Posts tonen met het label Autobiografisch perspectief. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Autobiografisch perspectief. Alle posts tonen

zaterdag 8 december 2012

Met het spoor

Op een ritje voor mijn werk deze week, kom ik tussen Zwolle en Kampen een trein tegen. Of eigenlijk twee treinen. Bijzonder, omdat het spoor dat daar ligt de achterliggende maanden mij vooral is opgevallen omdat er nooit een trein rijdt. Het is het meest aanwezige lege spoor dat ik ken. Nu zie ik eerst een 'losse locomotief, zoals wij dat als kinderen noemden, en dan een wat vreemde blauwe trein, met voor en achter nog een locomotief.

Ik heb een sterk ambivalente houding t.o.v. treinen. Als je er in zit, je hebt een zitplaats, en de trein rijdt, dan heeft het wel iets. Je kunt een boek lezen, het is er warm, en als je bestemming in een grote stad, niet al te ver van het station ligt, heb je geen parkeerprobleem. Maar het kan ook anders. Vorige week kocht ik in een opwelling via vakantieveiling.nl voor een habbekrats twee kaartjes voor Wibi Soerjadi. Hij trad op in het concertgebouw, en vooral dat concertgebouw heeft op mij een enorme aantrekkingskracht.

Als het concert om kwart over tien is afgelopen, stap ik in de tram om via Amsterdam Zuid de trein naar Zwolle te nemen. Dit keer helaas via Utrecht, omdat de rechtstreekse verbinding door werkzaamheden een ommetje maakt. Ik heb mij desondanks niet laten ontmoedigen en neem verwachtingsvol plaats. In Utrecht is er een eerste obstakel. Er blijkt tussen Utrecht en Amersfoort 'een springer' te zijn. Springers zijn mensen, die op rigoureuze wijze hun stem uitbrengen op de NVVE, de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwilllig levenseindE. Ze halen er weinig kamerzetels mee, maar iedere springer brengt een niet anonieme stem uit. Ik wordt gemaand via Hilversum te reizen, ook al stel ik zelf voor via Arnhem en Deventer te gaan. In Hilversum voel ik bij het binnenrijden van het station nattigheid. Er staan hier wel erg veel mensen te wachten. Het is kwart voor twaalf. Om tien over twaalf zal een trein ons via Baarn naar Amersfoort brengen, alwaar wij de laatste trein naar Zwolle kunnen halen. Tweehonderd meter voor Baarn staan we nog even stil.  Ons wordt verteld dat we even moeten wachten op een tegenligger. Er is vandaag maar één spoor beschikbaar tussen Baarn en Amersfoort vanwege een breuk in de bovenleiding. Vijf minuten worden er twintig. Een prettige stem legt uit dat het enkele spoor tussen Baarn en Amersfoort inmiddels wordt geblokkeerd door een defecte trein. De werkelijkheid is altijd bizarder dan welke fantasie dan ook. De NS heeft kans gezien op het enige stukje enkel spoor nu een defecte trein te rangeren.

De omroeper spreekt weer: We hoeven ons geen zorgen te maken. Straks, als we in Amersfoort aankomen zal er NS personeel zijn om ons op te vangen en zullen er bussen klaar staan om ons verder te brengen. En we kunnen nu in ieder geval Baarn binnen rijden. Want wachten hoeft niet meer. De blokkerende trein zal immers nooit arriveren. We zullen een omweg via Den Dolder nemen is het plan.

 Den Dolder. Ik zie de machinist. Hij loopt voor mijn raam langs, terug naar de andere kant van de trein. Zijn gezicht staat op onweer. Ik zwaai hem bemoedigend toe. Dan rijden we Den Dolder weer uit. Alles loopt op rolletjes als we om kwart over één in Amersfoort arriveren. Ik had al een uur in Zwolle kunnen zijn. Iemand die tegen het advies van de NS in toch via Deventer is gereisd, belt een lotgenotende reisgenoot en is al thuis.
In Amersfoort wacht een nieuwe verrassing. Van het beloofde NS personeel, noch van de bussen is enig spoor te bekennen in de zeer verlaten stationshal. Enkele taxichauffeurs met ervaring in dit soort situaties duiken als aasgieren op de passagiers: de NS betaalt. U betaalt € 200 voor een ritje naar Enschede, dat krijgt u later van de NS terug. Wilt u mee? Later blijkt dat niet waar, maar dat weet ik niet. Gelukkig is mijn reisdoel Zwolle en wacht ik nog even af.

Als er een tiental minuten later een NS functionaris verschijnt, wordt beloofd dat er bussen zullen komen. Maar die zijn er nog niet. De NS wil naast de winterdienstregeling niet beschuldigd kunnen worden van nog meer proactief handelen. Een inventarisatie van bestemmingen bij ons gestranden begint. Alsof dat niet een half uur geleden in de trein al had kunnen plaats vinden. Ermelo, Putten, Meppel, Enschede. En nog veel meer. De NS- er schrijft het allemaal op een klein blauw papiertje. Het is kwart voor twee.

Iemand moet naar het toilet. Onder begeleiding van de hopmannende NS functionaris trekken we naar een WC in een kantoorpand van de NS. Dat gaat nog net. Maar koffie of iets te eten blijkt teveel gevraagd.
Kwart voor drie. Er meldt zich een bus. Het is Ome Cor. Hij is 75 jaar en rijdt wel vaker in crisissituaties voor de NS. Naar Zwolle hoor ik? Van onze hopman krijgt hij het blauwe briefje. Dan blijkt dat er ook nog mensen zijn die naar Meppel en Assen moeten. Ome Cor vloekt. "Ik lag net in mijn bed".
We kunnen mee richting Zwolle, maar alleen als we eerst via Nijkerk, Putten, Ermelo, Harderwijk en 't Harde gaan. Ik ben ieder gevoel voor tijd en in mijn vingers verloren. Vooruit maar.

Kwart voor vier stap ik uit in Zwolle. De wandeling naar de auto door de nachtelijke kou brengt de laatste ontnuchtering teweeg. Half vijf rol ik in mijn bed. Wibi slaapt al lang. Morgen om zeven uur zal mijn wekker gaan.

Op weg naar Lelystad word ik een dag later bij Kampen en Dronten gemaand om rustig aan te doen. De tegemoet komende blauwe trein blijkt de koningin te bevatten. En ik ben een potentiële terrorist. De agent vraagt nog net niet of ik misschien waxinelichtjes bij me heb. Het tot nu toe zo lege spoor heet de Hanzelijn legt de agent mij uit. Ik knik begripvol.

Ik moet denken aan iemand die vijf jaar geleden in de plaatselijke krant een heftig pleidooi hield om de Hanzelijn via Emmeloord te laten lopen. Ik ben plaatsvervangend blij voor hem dat dat niet is gelukt.

NB Deze column was in sterk verkorte vorm te horen op radio Noordoostpolder, in het programma 'On the radio' op zaterdag 8 december.
.

zaterdag 27 oktober 2012

Jondeeres

Ergens in de polder zag ik een John Deere. De groene tractor past in het regenachtige en weidse landschap als een fietser worstelend tegen de wind. Omdat het te ver weg is kan ik niet precies zien wat de functie van de tractor op dit moment is, maar hij doet vast iets nuttigs. De grond slepen. Of iets ploegen. De druilerige regen geeft het tafereel de mistige gloed, die past bij de herfst. Ik ben jaloers op de ongeremde vrijheid, die de berijder moet voelen, en die ik ken van toen ik zelf nog een klein jongetje was.

Het is de derde John Deere die ik zie deze week. Thuis bij mijn ouders zag ik mijn neefje spelen met de groene tractor, die vroeger bij mijn oma thuis ons grootste vakantieplezier was. Mijn broer en ik logeerden iedere zomervakantie bij mijn oma. Meestal drie weken lang. Zonder heimwee. En zonder contact met thuis, want wij hadden thuis geen telefoon.
Ik herinner me een keer dat oma net terug was uit Canada. Eén van mijn ooms had in de jaren 50 zijn heil gezocht in Lynden, en was boer geworden in die Hollandes enclave, dicht bij de Amerikaanse grens. Terug van haar eerste bezoek aan haar zoon had ze twee tractors meegebracht voor ons, haar logees. Twee jondeeres. Want zo spraken wij dat uit. En zij sprak ons niet tegen.

