarjes, hele kleine. Heel soms een 'witvis'. Ik weet nog niet hoe die in werkeljkheid heetten. Alle gevangen vissen gingen mee naar huis. In een emmer. Met een bot mes zaagden we de kop er af en haalden we de ingewanden er uit. Achter op de gierkolk.
- "Zo leer je wat over vissen", zei mijn vader. En hij had gelijk.

Mijn moeder maakte ze klaar. Met vooral veel liefde. Heel soms was het niet alleen maar knapperig, maar zat er ook nog ergens een heel klein stukje vlees tussen de graten en de stekels.
-"Want de stekels kun je ook eten", zeiden mijn ouders. En dat deden we. Dat was dan rijkdom. Vis eten. Tijdens de vakantie.

Ik heb nu een collega, die vist. Hij vist met vliegen. Of vanuit een vliegtuig. Want hij heeft het over vliegvissen. Hij noemt het "de ultieme zenbeleving". Ik gun het hem. Ik heb met hem te doen. Ik kan inmiddels op vakantie.

woensdag 16 maart 2011

Meester Stikel

Ik ga naar school. We hebben geschiedenis. De meester kan prachtig vertellen. Met de aanwijsstok staat hij achter in de klas. Dan rent hij, tussen de rijen door, schreeuwend naar het bord. Met de punt doorboort hij de denkbeeldige poort van Den Briel. Zo deden wij dat in de tachtigjarige oorlog.

Ik moet naar school. Ik ben bang. Gisteren heeft meester Klaas Meindertsma geslagen en geschopt. Klaas had 'paard' met een t geschreven. Goed voor 'een draai om de oren'. Nou ja, meer een klap tegen z'n hoofd. En toen de meester heel boos aan Klaas vroeg om 'paard' eens langer te maken, zei Klaas 'paarten'. En toen kreeg hij een schop. Klaas vluchtte onder de banken door maar de meester bleef schoppen.

Ik ga naar school. We krijgen ons rapport. Ik heb een 10 voor aardrijkskunde. Voor het eerst van m'n leven snap ik dat er een verband is tussen m'n rapportcijfers en m'n werk in de klas. Ik had een 10 voor Noord-Holland en Drenthe en Zeeland.
- "Purmer, Schermer, Wormer, Beemster en Wieringermeerpolder", belangrijke droogleggingen in Noord-Holland. Het is onderdeel van de basiskennis van ieder kind. Zou het moeten zijn.
- "Tarwe, haver, gerst, pootaardappelen, eetaardappelen, suikerbieten, voederbieten, peulvruchten, vlas". Dat verbouwen ze in Zeeland.
- "Bij gemengd bedrijd staat de landbouw in dienst van de veeteelt". Tenminste in Drente.
Ik verdien een 10.

Ik ga naar school. We hebben tekenen. Ik haat tekenen. We moeten natekenen, een hooiwagen met perspectief. Ik kan het niet. Ik ben dom. Ik heb een 3. Ik verdien een 3.

Ik ben naar school geweest. We hebben een nieuwe jongen in de klas. Hij heet Jaap. Hij is heel dom, maar ook heel sterk. Toen de meester hem wilde slaan met de kaartstok, dezelfde als waarmee hij Den Briel heeft ingenomen, heeft Jaap de stok opgevangen en in twee stukken gebroken. En de meester heeft hem niet geschopt.

Het is donderdag. We staan bij de straat te wachten tot de meester komt. Hij is altijd laat op donderdag, want dan gaat hij naar de kapper. Kapper Betzema. Die ook mijn haar doet. Of beter niet doet. Meester heeft donderdags weer verse stekeltjes. 'Stikels', in het Fries. Daarom noemen we de meester ook 'Meester Stikel'. Op donderdag staan we bij de weg. Om de hoek bij de heg. We lokken hem en roepen:"Meester Stikel, meester Stikel!" Als hij er aan komt rennen we gauw weg.  Want hij mag het niet horen. Ik doe ook mee. Net als Klaas en Jaap. Het is hun stille wraak.

donderdag 27 januari 2011

Rijke leeromgeving

Als ik thuis kom staat mijn vader al te wachten.
- Er moet een koe kalven en ik moet melken, kun jij de veearts helpen?
- De veearts?
- Ja, het wordt een keizersnee.
Ik heb nog nooit een keizersnee gezien. In mijn overal, loop ik naar de veearts, die de koe al aan het scheren is.
- De verdoving is al ingespoten, zegt de veearts. Verder is hij niet erg spraakzaam. En ik ook niet: Friese boeren onder elkaar.

