Posts tonen met het label werk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label werk. Alle posts tonen

maandag 1 april 2013

Praktische Wijsheid

Pasen. Eindelijk tijd om wat te lezen. Maar er is zoveel, en ik heb lang nog niet alles uit. Ik ben tegelijk bezig in teveel boeken: de biografie van Conrad Busken Huet (op zich al meerdere blogs waard), 'de Nieuwsfabriek' van Rob Wijnberg (meteen lezen!), 'Conservatieve vooruitgang', van Baudet en Visser (iets voor jarenlang naast-het-bed-wijsheid) ,en toch vandaag begonnen in 'een inleiding op het leven en werk van Kierkegaard', door Geert Jan Blanken.

Gelukkig blijkt dat een goede keus. In de achterliggende week viel op mijn bureau het rapport 'Leraar zijn', van de onderwijsraad. Daarin wordt maar weer eens een lans gebroken voor de professionele ontwikkeling van de leraar als verbeterfactor in het onderwijs. Individuele en persoonlijke ontwikkeling dit keer. Geen '1000 dingen die u ook nog verkeerd doet'.
Vier factoren komen aan de orde. Eén van die factoren: het bieden van professionele ruimte aan leerkrachten. Dat betekent dat je iets mag vinden van wat je doet, en iets mag doen met wat je vindt. Niet blind en willoos de gesuggereerde innovaties van 'deskundigologen' uitvoeren, maar zelf nadenken en zoeken naar oplossingen.
De onderwijsraad komt tot het inzicht dat een leerkracht iedere dag tientallen ingrijpende beslissingen moet nemen in het omgaan met kinderen. En moet beslissen over het realiseren en vorm geven van leerdoelen en leer-activiteiten met de materialen die daarvoor zijn. Steeds weer bedenken wat de beste manier om iets over het voetlicht te brengen. Ze hebben er nu ook een naam voor: "Praktische wijsheid" .

Al lezend in Kierkegaard ontdek ik dat deze notie al veel langer bestaat. Kierkegaard onderscheidt in het omgaan met het leven drie elementen of stadia van beleven en overdenken. Niet als levensfasen, maar als momenten in het omgaan met het alledaagse. Het eerste is 'het onmiddellijke', de manier waarop iets binnen komt, het hier en nu, zowel in pezierige als onplezierige zin. Dan komt 'het reflectieve'. Het nadenken over wat er gebeurt of overkomt. In dat stadium is kennis onontbeerlijk. Als laatste fase kent hij 'het geloof', een buitengewoon vreemde term voor de ervaring dat je het begrijpt. Hij bedoelt eigenlijk de religieuze ervaring van de Aha- erlebnis, het echt begrijpen. Hij noemt het zelf: "de diepe innerlijke bewogenheid"of de onbeschrijfelijke ontroering van het hart". Johan Cruijff zou zeggen: "je gaat het pas zien als je het door hebt"  of een deskundigoloog noemt het 'diepteleren'.

Wijsheid is ook een term. Jammer dat Kierkegaard een wat verwarrende verstrengeling met het belastende begrippenkader van religie maakt. Jammer dat de onderwijsraad niet wat meer Kierkegaard leest.

woensdag 5 oktober 2011

We hadden het goed voor elkaar.

Als zij in haar glimmende pakje binnen komt, glinsteren zijn ogen. Ze weet hoe hij zal reageren, maar verheugt zich er toch op. Ze zoenen, drie keer, zoals het hoort. Hartelijk. Zonder gene. Hij zegt nog niets. Hij wacht tot ik hen zie om dan pas te zeggen:
-"Wat ziet ze er weer mooi uit hé?
Tegen mij, maar voor haar bedoeld. Zodat we op elkaar worden betrokken.
Haar pirouette is het teken dat ze zich het compliment laat welgevallen, al is zijn daverende lach een onbestendig teken van voor mij onpeilbare sentimenten. Ze zoent ook mij. En ik haar. Onze harten huilen, nu al.