De jondeeres hadden twee voorwielen, die dicht bij elkaar zaten. Belachelijk. Zo zagen de tractors in Nederland er niet uit, en wij konden het weten, want oma woonde naast een loonbedrijf.
- "Zien de echte tractors in Amerika er ook zo uit?" vroegen wij.
Dat bleek niet het geval. Nog belachelijker. Dit waren geen echte tractors. Dit was speelgoed. Gemaakt door een grapjas. Maar ze konden wel 'echt' sturen en er konden 'echte' wagens achter. En wij speelden er graag mee. Maar het waren geen echte tractors!

Wat is dat trouwens, 'echt'? Iedereen weet wat een lepel is, of een schoen, of een kunstgebit. Maar als je een voorwerp ziet, hoe weet je dan dat het een schoen of een kunstgebit is? Waaruit bestaat het 'echte' van een voorwerp? De filosoof Heidegger zei dat het allemaal in ons hoofd zit. Een voorwerp is nooit 'echt'. Een voorwerp bestaat alleen bij de gratie van z'n functie. Als ik soep eet is mijn lepel een lepel, maar als ik die lepel langs de weg vind, is het dan nog wel een lepel? Is een kunstgebit bij de gevonden voorwerpen op het politiebureau wel een kunstgebit? Is een schoen langs de weg wel een schoen?

Eén van de meest omstreden kunstwerken van de vorige eeuw is 'The Fountain', van Marcel Duchamp. Duchamp was één van de bestuursleden van een galerie voor moderne kunst in New York. Hij werkte volgens een bijzonder concept: Iedere kunstenaar kon bij hem zijn kunstwerken ten toon stellen. Voorwaarde was dat hij lid werd van de galerie (kosten 1 dollar) en daarnaast per kunstwerk 5 dollar betaalde.  Duchamp kocht in New York in een badmeubelwinkel een urinoir en geeft het ding een naam: Fountain.  Hij zette het op z'n kop en signeerde het. Daarna bood hij het onder het pseudoniem R. Mutt aan, aan z'n eigen galerie, compleet met de 6 dollar voor lidmaatschap en tentoonstellingskosten. Hij noemde het 'readymade art'. Kunst die al klaar was.
Zijn medebestuursleden, die geen idee hadden van de werkelijke aanbieder, waren furieus en weigerden het ding tentoon te stellen. Dit was geen kunst! En zo is één van de meest beroemde kunstwerken uit de geschiedenis nooit tentoongesteld geweest! Er is alleen een foto bewaard gebleven. Maar was was het aangeboden voorwerp? Op de kop en niet verbonden aan een waterafvoer? Een urinoir of een kunstwerk, of nog iets anders?  Volgend de definitie van Heidegger was het in ieder geval geen urinoir meer.

Was de jondeere bij mijn oma wel een tractor? Dat laatste is nu overduidelijk: Nee! Het is speelgoed in de vorm van een tractor. Het zal nooit de functie van de poldertractor over kunnen nemen.

Vorige week liep ik de kunstroute in De Wijk en IJhorst. Op één van de locaties stuit ik op een levensgrote jondeere. Dit keer niet groen maar herkenbaar gemaakt van karton. Ook deze jondeere heeft smalle wieltjes. In de achterkant van het vehikel is een beeldscherm gemonteerd waarop een film wordt getoond van een man, die in een hotelkamer in New York deze kartonnen tractor bouwt, omdat hij zich eenzaam voelt en wil vluchten in een wereld die hem meer aanstaat, de wereld van de natuur, de wereld van de weidse polder.

En zo komt het allemaal weer bij elkaar: mijn jeugd, de kunst, de filosofie en de noordoostpolder. Maar of het ook een functie heeft, daar ben ik nog niet uit. Als we een voorwerp definiëren aan de hand van zijn functie, en als het voorwerp zijn functie verliest, als het dan dat voorwerp niet meer is, wat is dan een mens? Wat is tenslotte de functie van een mens? Of van een column?


Deze column was te horen op radio Noordoostpolder op 27 oktober om 19.40 uur in het programma 'On the radio', en is tot een week daarna nog terug te luisteren op  de site van radio Noordoostpolder.

zaterdag 1 september 2012

Knietje vrijen.

Ik ga een column maken voor radio Noordoostpolder. Dat lijkt me het aangewezen moment om eens na te denken over wat ik weet van de Noordoostpolder, of over wat ik heb met de noordoostpolder. Tijdens het nadenken over deze tekst valt me al op dat je het woord noordoostpolder niet straffeloos kunt blijven herhalen. Niet alleen is het te lang en teveel een tongbreker, het intellectuele gehalte van je tekst lijdt er ook meteen onder. Teveel polder. Niet sexy. Niet hip. Niet chil. Niet vet. Niet….., ja, hoe zou dat nu heten eigenlijk? En kun je Noordoostpolder straffeloos afkorten? NOP?

Mijn eerste herinnering aan de NOP is gek genoeg seksueel getint. En dat is verrassend. Mijn associatieve brein is beslist niet ongebreideld seksueel van aard en het woord polder is, ook in mijn gevoelswereld, niet ultrasensueel. Het is evenmin zo dat ik iedere gedachte aan vroeger meteen Freudiaans weet terug te voeren op een orale, genitale, anale of andere fase, ook al heb ik een psychologische vooropleiding.
Ik zie me zelf weer zitten in de keuken van onze boerderij. Het is eind jaren zestig. Ik ben een jaar of twaalf. Er zijn kennissen van mijn ouders op visite. Mijn vader en de mannelijke bezoeker bespreken het plan van de bezoeker om naar de Noordoostpolder te verhuizen. Dat is dus het moment dat ik dat woord voor het eerst hoor: Noordoostpolder. Onze bezoeker wil daar een loonbedrijf beginnen. Er schijnen daar grote boeren en boerderijen te zijn. Met heel veel bouwland en heel veel werk. Daarbij vergeleken, is mijn vader met z’n 12 koeien en 11 hectare weiland een te verwaarlozen bron van inkomsten. Het huidige loonbedrijf van de bezoeker loopt niet zo goed en in de NOP, zal hij zijn als Anton in loonbedrijfluilekkerland. Het geld zal er binnen stromen. De bomen zullen tot in de hemel groeien. Mijn vader knikt.
Ik zit schuin tegenover onze bezoeker. Naast hem, en dus recht tegenover mij, zit zijn dochter, van een jaar of elf. Hoewel ik geen enkele seksuele aanmoediging vanuit mijn opvoeding heb meegekregen, en alle relevante voorlichting beperkt is gebleven tot een boekje dat mijn moeder mij op een onbewaakt moment in de handen drukte, met de woorden:   “Lees dit maar eens even, misschien heb je er iets aan”, ondanks dat, reageert mijn lichaam op haar aanwezigheid. Ze lacht naar mij. Ze heeft een beetje een bol gezicht, en ze bloost een beetje. Ze heeft al borsten. Het symbool van ‘sex’. De jongens op school hebben het er vaak over. Ik houd mij dan altijd op de vlakte. Snap niet zo goed waar ze het over hebben. Weet niets van sex. Maar nu helpt mijn lichaam mee. Ik raak met mijn voet haar been aan onder de tafel. Niemand kan het zien. Ons pluchen tafelkleed hangt minstens 30 centimeter over de rand. De aanwezige mannen gaan op in hun loonbedrijf-luchtkastelen.
En zij? Ze is in ieder geval niet echt verlegen. Zonder gene wrijft zij met haar voet langs mijn been. Ik ben blij dat we geen schoenen dragen. Dat de klompen keurig in de schuur zijn achter gebleven. Ik wrijf een beetje terug. We kijken elkaar niet aan. Zij knelt mijn been tussen de hare, komt met haar voet zo hoog langs mijn been, dat er gevoelens opwellen, die volkomen nieuw voor mij zijn.
Als ze weg zijn wil ik maar één ding: ook naar de Noordoostpolder verhuizen.

Ik heb haar nooit meer terug gezien. Het loonbedrijf dat ze zijn begonnen was binnen een jaar failliet.
-" Ach, hij was altijd al een fantast, en een chaoot", weet mijn vader later te vertellen.

Ik vraag me nu af, hoe groot de Noordoostpolder is. Hoeveel mensen er luisteren naar radio NOP. Ik stel me voor dat de wereld daar zo klein is, dat iedereen meteen weet om wie het gaat.