Het valt mij op dat de koe gewoon blijft staan. Eigenlijk verwacht ik dat hij zo meteen neer zal storten, maar dat gebeurt niet. En de veearts lijkt zich daar over geen zorgen te maken, dus ik vraag het ook maar niet.
Als de veearts het mes tevoorschijn haalt, verwacht ik veel bloed, maar ook dat blijkt een foute inschatting. Laagje voor laagje snijdt de veearts door de koe, tot er twee poten van een kalf zichtbaar worden.
- Pak die maar beet.

Na nog twee sneden graaft de veearts ergens naast mijn handen naar de andere pootjes.
-Voorzichtig tillen.
Ik vind het zwaar, maar zeg niets. Want ik ben al 11 jaar en dus ijzersterk. Toch?
Er komt heel veel water mee. Het gutst in mijn laarzen. Ik haat natte voeten.

We leggen het kalf bij de kop van de moeder, die nog steeds onbeweeglijk stil staat.
Ze begint haar spruit te likken. De veearts begint aan het hechtwerk.
- De nageboorte zal de natuurlijke weg volgen, zegt hij nog.
Ik weet niets van de natuurlijke weg. Jaren later realiseer ik me dat dit een vorm van sexuele voorlichting was, maar op dat moment heb ik niets in de gaten. Misschien dat een gerichte kijkopdracht of wat achtergrondinformatie me zou hebben geholpen.

Drieënveertig jaar later gebruik ik dit voorbeeld in een lezing voor 200 onderwijzers. Als voorbeeld van een rijke leeromgeving. Een sneltekenaar, die is ingehuurd vereeuwigt het tafereel.

Soms duurt het even voor je je jeugd kunt waarderen.

















Illustratie : Suus van den Akker

dinsdag 16 februari 2010

Varkensvoer

Mijn vader had varkens. Niet veel, maar als keuterboertje moest hij ergens van rond komen. En zo groeide ik op tussen koeien, varkens en kippen. En daar waar de kippen en de koeien gericht hun dagelijkse maaltijd kregen toebedeeld, waren de varkens afhankelijk van wat er zoal voorbijkwam.

Onderdeel van die voedselparrade was het oude brood van bakker Koolstra. Bakker Koolstra zat, net als mijn vader, in de kerkeraad. Dat schept een band. En aangezien wij arm waren en bakker Koolstra niet, was het zijn christenplicht iets voor zijn nooddruftige broeder te doen. En zo bracht de bakkersknecht iedere maandag een zak met oud brood. 'Voor de varkens'. Hij wist wel beter.

Voordat de zak in de stal werd geleegd, ging mijn moeders kennersoog over de bruine en witte broden. De onverkochte broden van de vorige week werden deskundig geordend van maandag naar zaterdag. De broden met schimmel naar de varkens. De broden van zaterdag en vaak ook vrijdag in de broodtrommel. Een suikerbrood en een krentenbrood in de kelder.

Het weg brengen van de resterende broden naar de varkens, was vervolgens een strijd tussen mijn broer en mij. Want in de zak hadden we nog krentenbollen gezien! En samen met de varkens, in de warmte van de rode lamp, in het stro, aten wij die overheerlijke krentenbollen, die al een beetje gistten.