De beginminuten zijn erotisch. In wankel evenwicht. Ieder moment kan het omslaan, kan hij de touch verliezen, maar nu nog niet, even niet. Hij prijst haar schoenen, haar jas en haar blosjes. Hij zoekt de rand, als regisseur Pierre Audi met olifant en Woelmuis in de operaversie van 'de genezing van de krekel'. Hij is als woelmuis die rond woelt in het kruis van de olifant. Ik voel me Toon Tellegen gedwongen tot het schrijven van een verhaal over het swaffelen van eekhoorn. We zijn in ons eigen agapè-restaurant. Alain (de Botton) zou trots op ons zijn.
We zoeken een plekje. Hij neemt als vanzelfsprekend het voortouw. Z'n charme leidt tot lachende gezichten, z'n sturing tot vanzelfsprekend volgen. We klinken. We drinken. We zijn herenigd. Ik bewonder zijn flair, zijn vanzelfsprekende kracht en zelfvertrouwen. Ik ben blij dat hij de meeste ruimte in neemt.

Ooit waren wij hecht. Deelden lief en leed. Ondersteunden en oordeelden. Loodsen op hetzelfde schip, ieder met een eigen taak. Ezels met een eigen last. Drie musketiers in een wereld vol ego en eigendunk. Complementair en vol zelfvertrouwen. Managers, die graag als leiders te boek stonden. Want wie wil er nu manager worden genoemd? We waren net vijftig, in de nadagen van onze ambitie, overtuigd van de zegenrijke effecten van onze aanwezigheid. In evenwicht, verder dan de anderen.
Ik was van de inhoud, van het vakmanschap, het enthousiasme. Ik kon leerkrachten opzwepen tot gepassioneerd geloven in eigen kunnen, heen en weer springend tussen theorie en praktijk, tussen zweverig en praktisch, tussen filosofie en het echte leven.
Hij was van de commercie, van de klanten, het netwerk, het geld. Hij leerde ons dat je niet bang moet zijn om geld te vragen, om contacten te 'gebruiken', om geld en inhoud te verbinden. Hij kende 'de markt'.
En zij? Zij verbond ons. Zij liet ons zien dat niet iedereen dacht als wij, dat leren tijd nodig heeft, dat je moet voorleven ipv overtuigen. Cirkel van invloed en cirkel van betrokkenheid.
Maar bovenal leerde ze ons oog voor schoonheid, want ze was elke dag als nieuw.

Als enige overleefde zij de schifting. Charme en een voorzichtige stijl van communiceren leveren nu eenmaal altijd meer op dan confrontatie en botheid, meer onze sterke kanten. Tekenen van toenemende machteloosheid. Van gelijk hebben, maar niet krijgen, van domheid vermomd als intellectueel handelen.
Al waren we inhoudelijk succesvol. Al waren we populair bij onze mensen. Al hadden we de afdeling op orde. Al dachten we dat we 'het goed voor elkaar hadden', zoals hij niet naliet doorlopend te zeggen. Het bleken in de ogen van de machthebbers allemaal bewijzen van ons disfunctioneren, zoals zij uiteindelijk vond dat ze moest toegeven. Al was het maar voor even. Het is haar brandmerk in de nieuwe slavernij. Maar ze heeft het beter gedaan dan wij.

Het enige wat mij rest is een cadeautje voor hem te kopen. Ook namens haar, namens 'ons' dus.  Nu hij niet meer leiding geeft aan anderen is hij begonnen met het managen van de lastigste persoon op aarde: zichzelf. Al geldt dat volgens Ben Tiggelaar voor iedereen. Op basis van 'de gerecyclede indrukken uit mijn verzameling' (Guus Kuijer) zal ik een titel kiezen, die hem voor altijd aan ons zal binden en herinneren.
De 'Utopie van de Vrije markt' van Achterhuis is een mooi beginnetje. Hij als ondernemer, wij als loonslaven.  Of  'Je moet je leven veranderen' van Sloterdijk, meer een tip van hem aan ons, dan andersom, maar dat hoeft hij niet te weten. Ik leg het terug. Joke Hermsen die aanspoort de tijd te nemen dan? Of 'De Boodschapper' van Kader Abdollah? Net op tijd realiseer ik me dat dat meer een boek is voor mezelf. Een waarschuwing na een treurige mislukking als strijder voor belegen idealen. 
Uiteindelijk kies ik voor "Pleidooi voor treuzelen", van Peter Delpeut.
Hij buldert.