Ik weet zijn en haar naam niet meer. Maar ‘knietje-vrijen blijft voor mij altijd iets van-, en verbonden aan de Noordoostpolder.

NB. Deze column was te horen op radio Noordoostpolder op zaterdag 1 september in het programma 'On the radio'.

maandag 2 januari 2012

Zelfingenomen gelukkig.

Oudejaarsdag. Tijd om goede voornemens te evalueren. "Dat zouden meer mensen moeten doen", zo'n reclamezinnetje dat blijft hangen. Voor mij gemakkelijk. Ik had er geen.

Het is zaterdag. In de achterliggende maanden ben ik 21 kilo afgevallen. Dat was ik op 1 januari nog niet van plan, maar plotseling leek het moment geschikt. Ik meen op 6 oktober. Altijd een mooie datum. Vijf oktober had ik nog een etentje, dus dat was duidelijk te vroeg. Ik ben tevreden.

Om 10 uur doe ik mee aan een spinningles. Niet om af te vallen, maar omdat je toch iets aan sport moet doen, nu hardlopen niet meer gaat. We spinnen op de top 11 van de top 2000. Zonder commentaar er tussendoor. Ideetje ook voor de radio? Ik kan de hele les het moordende tempo bij houden. Ik ben trots.

Om 12 uur lees ik een boek. Of eigenlijk meerdere boeken tegelijk. Ik deel mijn geluk met de sprinkhaan. En met Toon Tellegen. Na ieder verhaaltje wil ik stoppen. In gelukzaligheid. Soms sta ik mezelf toe om even weg te dommelen, omdat dan het verhaal misschien mijn onbewuste binnen dringt. En omdat het volgende verhaal niet nog beter kan zijn. Of toch wel? Ik ben gelukkig.

Om 4 uur haal ik witlof bij de kruidenier. In de auto heb ik tijd om even niet naar de top 2000 te luisteren. Een CD met de pianoconcerten van Giovanni Paisiello (1740-1816) is zo prachtig, dat ik bijna tegen een boom droom. Maar ik houd me staande. Ik had nog nooit van Paisiello gehoord, maar gelukkig mijn cosmeticakruidenier wel. Die stelt hem beschikbaar voor € 2,99. Ik ben tevreden.

Om 6 uur word ik uitgenodigd om oudejaarsavond ergens een glaasje te komen drinken. Tot die tijd met een boekje in een hoekje. Daar zit ook Toon Tellegen. Daar ligt "Speel ik met mijn kat of zij met mij?" , Saul Framptons prachtige boek over mijn held Michel Montaigne. En ook Bill Bryson vraagt nog aandacht. En het filosofiemagazine over helden. En Beethoven is dood terwijl er zoveel idioten leven. Het is warm, de regen tikt op de glazen koepel, het leven is goed voor mij.

Zoveel geluk moet je delen. Toon moet je voorlezen! Iedereen moet het horen! Ik moet bloggen! Een onmogelijke opgave dringt zich op. Zelfingenomenheid glijdt tussen de regels door. Het leven is prachtig! Vertel het aan niemand!

Weet je, zei de egel, ik ben nu tevreden. Heel tevreden.
Maar altijd als ik tevreden ben, ben ik ook verdrietig. Nu dus ook.
Ik vind dat zo raar. Hoe tevredener, hoe verdrietiger.
Soms denk ik: was ik maar nooit tevreden, dan was ik ook nooit verdrietig. 
Dan wou ik dat ik niks was. Niet tevreden. Niet ontevreden. Niet verdrietig. Niks
Hoe kan dat?
Ik weet het niet zei sprinkhaan.

Uit: Het geluk van de sprinkhaan. Toon Tellegen, 2011.

http://middenmoterroerselen.blogspot.com/2011/05/top-21.html


woensdag 14 december 2011

Bekering (1)

Allah heeft een nieuw slachtoffer gemaakt. God bestaat niet en Allah is zijn broer. En dat zijn de ergste in de Allah-cultuur. Ze was zo'n aardig meisje. Altijd vrolijk. Stralend, lachend, rinkelend. Jammer dat onze taal geen woorden heeft voor dat soort meisjes. Meisjes waar je niet beslist iets mee hoeft, om er toch terloops van te genieten.Omdat ze maken dat de zon altijd schijnt. Dat iedere zwarte dag toch een klein zonnestraaltje heeft. Meisjes, die je laten begrijpen dat Platoonse liefde voor iedere man is weggelegd.

Plotseling draagt ze een hoofddoekje. Ik herken haar stem, maar mijn lichaam wil niet mee. Ik kan stem en verschijning niet bij elkaar brengen. Al weer schieten woorden tekort. Alleen een gedicht is adequaat. Mijn maag keert om. Mijn ziel ziel staat stil. De zonnestraal breekt bij het krieken af. Het is alsof ze dood is. Een zelfgekozen dood? Of opgelegd door een man? Er zit vast een man achter. Niet herkende onderdrukking? Realiseert ze zich wat ze doet? Zich afdekken voor een godheid die niet bestaat? Nooit meer zwemmen? Je afkeren van de heersende cultuur?
Er komt een kind op bezoek, waar ze even op moet passen. Kinderen waren gek op haar, op haar klaterende lach, haar vanzelfsprekende mede-kind zijn. Nu is het kind bang voor haar, huilt angstaanjagend en onbedaarlijk.

Ik kan mijn gevoelens en beleving niet duiden. Woede, machteloosheid, ergernis, ongeloof, haat, misselijkheid. En nog veel meer.
Ben ik een racist? Of een moslimhater, een paranoïde hoofddoekjeswaarnemer? Moet ik op Wilders stemmen? Is mijn afkeer van hem politiek correct, maar weet mijn onderbewuste wel beter?
Ik weet niet wat ik  moet doen. Ik haat haar ook. Ze laat zich onderdrukken. Ze is mede schuldig aan al die vrouwen die in naam van godsdienst zich moeten laten welgevallen wat mannen behaagt. Ze is ondersteunster van de Taliban.

Vandaag is een Arabische vrouw onthoofd in het kader van de Sharia, vanwege hekserij! Ik weet het zeker: MIjn bekeerde prinses is mede schuldig!

maandag 31 oktober 2011

Reünie

Ik heb me afgevraagd of ik wel moet gaan. Wat heb je nou aan een reünie? Oude koeien uit de sloot halen. Bovendien, zo'n leuke middelbare schooltijd heb ik nou ook weer niet gehad. Als boerenzoon uit een buitendorp hoorde je er net niet helemaal bij. Uitgaan was een Utopie. Maar goed ook trouwens, want ik zou niet weten wat ik zou moeten doen bij 'uit'.

Bij de vorige reünie was ze er niet. Het meisje van nog een dorp verder. Het meisje waar ik op bezoek ging. Het meisje waarvoor ik smoesjes verzon om er 's avonds even langs te gaan: huiswerk dat ik was vergeten, een boek dat ik wilde lenen, een uittreksel dat ik wilde overnemen omdat zij het boek al had gelezen. Gelukkig bestond er geen internet. Hadden we geen mobiele telefoon.
Ik fietste naar haar huis zodat ik even 5 minuten bij haar op de bank kon zitten, want langer durfde ik niet. Zo had ik haar heel even voor mezelf, tenminste, hoefde ik haar niet te delen met de andere jongens. Want haar ouders waren er ook bij natuurlijk.

Nooit heb ik iets van mijn verwarde en verwarrende gevoelens met haar gedeeld. Ook niet toen ze mee was naar Taizé en Annecy op mijn eerste buitenlandse reis. Georganiseerd door de school. Ik durfde niet, was te bleu, te bescheiden, te groen, te on-ïngelicht, te pukkelig, te laf. Ik zag haar overal en was tevreden met het feit dat ze er was. Ik ben benieuwd wat er van haar is geworden.

Er zijn niet veel mensen van mijn examenjaar. Negentienvijfenzeventig is ook al even geleden. Omdat ik ben blijven zitten, zoek ik in twee lokalen naar bekenden. En al staat zij op de inschrijflijst, ik zie haar niet meteen.

Dan is ze daar. Ik herken haar meteen. Hoe kan het ook anders, ze is in al die 35 jaar natuurlijk bijna niet veranderd. En zij ziet mij. In het enthousiasme waarmee ze naar me toe rent en mij innig omhelst meen ik haar positie op de bank te kunnen lezen. Van destijds. Een siddering van zesendertig jaar verstilt in vijf seconden. Schuurt de ziel. Ze voelt warm en stevig. Ze kijkt me aan.
- "Wat ben ik blij jóu te zien".