Nooit zal ik die momenten vergeten. Ik kan de geur en smaak van die krentenbollen zo oproepen! En soms, heeeel soms, krijg je wel eens ergens zo'n krentenbol. Ik zeg er niets van.

maandag 15 februari 2010

Portret

Ik ben geboren in Heerenveen. Dat is jammer. Mijn ouders woonden destijds in Terwispel, en geboren worden in Terwispel is in mijn gevoelswereld verre te prefereren boven een nietszeggende plaats als Heerenveen. Het heeft iets exotisch om uit Terwispel te komen. Pittoresk tussen Beetsterzwaag, Gorredijk en Lippenhuizen. Ik ben gebrandmerkt door de armoe van de heide en het zand. Kind van Durk Snoad, de stroper aan het zandpad van Lippenhuizen naar Beetsterzwaag. Terwispel hoort daarbij. Zo'n geboorte in een ziekenhuis zou eigenlijk ook niet mee moeten tellen. Meteen daarna nemen de meeste ouders hun kind mee naar huis en groeit het op in hun woonplaats. De overal opduikende vanzelfsprekende aanname, dat je geboorteplaats iets zegt over je identiteit, is dus een illusie.

Mijn moeder zal daar wel anders over denken. Tenslotte werd het hele circus en dus ook deze buitengemeentelijke geboorte veroorzaakt door het feit dat ik inmiddels vier weken langer dan gepland de baarmoeder bewoonde, en bourgondisch mee at van moeders maaltijden. Zelfs zodanig, dat ik tot 12 pond was aangekomen. Aan 'halen' deden ze toen nog niet. Daarna ben ik als kind altijd wat te dik gebleven. En misschien ook een last voor mijn ouders? Dat de natuurlijke gang van zaken nog werd doorgezet heeft mijn ouders ook nog een traumaatje bezorgd. De lelijkste baby ooit was geboren. En mijn arme vader moest dat gaan melden in een plaats die hij niet kende, bij een gemeentehuis dat hij niet kon vinden. Toch enige invloed dus?

Het hele verhaal kwam bij mij boven toen ik de tentoonstelling 'Portrettisten nu' bezocht in Kasteel het Nijenhuis in Heino. En een indrukwekkend portret zag door Annemarie Busscher van een kind.

Prachtig! En tegelijkertijd:
Wat is er met dit kind?
En wil hij zich zo laten portretteren?


Annemarie Busscher: Rutger III, 2007

Gelukkig is er van mij geen foto uit die eerste week.

vrijdag 6 november 2009

Plaatsvervangende schaamte

Ik ben 13 jaar. Zomaar op een novemberdag is hij er: onze eerste auto! Het blijkt een Skoda, niet helemaal rechstreeks uit Tsjecho-Slowakije, maar langs een spoor van drie eerdere eigenaars, en langs onze 'tijger in de tank'- Essogarage. Een Skoda! Mijn pubergeest is niet bedacht op deze teleurstelling. Aan niemand zal ik vertellen dat ook wij mobiel zijn. Enigszins bedremmeld zoek ik de klamme lappen op. Het sneeuwt. Het is koud en vochtig op mijn kamer.

De volgende morgen tref ik mijn moeder huilend aan de ontbijttafel. Uit haar verhaal maak ik op dat mijn vader 's avonds onze derdehands Skoda aan een oom in het naburige dorp is gaan showen. Op de terugweg bleek de stuurmanskunst van mijn vader nog niet opgewassen tegen de sneeuw. De Skoda heeft, samen met de spaarcenten van mijn ouders, zijn einde gevonden in een sloot langs, oh ironie, de 'zomerweg'. Ik voel me schuldig.

Enkele weken later is het nieuwjaar. In ons dorp bestaat de Friese wouden-gewoonte om bordjes te spijkeren aan bomen, over de gebeurtenissen van het afgelopen jaar. Op mijn fietstocht door de ijzige kou naar de kerk op nieuwjaarsdag lees ik de naam van mijn vader: "Een tijger in de tank, en een ezel achter het stuur". Tijdens de kerkdienst kom ik tot: 'plaatsvervangende schaamte'. Zelf bedacht. Zelf gevoeld.

En vraag hierbij alsnog de rechten aan.

zaterdag 31 oktober 2009

Kinderverdriet

Ik zit in de eerste klas. We doen een spelletje. Een van de kinderen moet (mag) naar de gang. Samen met de juf spreken we een liedje af, dat we zo meteen, als de gangganger terug is gaan klappen. Zij moet dan raden welk liedje het is.