Als we afscheid nemen, vol twijfel en met beloften elkaar te blijven zien, ook al weten we dat we liegen, zegt hij het nog één keer ons mantra, onze verbindingszin:
- "En toch hadden we het goed voor elkaar".
Dan verdwijnt hij in het donker, ons de ruimte latend, maar met onze markt achter zich aan.

maandag 3 oktober 2011

Wervingsprocedure

Als ik binnen kom zit hij al op het bankje. Rechts van de draaideur. Je zit daar een beetje 'te kijk', net als op ieder ander bankje of ontvangstzitje bij ieder ander bedrijf.  Alle passanten kunnen je zien en weten: hij komt op bezoek. En soms, als het zo'n dag is: hij komt solliciteren. Vandaag is zo'n dag. Rondstruinende belangrijk doende adviseurs gluren naar hun potentiële nieuwe baas. Want daar is het vandaag voor, voor een manager.
Niemand wil manager genoemd worden. Een manager is een nitwit, een niet-kunner, een omhoog gevallen ijdeltuit, die Peters' principle belichaamt: je stijgt net zo lang tot je een baan krijgt, die je niet aan kunt. Daar blijf je hangen. Iedereen wil graag belangrijk zijn. Baasje, zeker de man'lijke 40-plusser. Even tenminste. Tot hij 50 is. Maar niemand wil manager heten.

Als de sollicitant is opgehaald, komen de secretaresses tevoorschijn.
- "Lekker ding"
- "Mooi pak"
- "Die nemen ze nooit, veel te goed".
- "Zag je die blik, hij kleedde je uit".

Het oordeel is al geveld. Je hoeft eigenlijk niet met sollicitanten te praten. Zet een sollicitant een kwartier op het bankje, en de staf vertelt je wie je gaat nemen. Het spaart geld. Het creëert saamhorigheid.

De staf heeft uiteindelijk altijd gelijk.

zondag 6 februari 2011

Dementeren

Ik dementeer. Dat is geen angst of irrationele overmatige bezorgdheid, maar een vaststaand feit. In mijn hoofd. Ik word er elke dag als ik ga werken aan herinnerd. Aan het eind van de dag: Als ik op weg naar huis bij de deur ben is het weer gelukt! Ik ben weer mijn jas vergeten. Een onontkoombare wandeling van tenminste 50 meter ligt in het verschiet. Vanaf de deur is het ongeveer 25 meter naar mijn werkplek. Naast mijn bureau staat een kapstok. Eenmaal daar aangekomen hang ik 's morgens mijn jas op. Op dat moment weet ik het al: als ik vanmiddag naar huis ga, zal ik mijn jas vergeten zijn, en bij de deur zal ik dan weer terug moeten.
Dat zorgt voor een lastige keuze: ik kan nu onmiddellijk terug lopen naar de deur om mijn jas daar op te hangen bij de kapstop die daar staat. Dan hoef ik vanmiddag niet terug, maar maak ik de wandeling nu alvast. En het is nu even ver als vanmiddag.
Maar als ik toegeef aan deze aandrang geef ik ook toe aan het feit dat het me vanmiddag niet zal lukken om vandaag de jas wel mee te nemen. Omdat mijn lijfspreuk is "The harmless effects of excessive optimism", hang ik dus de jas op in de hoop dat ik die vanmiddag niet zal vergeten. Maar dat gebeurt wel. Nog nooit heb ik aan mij jas gedacht, voordat ik bij de deur ben. En daarom weet ik het zeker. Net als mijn oma en mijn vader zal ook ik weg glijden in onwetendheid. Een enigszins angstaanjagende en tegelijkertijd geruststelllende gedachte.

donderdag 27 januari 2011

Rijke leeromgeving

Als ik thuis kom staat mijn vader al te wachten.
- Er moet een koe kalven en ik moet melken, kun jij de veearts helpen?
- De veearts?
- Ja, het wordt een keizersnee.
Ik heb nog nooit een keizersnee gezien. In mijn overal, loop ik naar de veearts, die de koe al aan het scheren is.
- De verdoving is al ingespoten, zegt de veearts. Verder is hij niet erg spraakzaam. En ik ook niet: Friese boeren onder elkaar.