We verkennen de dag. We blijven bij elkaar. We wisselen gezinnen uit. We zeggen niets.
We benoemen niets. Het zou kunnen breken, kapot kunnen vallen, ons kunnen beschadigen.
Bij het afscheid dezelfde warme omhelzing. De lichaamstaal van de gedeelde ervaring, woordeloos, maar daarom niet minder duidelijk.

Als ik naar huis rijdt zet ik de radio aan. Radio 4 natuurlijk, 'Pianistenuur'. Een derde deel over het leven van Liszt begint met Liebestraum 1 en 3. Hoe pathetisch kan het echte leven zijn! Als God knipoogt moet je wel omhoog kijken.

Misschien komt er nog een reünie, voordat de eeuwigheid ons op slokt.

zaterdag 29 oktober 2011

Dagsluiting

Als we de klas binnen komen bij de franse les, kunnen we merken dat er iets anders is. Onze leraar is er al. Tegen zijn gewoonte in. Hij is zenuwachtig. We hebben les over een een boek dat we samen lezen. Het telt mee voor de boekenlijst van 15 Franse boeken, die we voor het eindexamen moeten lezen. In het verhaal gaat het over een kar met twee wielen, waar een paard voor moet worden gespannen. Om het paard ervoor te krijgen moet het paard 'reculer', althans in het boek. Eén van mijn klasgenoten vindt dat maar onzin. Thuis hebben ze paarden voor een sulky, en je kunt best de kar om het paard trekken. Nergens voor nodig, dat 'reculer'.

De anders altijd goedlachse leraar blijkt niet bevattelijk voor grapjes. Of voor een discussie in het Frans. Hij is er niet bij. Lijkt het einde te vrezen. Als de les bijna afgelopen is, komt de aap uit de mouw.
-"Is het jullie laatste les vandaag?"
We knikken, "gelukkig wel!"
- "Het is de bedoeling dat aan het eind van de dag door de leraar wordt voorgegaan in gebed".
Hij deelt het mee, als was het een extra opdracht in ons huiswerk.
We zijn verbaasd. De afgelopen jaren is er nooit voorgegaan in gebed, niet aan het begin van de dag en ook niet aan het eind. Alleen bij het overblijven is er een moment stilte. De conciërge tikt met een mes op een etensbord, er volgt een razandsnelle minuut stilte, en na het verlichtende "Eet smakelijk" werken we onze 14 beterhammen naar binnen, om daarna een potje te kunnen schaken.Maar ook daar geen afsluiting.

"De  nieuwe rector heeft het zo bepaald", zucht hij, en hij neemt een devote houding aan met gesloten ogen, de gevouwen handen voor zijn kruis. Het is duidelijk zijn nieuwe huiswerkopdracht.
We doen mee. Als leerlingen van een christelijke school kennen de meesten van ons dit ritueel van thuis, de kerk of van bij opa en oma.

Hij begint een klein dankgebed. Het duurt maar even.
"Heer wij danken u, dat wij vandaag weer naar school mochten komen"
Wij vinden het best. Beter leek: "Dat we eindelijk naar huis mogen, maar we zeggen natuurlijk niets.
Hij lijkt niet echt te hebben nagedacht over het vervolg, want even wordt het stil. Dan vervolgt hij:
- "Ook danken wij u voor het mooie weer vandaag".

Nog voor het eind van de zin tikt de regen tegen het raam.
God laat zich niet paaien door een rechtlerige rector. De Franse leraar ook niet.
- "Oh nee, toch niet", zegt hij zonder aarzeling.
- "Amen".

Wij kijken nergens van op. De echte wereld lonkt, en zonder commentaar dringen we naar buiten. Op zoek naar een regenpak.  God heeft met niemand mededogen.

woensdag 5 oktober 2011

We hadden het goed voor elkaar.

Als zij in haar glimmende pakje binnen komt, glinsteren zijn ogen. Ze weet hoe hij zal reageren, maar verheugt zich er toch op. Ze zoenen, drie keer, zoals het hoort. Hartelijk. Zonder gene. Hij zegt nog niets. Hij wacht tot ik hen zie om dan pas te zeggen:
-"Wat ziet ze er weer mooi uit hé?
Tegen mij, maar voor haar bedoeld. Zodat we op elkaar worden betrokken.
Haar pirouette is het teken dat ze zich het compliment laat welgevallen, al is zijn daverende lach een onbestendig teken van voor mij onpeilbare sentimenten. Ze zoent ook mij. En ik haar. Onze harten huilen, nu al.

De beginminuten zijn erotisch. In wankel evenwicht. Ieder moment kan het omslaan, kan hij de touch verliezen, maar nu nog niet, even niet. Hij prijst haar schoenen, haar jas en haar blosjes. Hij zoekt de rand, als regisseur Pierre Audi met olifant en Woelmuis in de operaversie van 'de genezing van de krekel'. Hij is als woelmuis die rond woelt in het kruis van de olifant. Ik voel me Toon Tellegen gedwongen tot het schrijven van een verhaal over het swaffelen van eekhoorn. We zijn in ons eigen agapè-restaurant. Alain (de Botton) zou trots op ons zijn.
We zoeken een plekje. Hij neemt als vanzelfsprekend het voortouw. Z'n charme leidt tot lachende gezichten, z'n sturing tot vanzelfsprekend volgen. We klinken. We drinken. We zijn herenigd. Ik bewonder zijn flair, zijn vanzelfsprekende kracht en zelfvertrouwen. Ik ben blij dat hij de meeste ruimte in neemt.

Ooit waren wij hecht. Deelden lief en leed. Ondersteunden en oordeelden. Loodsen op hetzelfde schip, ieder met een eigen taak. Ezels met een eigen last. Drie musketiers in een wereld vol ego en eigendunk. Complementair en vol zelfvertrouwen. Managers, die graag als leiders te boek stonden. Want wie wil er nu manager worden genoemd? We waren net vijftig, in de nadagen van onze ambitie, overtuigd van de zegenrijke effecten van onze aanwezigheid. In evenwicht, verder dan de anderen.
Ik was van de inhoud, van het vakmanschap, het enthousiasme. Ik kon leerkrachten opzwepen tot gepassioneerd geloven in eigen kunnen, heen en weer springend tussen theorie en praktijk, tussen zweverig en praktisch, tussen filosofie en het echte leven.
Hij was van de commercie, van de klanten, het netwerk, het geld. Hij leerde ons dat je niet bang moet zijn om geld te vragen, om contacten te 'gebruiken', om geld en inhoud te verbinden. Hij kende 'de markt'.
En zij? Zij verbond ons. Zij liet ons zien dat niet iedereen dacht als wij, dat leren tijd nodig heeft, dat je moet voorleven ipv overtuigen. Cirkel van invloed en cirkel van betrokkenheid.
Maar bovenal leerde ze ons oog voor schoonheid, want ze was elke dag als nieuw.

Als enige overleefde zij de schifting. Charme en een voorzichtige stijl van communiceren leveren nu eenmaal altijd meer op dan confrontatie en botheid, meer onze sterke kanten. Tekenen van toenemende machteloosheid. Van gelijk hebben, maar niet krijgen, van domheid vermomd als intellectueel handelen.
Al waren we inhoudelijk succesvol. Al waren we populair bij onze mensen. Al hadden we de afdeling op orde. Al dachten we dat we 'het goed voor elkaar hadden', zoals hij niet naliet doorlopend te zeggen. Het bleken in de ogen van de machthebbers allemaal bewijzen van ons disfunctioneren, zoals zij uiteindelijk vond dat ze moest toegeven. Al was het maar voor even. Het is haar brandmerk in de nieuwe slavernij. Maar ze heeft het beter gedaan dan wij.