Ik doe dapper mee. Eerst klappen we het liedje met twee vingers. Als de gangrader het dan nog niet weet, klappen we het liedje met de hele hand. Dat is wat luider, en daarmee gemakkelijker. Tenminste dat zal wel de gedachte van de juf zijn.

Even tussendoor: Dat die gedachte niet zo gek is merk ik 30 jaar later tijdens mijn huwelijksreis. Ik mag logeren in een huis van een Portugese collega in Sintra. Het huis staat prachtig op een berghelling, met uitzicht op het dal. De buurman is een Portugese schaapherder op leeftijd. Als ik langs zijn huis kom begint hij een verhaal waarvan ik niets begrijp. Portugees is niet een taal die je spontaan verstaat. Als ik iets brom van 'Non Comprendo, non Comprendo', herhaalt hij dezelfde tekst, maar nu veel luider. Hij is dus op de hoogte van de opvattingen van de juf uit Gorredijk.

Nadat we het liedje geklapt hebben, weet de slome rader het nog niet. Nu neuriën we het liedje. En inderdaad: hij weet het! "Altijd is Kortjakje ziek". Goed gedaan!

Het is bijna zomervakantie.
- "Wie is er nog nooit op de gang geweest?"
Ik steek voorzichtig mijn vinger op en blijk de enige. Onopvallend gedrag gaat aan iedere leerkracht voorbij. Eenmaal op de gang ben ik er van overtuigd, dat het mij gaat lukken. Mijn ego heeft geen aandacht nodig. Vol zelfvertrouwen stap ik de klas weer binnen.
Na het klappen met twee vingers, het klappen met de hele hand en het neuriën heb ik nog steeds geen idee. En als de kinderen dan het liedje maar zingen, weet ik nog steeds niet wat het is. Ik heb het hele liedje nog nooit eerder gehoord!

zaterdag 29 augustus 2009

Bezorgde ouders?

Ik sta met mijn fietsje bij de straat. Ik ben 5 jaar. Zo meteen komt mijn vriendje. Met hem zal ik naar school fietsen, voor de eerste keer. Op mijn doortrapfiets. Ik kan al een beetje achteruit fietsen.

Ik huil. Ik vind het eng. Mijn moeder komt me troosten.
"Ik wil niet naar school"
"Waarom niet?"
"Ik kan niks"
"Dat geeft niet, dat gaan ze je daar leren".

Mijn moeder heeft een optimistische onderwijsvisie. En veel vertrouwen in haar oudste zoon. Zelfs op de eerste dag brengt ze me niet naar school. En dat ondanks het feit dat de school 5 kilometer verderop staat. Ze vertrouwt me toe aan de 8 jarige buurjongen. Het is 1962.

Ben ik verwaarloosd? Hadden mijn ouders uit de ouderlijke macht moeten worden gezet? Misschien had ik geluk: De buren klaagden niet.

We zijn verhuisd. Mijn moeder heeft me verteld, dat ik 's middags uit school niet meer naar de boerderij moet komen, maar naar het nieuwe huis. Het is niet moeilijk. Ik moet bij de kinderwagenfabriek niet de kilometerweg op gaan maar de andere kant uit. En dan steeds rechtdoor. Dan kom ik vanzelf bij het nieuwe huis.
Ik ben 7. Het is nu 1963. Ik kan het niet vinden. En dus fiets ik terug naar school, en daarna naar het oude huis. Een buurmeisje brengt me naar het nieuwe huis. Mijn moeder bedankt haar. Mijn moeder vind mij dom. Het buurmeisje stapt niet naar de kinderbescherming. Is zij ontspoord?

Ik snap het wel. Het verkeer is drukker geworden. De mensen zijn agressiever. Het is allemaal veel gevaarlijker nu. Voordat je weet wordt je kind ontvoerd.

Of zouden de kinderen minder zelfstandig zijn geworden?
Of heb ik geluk gehad dat ik zo zelfstandig ben opgevoed?