Het valt mij op dat de koe gewoon blijft staan. Eigenlijk verwacht ik dat hij zo meteen neer zal storten, maar dat gebeurt niet. En de veearts lijkt zich daar over geen zorgen te maken, dus ik vraag het ook maar niet.
Als de veearts het mes tevoorschijn haalt, verwacht ik veel bloed, maar ook dat blijkt een foute inschatting. Laagje voor laagje snijdt de veearts door de koe, tot er twee poten van een kalf zichtbaar worden.
- Pak die maar beet.

Na nog twee sneden graaft de veearts ergens naast mijn handen naar de andere pootjes.
-Voorzichtig tillen.
Ik vind het zwaar, maar zeg niets. Want ik ben al 11 jaar en dus ijzersterk. Toch?
Er komt heel veel water mee. Het gutst in mijn laarzen. Ik haat natte voeten.

We leggen het kalf bij de kop van de moeder, die nog steeds onbeweeglijk stil staat.
Ze begint haar spruit te likken. De veearts begint aan het hechtwerk.
- De nageboorte zal de natuurlijke weg volgen, zegt hij nog.
Ik weet niets van de natuurlijke weg. Jaren later realiseer ik me dat dit een vorm van sexuele voorlichting was, maar op dat moment heb ik niets in de gaten. Misschien dat een gerichte kijkopdracht of wat achtergrondinformatie me zou hebben geholpen.

Drieënveertig jaar later gebruik ik dit voorbeeld in een lezing voor 200 onderwijzers. Als voorbeeld van een rijke leeromgeving. Een sneltekenaar, die is ingehuurd vereeuwigt het tafereel.

Soms duurt het even voor je je jeugd kunt waarderen.

















Illustratie : Suus van den Akker

woensdag 15 december 2010

Montaigne aan het werk

De filosoof Michel de Montaigne leefde van 1533 tot 1592. Ik hoorde voor het eerst van hem toen ik deze zomer een licht leeswerkje had meegenomen op vakantie, als troost in een periode waarin ik me, werkgerelateerd, verre van optimaal voelde. Montaigne verscheen in "De troost van de filosofie", het genoemde lichte boekwerk van Alain de Botton, dat troost belooft voor impopulariteit, geldzorgen, frustratie, onmacht, liefdesverdriet, en andere niet bij name genoemde algemene moeilijkheden. Aangezien de mijne alleen in deze voorgaande opsomming al rijkelijk vertegenwoordigd waren, leek aanschaf ervan me, ondanks het tweede probleem, niet onverantwoord.

Montaigne is een wijs man, die je aan het denken zet. Zo gaat hij enorm te keer tegen mensen die schrijven over boeken van anderen. Ik ben klaar wakker! Toch is zijn eigen belangrijkste werk: 'Essays', een verzameling van zijn commentaren op uitspraken en teksten van anderen! Middenmoterroerselen heeft zo z'n basis in de filosofie gevonden!

Montaigne schrijft over zichzelf en zijn eigen ervaringen en gedachten, omdat in ieder leven interessante ideeën te vinden zijn. "Hoe bescheiden ons levensverhaal ook is, we kunnen er diepere inzichten uit putten dan uit welk oud boek dan ook".
Vanuit dat inzicht vertelt de Montaigne over z'n eigen leven en problemen. Hij is de eerste die schrijft over sexualiteit, z'n kleine penis, het verlies aan decorum tijdens de geslachtsdaad, de behoefte aan rust als hij op de WC zit, het belang van een regelmatige stoelgang.
Cabaretiers en schrijvers anno nu putten er nog steeds uit. Men leze bijv. het 'Dovemansorendieet' van Maarten 't Hart er nog maar eens op na.

Montaigne zegt ook belangwekkende dingen over onderwijs. Hij wenst een school, waar kinderen geen kennis wordt bijgebracht, maar wijsheid. Het examen zou gelardeerd moeten zij met vragen over liefde, sex, ziekte, dood, kinderen, geld en ambitie. De antwoorden zouden moeten getuigen van eigen inzichten en persoonlijke ontwikkeling.

Ik was Montaigne al weer bijna vergeten, toen ik vandaag het filosofiemagazine kocht. Negen pagina's zijn geweid aan de Montaigne! Als God knipoogt moet je wel omhoog kijken!
Morgen is er crisisberaad bij mijn werkgever. Enkele directeuren hebben wijze beslissingen genomen over de toekomst. Andere leidinggevenden praten ze na. Als buikspreekpoppen hun meester. Als filosofen de door hen gelezen boeken.