Het enige wat mij rest is een cadeautje voor hem te kopen. Ook namens haar, namens 'ons' dus.  Nu hij niet meer leiding geeft aan anderen is hij begonnen met het managen van de lastigste persoon op aarde: zichzelf. Al geldt dat volgens Ben Tiggelaar voor iedereen. Op basis van 'de gerecyclede indrukken uit mijn verzameling' (Guus Kuijer) zal ik een titel kiezen, die hem voor altijd aan ons zal binden en herinneren.
De 'Utopie van de Vrije markt' van Achterhuis is een mooi beginnetje. Hij als ondernemer, wij als loonslaven.  Of  'Je moet je leven veranderen' van Sloterdijk, meer een tip van hem aan ons, dan andersom, maar dat hoeft hij niet te weten. Ik leg het terug. Joke Hermsen die aanspoort de tijd te nemen dan? Of 'De Boodschapper' van Kader Abdollah? Net op tijd realiseer ik me dat dat meer een boek is voor mezelf. Een waarschuwing na een treurige mislukking als strijder voor belegen idealen. 
Uiteindelijk kies ik voor "Pleidooi voor treuzelen", van Peter Delpeut.
Hij buldert.

Als we afscheid nemen, vol twijfel en met beloften elkaar te blijven zien, ook al weten we dat we liegen, zegt hij het nog één keer ons mantra, onze verbindingszin:
- "En toch hadden we het goed voor elkaar".
Dan verdwijnt hij in het donker, ons de ruimte latend, maar met onze markt achter zich aan.

dinsdag 30 augustus 2011

Zestien vierkantjes

Het is bijna Pasen 1963. Ik zit op de kleuterschool. Mijn eerste jaar op de kleuterschool in Gorredijk. Het is een wonder dat ik naar de kleuterschool ga, want dat is niet verplicht. En we wonen in Terwispel, dus het is eigenlijk ver weg. En ik moet alleen op de fiets, want mijn moeder kan mij niet brengen. Ik kan met een vriendje mee. Die zit al op de lagere school en is al zeven. Dus dat komt zeker goed.

We fietsen over het zandpaadje langs de vaart naar Gorredijk. Dat vindt mijn vriendje een fijne weg. En ik weet geen andere weg. Dus ik fiets mee. Het is een beetje eng, maar mijn vriendje zegt dat ik niet moet zeuren, en dus fiets ik door. Op mijn doortrapfiets, dus stoppen is so-wie-so niet eenvoudig. Want hij heeft geen remmen.

Als we bij de lagere school zijn, zegt mijn vriendje dat ik maar alleen verder moet. Want we zijn al bijna te laat. Verderop zal ik de school vanzelf wel zien, het kan niet missen. Ik kijk goed om me heen. Want hoe ziet een school er eigenlijk uit? Dat weet ik niet zo goed. 
Net als ik denk dat ik de school zie, sla ik keihard tegen de grond. Ik ben tegen een gele auto aangereden. Een VW kever. Uit het huis waar ik voor lig komen mensen gehold.

Ik huil niet. Mijn vader zegt altijd:
- "Hou op, anders krijg je een mep, dan weet je waarom je huilt".
Dus ik hou me in. Al doet mijn knie wel zeer.
Een aardige mevrouw brengt me naar school. Het is bijna half tien. Maar dat weet ik niet. Ik kan geen klok kijken.

 

Het is bijna Pasen. We moeten een eiermandje maken. Van een vouwblaadje. Zestien vierkantjes en dan knipjes er in. Ik vind het moeilijk, maar het lukt. Als je het goed vouwt, kun je er een bakje van maken. Het allerlastigste is het lijmen. Mijn bakje is kletsnat, en ik zit er onder. Het handvat drijft in het bakje.

De juf is naar cursus geweest. Zij weet nu dat zestien vierkantjes komt uit de vouwreeksen van Fröbel: "Kleuters moeten vouwen, knippen en plakken. Komen tot leuke ruimtelijke creaties. De doelstellingen zijn duidelijk: het leren onderscheiden van vormen, afmetingen en verhoudingen en het verhelderen van het ruimtelijk inzicht. Daarbij vereist vouwen, knippen en plakken concentratie en geduld en bevordert het de ontwikkeling van de fijne motoriek. En het is leuk!"

Brrr. Het zal best, maar ik vind het niks. Maar het moet over. De juf vindt dat ik nog niet klaar ben voor de lagere school. Ik kan nog niet goed plakken.

Mijn trauma heet al vijftig jaar: "zestien vierkantjes".

vrijdag 8 juli 2011

Mondelinge overhoring

We hebben geschiedenis. Middelink zit op zijn platform en overziet de klas.
- "Wie heeft het geleeeerd?" slist hij.
Iedereen steekt z'n vinger op. Dat hebben we inmiddels wel geleerd. Als je je vinger niet op steekt zal zijn onvermijdelijke commentaar zijn:
- "De Boer, een paaaal".
Het woord 'paal' kan alleen hij uitspreken op een manier, die maakt dat je niet protesteert tegen een zo onredelijke bejegening, zonder de kans op enige toelichting. Omdat je ook niet beslist weet of hij het meent of niet. Maar het risico nog een keer nemen, dat doet niemand.
Als je geluk (of pech) hebt, is er een andere straf adequaat:
- "Dat wordt 20 kaarsen extra verkopen voor de Surinamezending".
Want hij is voor ons onplaatsbaar geobsedeerd door de Surinamezending.
We hebben trouwens geen idee wat dat is, Surinamezending. En waarom dat nodig is. Maar iedere week komt het wel een keer aan de orde.

Vandaag is het tijd voor een mondelinge overhoring. Iedere week krijgen drie leerlingen een beurt om voor de klas enkele vragen over de les te beantwoorden. Het cijfer telt mee als een SO (Schriftelijke overhoring). Als je er slecht voor staat kun je een extra keer aanvragen.
- "Zo, wil je verder sparen voor een hekwerkje? ", is dan het commentaar dat je zult moeten trotseren.  

Vandaag is Henny Bustra aan de beurt. Haar oranje naveltruitje, haar hotpants en haar laarzen lijken hem volkomen te ontgaan. Als ze haar vragen heeft gehad en wil gaan zitten, verandert zijn houding:
- "Blijf even staaan", is zijn slepende en dwingende bevel.
- "Wat heb je daar op je ooooogen?"
Henny lijkt verrast. Dan antwoord ze:
- "Oogschaduw meneer.
Middelink wacht even. Dan is zijn dodelijke commentaar:
-'t Spijt me kind, net een spook".

Het is doodstil. In één klap staat ze ter discussie. Plotseling hebben wij de kans haar flirterige uiterlijk te zien. Kunnen we weten, dat hij, Middelink, onze favoriete leraar, het door heeft.
Maar wij houden van kijken naar Henny. En zijn nog niet in staat de psychologie van deze actie te duiden. Hij vindt het niets! Hij houdt ons een spiegel voor.
De les begint. We praten er niet over. Onderling niet. Met Henny niet. Want dat durven we niet.

Henny heeft bij geschiedenis nooit meer oogschaduw op.
Middelinks populariteit is altijd onaangetast gebleven.
Ik vraag me achteraf af waarom hij zo populair was.

dinsdag 5 juli 2011

Henny Bustra

Het is eng. Heel eng. Vandaag is mijn eerste dag op de middelbare school. Ik ben nog nooit buiten Tietjerk geweest. Tenminste, niet alleen. Niet op een plaats waar ik zelf moet bepalen wat ik doe of waar ik heen loop. Mijn grootste avonturen tot nu toe bestonden uit de wedstrijden met mijn korfbalteam en de daarbij behorende 'seriedagen':  Samen met je teamgenoten in de zon liggen. Wachten op de volgende wedstrijd bij het luisteren naar 'de Clown' van Ben Cramer. En 'Kom uit de bedstee mijn liefste'.

Vandaag is het zover. Ik ben vooral bang dat ik de deur niet kan vinden. Want dat heb ik gedroomd: dat er zoveel deuren zijn, dat je niet weet waar je naar binnen moet. De school is groot hebben ze me verteld. Wel 2000 leerlingen. Een leerfabriek. Angstaanjagend. Het is de grote stad. Het is Amsterdam. Ook al ligt de school in Leeuwarden.

In onze klas zitten 30 kinderen. Ongeveer de helft van de kinderen is van boerenkomaf. Uit Sint Annaparochie, Oude Bildtzijl, Morra, Marssum. Plaatsen waarvan ik gehoord heb bij aardrijkskunde.
De school is niet eng. De kinderen wel. De meisjes vooral. Ze zijn groot. En mooi, heel mooi. Ik durf bijna niet te kijken. De meeste dragen hotpants. Eén valt er extra op. Ze heeft grote borsten en een strak shirtje. Ze draagt zwarte laarzen tot boven haar knieën en ze is erg opgemaakt. Alleen haar haar is een beetje gek. Ze is blond, haar haarlijn is erg rafelig, slonzig bijna. Vlasachtig.

Ik durf niet bij haar in de buurt te komen of tegen haar te praten. Ze is blijven zitten. Haar naam is kenmerkend voor het meest kenmerkende deel van haar uiterlijk. Zeggen ze. De jongens van mijn klas. Ik snap het niet. Bustra heet ze. De jongens spreken het anders uit.

zondag 3 juli 2011

Verliefd

We gaan op vakantie! Voor de allereerste keer! Nooit eerder gingen we in de zomervakantie weg, en nu is het zover! Nog net voordat ik naar de middelbare school zal gaan. Mijn leven gaat een nieuwe wending nemen. Ik ga echt de wijde wereld in! Er is een caravan gehuurd op 'de Waps', in Oudemirdum. Dan kan Heit ook komen overdag. Op zijn Sparta. Van Tietjerk naar Oudemirdum op de Sparta, dat kan net tussen twee keer melken door. Als je extra vroeg op staat.

Als Heit voor het eerst komt is hij wat van slag. Onderweg haalde een auto hem in en uit het raam kwam een arm, die op en neer bewoog. Een aardige man. Mijn vader had terug gezwaaid en de langzaam afremmende auto ingehaald, om zo snel mogelijk zijn vakantievierende liefde en kroost te bereiken.
De auto had hem opnieuw ingehaald en er werd weer gezwaaid. Onder de indruk van zoveel vriendelijkheid volgde een nieuwe vaderlijke groet en een voorzichtige wheely. Wat niet eenvoudig is op een Sparta.
Even later was hij echter klem gereden door de auto en er waren twee agenten uitgestapt. Het vriendelijke zwaaien had moeten worden geïnterpreteerd als een stopteken en mijn vader ging op de Sparta harder dan toegestaan. Gelukkig was de Sparta niet in beslag genomen, zodat Heit, met 5 gulden boete, dat wel, de reis had kunnen vervolgen. De vakantie was duur begonnen!

Naast onze caravan staat een grote tent. Voor de tent zitten een man en twee kinderen, ongeveer van mijn leeftijd.  Het meisje komt nieuwsgierig kijken naar de beide jongetjes, die onwennig de omgeving in zich op nemen. Al snel spelen we verstoppertje.

Als ik enkele uren later, tijdens een eerste fietstocht, op een bankje in het bos zit voel ik me niet goed. Mijn buik doet zeer, en ik wil niks. Alleen maar terug naar de camping. Ik moet steeds aan Ellie denken. Ellie de Ridder heet ze en ze woont in Den Haag. Ze hebben thuis een bakkerswinkel. In de Michiel de Ruijterstraat.
Ik vertel dat aan mijn moeder, maar die is niet geïnteresseerd. En mijn broer ook niet. Ik voel me nog beroerder. Ik snap niet wat er met me is.

Vakantie, niks aan!

donderdag 23 juni 2011

Proefwerk

Als we de klas binnen komen zit Middelink al op zijn verhoging. Zijn dampende sigaar als fallus van zijn autoriteit. We hebben geschiedenis. Terwijl wij onze plaatsen opzoeken slist hij:
- "Zo kindertjes, heeft mamma jullie weer laten gaan"?
Zijn spraakgebrek is onderdeel van zijn overwicht, iets waar weinig andere leraren hem in kunnen volgen.
"- Pak je boek!", roept hij als we bijna allemaal zitten.

Onzekerheid alom. Een enkele leerling steekt een vinger op, een andere zoekt een boek. Dan roept er één door de klas:
- "Maar meneer, we hadden vandaag toch een proefwerk?"
- "Is dat zo?", riposteert hij, niet in het minst uit het veld geslagen.
- "Pak dan je proefwerkblok maar".
Achter mij moppert een klasgenoot tegen de verklikker: "Hou toch je mond man".
Maar die zucht: "Anders moet ik het volgende week weer leren".
Meer tijd is er niet, omdat de eerste vraag al door de klas schalt:
-"Hoe heette de gezant van de keizer Wilhelm de tweede, die de eerste wereldoorlog aankondigde?"
-"Schrijf alleen het antwoord op".
Ik weet het antwoord: Benedetti.
"Werd thuis altijd Detti met de benen genoemd, omdat hij zo hard kon rennen", was in de les het bijbehorende grapje met ezelsbrug-eigenschappen geweest.

Als hij na 20 vragen kort pauzeert, vraagt een Joke de Jong, die nooit één van de snelste is,
- "Meneer, wat was vraag 12?"
Enigszins verstoord kijkt hij op.
-"Dacht je dat ik dat nog weet, sloom wicht", slist hij, onder hilarisch gelach.
Dan volgt vraag 21.

Als er 30 vragen zijn geweest, mag ik de proefwerken innemen en naar hem toe brengen. Zelf steekt Middelink een nieuwe sigaar op. Dan legt hij vier proefwerken naast elkaar op z'n bureau. Het antwoord dat het meeste voor komt stelt hij vast als het goede. Twee fouten een punt.
"Je kunt zelf je cijfer uitrekenen".
Een voor één mogen we ons cijfer zeggen dat hij in de agenda noteert. Niemand komt op het idee een ander cijfer te noemen dan hij daadwerkelijk heeft verdient.

Dan zoeken we de gang op, een ervaring rijker.
Wie zegt daar dat het onderwijs slechter is geworden?

vrijdag 3 juni 2011

Bejaardenstress

Hemelvaartsdag. Voor mij als zelfbenoemde heiden, een dag om te omarmen met mixed feelings. Iedere vrije dag is welkom, wat de reden ook is. Maar erg principieel klinkt dat niet. Ik zou toch eigenlijk op de barricaden moeten klimmen om het bestaan van God te bestrijden, en hemelvaartsdag af te schaffen als logische 'collateral damage'.  Toch één van de mooiste begrippen die er bestaat. Onontkoombare nevenschade?
Of is dat op de barricaden klimmen een overblijfsel van mijn zendingsgenen? Brrrr. Dan maar geen godsbestrijding met als bijkomend voordeel een vrije dag. Ik ga dus fietsen. Tussen Dalfsen en Ommen is een nieuw fietspad. Mooi weer om dat eens te verkennen.

Aangekomen in Ommen bij 'Jip' hoor ik enkele bejaarden aan een neventafel klagen over de drukte. Ik denk er het mijne van en laat het zo. De rosé smaakt prima. Langs dezelfde weg terug. Niet erg mijn ding, maar langs een nieuw pad, wil ik wel van mijn principes afwijken. Het was toch een 'non-principiële dag'.
Aangekomen op het terras bij de Klomp in Vilsteren laat ik mij opnieuw de rosé smaken.
Op het parkeerterrein hoor ik een groepje bejaarden klagen over de drukte. "Een keer is toeval, twee keer is opvallend, drie keer een patroon". Ik wil nog enkele bij mij borrelende gedachten over de bejaarden uitstorten, maar weet mij in te houden. Bejaarden moet je niet tarten, daar komen er steeds meer van. Sterker nog, ik kom er aan!
Door de prachtige dreven langs Mooi-rivier eindigen we op een laatste terras. Naast ons twee grijze duizen. Het duurt maar even, dan klaagt zij:
- "Wat is het druk vandaag".
Hij bromt.

Het mooie weer, de lekkere Rose, het fraaie uitzicht, niets schijnt hen te kunnen raken. Het is druk vandaag.
Wij bejaarden zijn gewend op onze electrische fietsen helemaal alleen zonder anderen het landschap te bezitten. Anders zeuren wij jullie wel van het terras af. Want zeuren is ons sterke punt. Oplossingen bedenken niet, zoals thuis blijven bijvoorbeeld.

"Was dan thuis gebleven", zeg ik ... bijna.
Maar ik doe het niet.

zaterdag 30 april 2011

Kaal

Tijdens mijn studie psychologie was één van de verplichte vakken 'Genetica'. Erfelijkheidsleer.  Eens per week werden wij daarin onderwezen door Professor Anders, een Zwitser met een onvoorstelbaar didactisch talent. Zijn dageljks werk bestond uit het doen van hoogwaardig onderzoek naar de invulling van de erfeljike eigenschappen op de genen. Vanuit zijn, in onze ogen, onmetelijke wijsheid daalde hij af naar de Boteringestraat, om ons de wetten van Mendel uit te leggen. Die veel te moeilijk waren voor de meeste psychologiestudenten.