"Wij zijn het aan ons verplicht om goed te leven, om kalmte en rust te vinden bij de dingen die we doen. Een zinvol leven te leiden, als een meesterwerk waarop we troost kunnen zijn". Na afronding van de school van de Wijsheid, voeg ik er aan toe.

Ik hoop dat morgen blijkt dat de leidinggevenden tijd op die school hebben doorgebracht. Anders zit ik over enkele maanden zonder werk ben ik bang.

woensdag 7 juli 2010

Ont-moet-ing

Terwijl ik voor het klaterend urinoir sta, gaat achter mij met een WC deur open. Aan de geluiden te horen kost het de bewoner enige moeite. Maar als het gelukt is, maakt daarna iemand klakkende geluiden. Ik ben lang niet meer zo benaderd. Mijn homo-sexuele neigingen zijn blijkbaar dermate latent, dat mijn afwateringsproces niet merkbaar wordt verstoord. Dan sluit de deur zich weer.

Even later, terwijl ik mijn handen sta te wassen, gaat de deur opnieuw open. Op een kier, die voldoende zicht biedt op de toestand binnen. Uit de WC kijkt een klein jongetje mij aan. Hij heeft de broek nog op de knieën en samen met de odeur die mij langzaam bereikt is er weinig fantasie meer nodig voor het vaststellen van zijn bezigheden.

- "Bn J eie oen ebeestje"?
Uit de toon van zijn zinnetje kan ik opmaken dat hij een vraag stelt.
In mijn hoofd vormen zich enkele vragen die hij zou kunnen stellen, vragen, waarop ik me niet meteen verheug. En ik begin dus met:
- "Wat zeg je, Heb je iets nodig? "
- "Ben je ook op een feestje?", herhaalt het jongetje.
Ik vraag me af of de barbecue met collega's kan worden gecategoriseerd in de sectie 'feestjes', maar besluit het jongetje niet met deze overweging lastig te vallen.
- "Ja", zeg ik.
- "Ik ook"
Nieuwe mogelijkheden voor de verklaring van zijn gedrag bereiken mijn brein. Misschien denkt hij dat ik ook op zijn feestje ben. Als kind lijkt het me een hele toer al die volwassenen uit elkaar te houden. Ik zie me al in een onbekende groep mensen de vader zoeken van een jongetje, die wellicht hulp nodig heeft. Het zou natuurlijk ook een moeder kunnen zijn, maar in mij hoofd is het een vader, waarschijnlijk gezien mijn ervaringen.

Maar dan sluit de deur zich weer. Ik ga terug naar mijn 'feestje'. Blijkbaar is zijn nieuwsgierigheid bevredigd. Misschien ook denkt hij na over de te nemen vervolgstappen. Ik hoop dat ouders nog steeds hun kinderen enigszins monitoren, al noemden wij dat vroeger anders.

Anders zit hij er nu nog.

vrijdag 18 juni 2010

Draagbare opbergruimte

In de gang staat op de kast een blauwe doos: 'Tedi-Math'. Hij lijkt me van één van onze orthopedagogen, die wellicht een kind heeft gepest met deze wiskundekoffer.

Het is 1983. Bij mijn nieuwe baan in Venlo hoort een nieuwe bankrekening. De Postbank heeft een aanbieding: Bij een nieuwe rekening krijg je een draagbare opbergruimte kado! Ik ben meteen geïnteresseerd. Een draagbare opbergruimte, die heb ik nog niet!
Ik open een rekening en enkele dagen later valt er in mijn bus een ccertificaat. Met dit certificaat kan ik op het plaatselijke Venlose postkantoor mijn draagbare opbergruimte op gaan halen. Vol verwachting klopt mijn hart.
De (toen nog) ambtenaar achter het loket kijkt een beetje stuurs. Er is geen enkele andere klant en hij verwacht blijkbaar geen storing tijdens het werk. Ik toon hem mijn certificaat. Ten overvloede voeg ik er aan toe:
- "Ik kom mijn draagbare opbergruimte halen".
- "Wablief?"
Ik ben nog niet aan het Venlo's gewend. Maar ik begrijp dat hij wil dat ik mijn vraag herhaal.
- "Ik kom mijn draagbare opbergruimte halen".
- "En wat mag dat dan wel wezen?"
Wie werkt er hier nu bij het postkantoor?
"Ik ben net zo benieuwd als u".