Gelukkig had ik destijds een vriendinnetje dat biologie studeerde. Ze deed proefjes met fruitvliegjes. De 'Drosophila melanogaster', zoals zij niet naliet mij dagelijks te vertellen. Haar studie bestond uit het tellen van dergeljke vliegjes en het vaststellen van de erfelijke kenmerken. Met name oogkleur.
Ik weet er niet veel meer van:  XX en XY chromozomen bij mannen en vrouwen,  dominant en recessief, kruislingse overerving. Het zijn termen die zijn blijven hangen, zonder veel betekenis. Rood haar en kleurenblindheid, daar waren bijzondere dingen mee. Al mijn genetica-herinneringen in drie blogregels. Nooit doe je iets met dergelijk kennis, opgeslagen op de hooizolder van het weten.

Tot vandaag. Omdat ik naar de kapper moest (het groeit ook in werktijd), was ik veroordeeld tot een praatje met de kapster. Een ware uitdaging voor mij, iedere keer weer. Je kunt weliswaar vragen naar een bepaalde kapster bij het maken van de afspraak, maar ik ben elke volgende keer vergeten door wie ik ben geknipt. En ook of die beviel trouwens. Ik herken de kapsters ook niet bij terugkeer. Of op straat. Meerdere malen heb ik al als gespreksopening gevraagd:
- "Ben je nieuw hier?"
Maar steeds blijkt dat de betreffende kapster er al jaren werkt. Een pijnlijk element in het vaststellen van mijn sociale vaardigheden in terloopse contacten.

Ook dit keer heb ik een onbekend gezicht achter me. Al snel weet ik dat ze getrouwd is, 28 jaar (net als haar man) en dat ze van Marco Borsato houdt. Zonder één vraag te stellen.
Ergens tijdens het gesprek krijgen we het over haar. Mijn haar wel te verstaan. Zij constateert dat ik nog niet kaal word. Ik vertel dat mijn vader al op zijn 23-ste kaal was. Dat ik heb gehoord deze week, dat dat niets te maken heeft met mijn wel- of niet kaal zijn, omdat kaalheid niet in de mannelijke lijn over erft. Als je je kans op kaalheid wilt inschatten, moet je kijken naar opa van moeders kant. Zij blijkt dat ook te weten, of eens eerder te hebben gehoord! We hebben een band!

We vullen de rest van de tijd met het bedenken van een gesprek zoals zij dat de komende weken met kale mannen kan hebben.
Klant: Mijn vader was al vroeg kaal.
Kapster: Dat doet er niets toe.
Klant: Hoezo niet?
Kapster: Kaalheid komt via uw moeder.
Klant: Die was helemaal niet kaal!

Ook bedenken we een onderzoek. Ze kan de vrouwenoverervingshypothese testen, en turven. Ze kan publiceren in het tijdschrift voor kapsters. Al blijkt dat tijdschrift niet te gaan over dit soort kwesties, volgens haar (de kapster) tenminste.

Ik heb niet verteld, dat kaalheid dezelfde lijn volgt als homosexualiteit. Misschien wel op hetzelfde gen. Professor Anders zou dat weten. Maar die is er niet meer.

Ik ben keurig geknipt. Bij het weggaan zie ik op mijn vaste klantenkaart dat het 17 weken geleden is dat ik voor het laatst was geweest. Hoe vast kan een klant zijn. Haar naam weet ik niet. Volgende keer zal ze weer als nieuw zijn.

zaterdag 23 april 2011

Pasen

Het is pasen. Het meest dogmatische Christelijke feest dat er bestaat. Jezus, die is gestorven voor onze zonden. Brrrr.Oorspronkelijk zat het zo (Wikipedia):  Op de Grote Verzoendag moest de hogepriester een ram als brandoffer en twee geitenbokken nemen. De ram was ter heiliging van de priester zelf. De ene bok is bestemd als offer voor God. Op de kop van het andere dier legt de priester zijn handen en belaadt het zo met de zonden van het volk. Daarna wordt de zondebok losgelaten en de woestijn in gestuurd. Onschuldig vermaak. Symbolische ethiek, al was de Joodse parij voor de dieren er waarschijnlijk maar half (of voor eenderde) tevreden mee.  Eén van de Joden heeft dit verhaal ook als geloofsvariant neergeschreven.

Jezus heeft misschien echt bestaan. Tenminste dat zou goed kunnen. Het boek van Paul Verhoeven over Jezus van Nazareth is zowel lezenswaardig als aannemenlijk. Jezus trok door Palestina als prediker. En was een luis in de pels van de Romeinen. Maar de hele rechtzaak tegen Jezus is erg onwaarschijnlijk. Maarten 't Hart heeft onderzoek gedaan naar de Romeinse wetten en overtuigend aangetoond dat de in de Bijbel beschreven rechtsgang wel erg ongeloofwaardig is. Zo deden de Romeinen dat absoluut niet! Ondenkbaar! Ook Professor Kuitert komt in zijn boek over Jezus tot soortgelijke conclusies. En Paul Verhoeven.

Jezus geloofde zelf in God. Jezus is waarschijnlijk wel gekruisigd. En hij was bang, doodsbang. Hij wilde vluchten. Maar werd toch gevangen genomen. Verraden, maar niet met een Judaskus.

Als kind ging ik elke zondag naar de kerk. Meestal twee keer, 's morgens en 's middags. Vaak wilde ik niet, maar met pasen wel. Want de psalmen en gezangen met pasen waren fantastisch!  Mijn vader wist wat we 's middags gingen zingen, want die speelde op het orgel. En ik wou mee!
O hoofd vol bloed en wonden!
Wat een melodie, wat een gedragen gezang. Wat een feest! Ik zong tot ik niet meer kon. Ik hoopte op veel coupletten. Mijn vader zette alle registers open.

Pasen bewijst dat God niet bestaat. Mensen hebben prachtige muziek gemaakt. Als God bestond zou hij dat toegeven. En z'n waardering laten blijken. Mensen huilen bij het lijdensverhaal en de lijdensmuziek. Voor Jezus. Voor Maria, de moeder die haar zoon, geboren uit een verkrachting, nu door geweld weer verliest. Mensen vergeten al zingend de tijd en beleven hun zijn in die muziek.

Jezus geloofde in God. Hij heeft de muziek nooit gehoord Jammer genoeg. Hij zou trots zijn op de mensen.
Ik was de eerste die mijn gebed van DC Lewis kocht en begreep. Ik heb een hekel aan God. Maar de paasmuziek is onovertroffen.

donderdag 7 april 2011

Koekoek

Op ongeveer 2 kilometer van ons huis ligt een stukje weiland. Tussen de bossen van Terwispel en Beetsterzwaag. Mijn vader (heit) mag het gratis gebruiken om hooi van te maken. Iedere baal voer is meegenomen, voor de zes koeien die wij hebben. De kwaliteit van het gras is zo slecht, dat je beter van stro kunt spreken. En de voedingswaarde is klein. De melkproductie waarschijnlijk laag. De inkomsten krap. Maar we hebben zelf bijna geen hooiland. En de eigenaar is blij dat hij iemand heeft die dit wil maaien.

We gaan op de fiets. Mijn broer achterop, ik op mijn doortrapfiets. Het lijkt ver. Mijn vader heeft de zeis aan de stang gebonden. Als we er zijn, begint hij met het slijpen van de zeis. Hij heeft een stok met aan beide kanten een ruwe substantie, waarmee hij ritmisch beide kanten van de zeis bestrijkt. Voor-achter, Voor-achter, Voor-achter. Eindeloos. Achteloos. Nooit gaat het fout. Ik wil dat ook leren, maar het is moeilijk.

Dan begint hij te maaien. Wij mogen in het bos spelen. Samen gaan we een bospad op, hand in hand. Het is spannend. Het is avontuur. Het is warm. Het is de wijde wereld. Het is de boze wereld. Iemand roept plotseling zo hard, dat we stijf staan van de schrik. Nog een keer: Koekoek, Koekoek. Keihard. Zonder waarschuwing.

Struikelend over onze beentjes rennen we terug, naar de veilige beschutting van de ouderlijke macht. Bij de broekspijp, naast de zeis.
- Dat is alleen maar een Koekoek, die doet niets.
We zijn in paniek.
- Wat is dat, een Koekoek?
- Dat is een heel klein vogeltje.
- Hij schreeuwt wel heel hard.
- Toch is hij klein.
- Wij zijn bang.
- Hij is banger voor jullie, dan jullie voor hem.

We zijn niet overtuigd. We blijven uit de buurt van het bos. Als het etenstijd is, en heit de boterhammen uit de fietstas haalt, zitten we samen in het gras.
- Ik zal jullie een eindje brengen.
Maar we gaan niet. Nooit. Een Koekoek, daar hebben wij niets mee.

Als we drie dagen later boven op de hooiwagen zitten, horen we hem weer. Boven de paardenhoeven en het kraken van de houten wielen uit. We duiken in het harde gras. Onder de bindstok. Dan kan de Koekoek ons niet zien.

Iemand die zo hard schreeuwt kan nooit ongevaarlijk zijn.

woensdag 30 maart 2011

Vissen

Ik heb vroeger gevist. Samen met mijn broer. In de vakantie. We verveelden ons.
- "Ga toch vissen", zei mijn moeder dan, en dan gingen we. Verderop in de weg was een bruggetje. Net voorbij dat bruggetje kon je langs het talud naar beneden lopen en aan de vaart gaan zitten. Er zat verder nooit iemand. Het was een saaie plaats. Op een saaie dag. Maar het regende niet. Want als het regende gingen we niet.

Vissen was armoe. Geen vakantie. Verveling. Een tak uit een wilg, een stuk touw, een kromme spijker. Zo ving je nooit wat. Later werd dat beter. Hoewel we arm waren thuis, kregen we gemakkelijk een nieuwe hengel. Eerst van een wilgenstok, later een echte bamboe. En een vissnoer met een dobber. Als we die zelf gingen halen tenminste, bij de klompenmaker in Terwispel.
-"Dan heb je wat te doen", zei mijn moeder. En zo was het.

Vissen doe je met maden. Ergens op of rond de boerderij was altijd wel een dooie vogel. Als je die onder een omgekeerde teil legt (achter in de schuur), dan zitten er al snel maden in. Die kun je in een potje doen. Dat vist gemakkelijker dan brood, dat je met water aan elkaar moet zien te rollen in een korrel, en aan je haakje moet pielen. Het valt al uit elkaar als je je hengeltje uit werpt. Maar je hebt niets in de gaten, want je moet niet meteen weer ophalen. En zo zit je aan het water doelloos te staren naar je dobber zonder aas aan het haakje.

We vingen stekelbaarjes, hele kleine. Heel soms een 'witvis'. Ik weet nog niet hoe die in werkeljkheid heetten. Alle gevangen vissen gingen mee naar huis. In een emmer. Met een bot mes zaagden we de kop er af en haalden we de ingewanden er uit. Achter op de gierkolk.
- "Zo leer je wat over vissen", zei mijn vader. En hij had gelijk.

Mijn moeder maakte ze klaar. Met vooral veel liefde. Heel soms was het niet alleen maar knapperig, maar zat er ook nog ergens een heel klein stukje vlees tussen de graten en de stekels.
-"Want de stekels kun je ook eten", zeiden mijn ouders. En dat deden we. Dat was dan rijkdom. Vis eten. Tijdens de vakantie.

Ik heb nu een collega, die vist. Hij vist met vliegen. Of vanuit een vliegtuig. Want hij heeft het over vliegvissen. Hij noemt het "de ultieme zenbeleving". Ik gun het hem. Ik heb met hem te doen. Ik kan inmiddels op vakantie.

woensdag 16 maart 2011

Meester Stikel

Ik ga naar school. We hebben geschiedenis. De meester kan prachtig vertellen. Met de aanwijsstok staat hij achter in de klas. Dan rent hij, tussen de rijen door, schreeuwend naar het bord. Met de punt doorboort hij de denkbeeldige poort van Den Briel. Zo deden wij dat in de tachtigjarige oorlog.

Ik moet naar school. Ik ben bang. Gisteren heeft meester Klaas Meindertsma geslagen en geschopt. Klaas had 'paard' met een t geschreven. Goed voor 'een draai om de oren'. Nou ja, meer een klap tegen z'n hoofd. En toen de meester heel boos aan Klaas vroeg om 'paard' eens langer te maken, zei Klaas 'paarten'. En toen kreeg hij een schop. Klaas vluchtte onder de banken door maar de meester bleef schoppen.

Ik ga naar school. We krijgen ons rapport. Ik heb een 10 voor aardrijkskunde. Voor het eerst van m'n leven snap ik dat er een verband is tussen m'n rapportcijfers en m'n werk in de klas. Ik had een 10 voor Noord-Holland en Drenthe en Zeeland.
- "Purmer, Schermer, Wormer, Beemster en Wieringermeerpolder", belangrijke droogleggingen in Noord-Holland. Het is onderdeel van de basiskennis van ieder kind. Zou het moeten zijn.
- "Tarwe, haver, gerst, pootaardappelen, eetaardappelen, suikerbieten, voederbieten, peulvruchten, vlas". Dat verbouwen ze in Zeeland.
- "Bij gemengd bedrijd staat de landbouw in dienst van de veeteelt". Tenminste in Drente.
Ik verdien een 10.

Ik ga naar school. We hebben tekenen. Ik haat tekenen. We moeten natekenen, een hooiwagen met perspectief. Ik kan het niet. Ik ben dom. Ik heb een 3. Ik verdien een 3.

Ik ben naar school geweest. We hebben een nieuwe jongen in de klas. Hij heet Jaap. Hij is heel dom, maar ook heel sterk. Toen de meester hem wilde slaan met de kaartstok, dezelfde als waarmee hij Den Briel heeft ingenomen, heeft Jaap de stok opgevangen en in twee stukken gebroken. En de meester heeft hem niet geschopt.

Het is donderdag. We staan bij de straat te wachten tot de meester komt. Hij is altijd laat op donderdag, want dan gaat hij naar de kapper. Kapper Betzema. Die ook mijn haar doet. Of beter niet doet. Meester heeft donderdags weer verse stekeltjes. 'Stikels', in het Fries. Daarom noemen we de meester ook 'Meester Stikel'. Op donderdag staan we bij de weg. Om de hoek bij de heg. We lokken hem en roepen:"Meester Stikel, meester Stikel!" Als hij er aan komt rennen we gauw weg.  Want hij mag het niet horen. Ik doe ook mee. Net als Klaas en Jaap. Het is hun stille wraak.

zondag 6 februari 2011

Dementeren

Ik dementeer. Dat is geen angst of irrationele overmatige bezorgdheid, maar een vaststaand feit. In mijn hoofd. Ik word er elke dag als ik ga werken aan herinnerd. Aan het eind van de dag: Als ik op weg naar huis bij de deur ben is het weer gelukt! Ik ben weer mijn jas vergeten. Een onontkoombare wandeling van tenminste 50 meter ligt in het verschiet. Vanaf de deur is het ongeveer 25 meter naar mijn werkplek. Naast mijn bureau staat een kapstok. Eenmaal daar aangekomen hang ik 's morgens mijn jas op. Op dat moment weet ik het al: als ik vanmiddag naar huis ga, zal ik mijn jas vergeten zijn, en bij de deur zal ik dan weer terug moeten.
Dat zorgt voor een lastige keuze: ik kan nu onmiddellijk terug lopen naar de deur om mijn jas daar op te hangen bij de kapstop die daar staat. Dan hoef ik vanmiddag niet terug, maar maak ik de wandeling nu alvast. En het is nu even ver als vanmiddag.
Maar als ik toegeef aan deze aandrang geef ik ook toe aan het feit dat het me vanmiddag niet zal lukken om vandaag de jas wel mee te nemen. Omdat mijn lijfspreuk is "The harmless effects of excessive optimism", hang ik dus de jas op in de hoop dat ik die vanmiddag niet zal vergeten. Maar dat gebeurt wel. Nog nooit heb ik aan mij jas gedacht, voordat ik bij de deur ben. En daarom weet ik het zeker. Net als mijn oma en mijn vader zal ook ik weg glijden in onwetendheid. Een enigszins angstaanjagende en tegelijkertijd geruststelllende gedachte.