De man bestudeert lang en nauwgezet mijn certificaat. Daarin staat nadrukkelijk vermeld dat ik op het postkantoor moet zijn voor mijn zo fel begeerde kleinood.
Zuchtend verlaat hij z'n confortabele zitplaats om deze lastige klant ter wille te zijn. Het logo op de brief laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Ik ben niet verkeerd. Twee collega's helpen bij de zoektocht.

En nu bestaan ze nog steeds. De hard plastieken opbergruimtes.
Er past net een klein pakketje A4-tjes in.

Naast een dierbare herinnering.

maandag 17 mei 2010

Maandagmorgen

Ik blijf wat langer thuis deze morgen, om de file te mijden. Een uurtje thuis werken. Al om half negen gaat de telefoon. Een druk bezette collega heeft kans gezien haar voet (niet been!) te breken bij het afstappen van een stoepje in Amman. Ik wist niet eens dat ze stoepjes hadden in Amman. Wat doet een mens trouwens in Amman? Of ik vervanging kan regelen. Nog geen vijf minuten later, laat een andere collega weten dat ze een opdracht die ze zou overnemen, toch door mij moet worden uitgevoerd. Ze kan zich niet vrij maken. Ik baal. Het is 08.45.

Als ik in de auto stap regent het. Om de file echt te vermijden besluit ik grotendeels binnendoor te rijden. Op het fietspad naast de weg zie ik twee oudere echtparen, die hebben besloten dat maandagmorgen om 08.45, bij een beetje regen, het ideale tijdstip is om eens een lekker fietstocht te maken. Ik heb een hekel aan deze lijn van denken. Deze vorm van irriteren, óf door te laten zien hoe dom je bent, óf hoe raar je denkt, óf ook door expliciet en doelgericht anderen op deze manier de ogen uit te steken, zou verboden moeten worden.

Halverwege mijn autoritje begint de zon te schijnen. Ik haal drie joggers in, die onafhankelijk van elkaar hebben besloten dat maandagmorgen om 09.00 de ideale tijd is om je kilometers te maken. Op de één of andere manier kan ik dat beter hebben dan bejaarde fietsers. Maar als ik me betrap op die gedachte heb ik wel meteen een hekel aan mezelf. Ik ben een nare man.
Dan moet ik remmen, want er staat een opnverklaarbare file op mijn weggetje binnendoor. Sluipverkeer, bah! Het is 09.15.

Mijn dochter belt. Ze is geslaagd voor haar rij-examen. Meteen de eerste keer. Vanmorgen om 09.15, het perfecte tijdstip voor een rij-examen. Het is 10.15 uur

Ik hou van haar. Vooral op maandag! Door haar kan ik er deze week weer tegen!

zaterdag 8 mei 2010

Tussenspel

Al niet bloggend gebeurt er natuurlijk niets.
Of gebeurt er niets blogwaardigs
Of gebeurt er zoveel dat je niet weet wat te bloggen.
Of gebeurt er zoveel dat je geen tijd hebt om te blogggen.
Of ben je slachtoffer van je eigen opdracht dat het wel 'leuk'moet zijn.
Of dat het licht moet zijn.
Of dat het een boodschap moet hebben.

En uiteindelijk kom je tot niets
Of tot het eindelijk lezen van ' de gelukkige klas', van Theo Thijssen
Of jeugdherinneringen van J.J. Voskuil,
Of de biografie van Spinoza van Stephen Nadler,
Of je haalt eindelijk de CD van 'Harmonielehre' van John Adams op, die je had bestelt,
Of je luistert nog eens naar de orgelconcerten van Vivaldi.

Of je doet alles tegelijk en reist en weekje naar Portugal.
En denkt na over ander werk,
en bekijkt Porto en Lissabon,
dwaalt door het prachtige klooster van Tomar,
of de kathedraal van Caldas de Rainha.

Je doet niets,
En er gebeurt niets
je doet alleen indrukken op.
Voor het naspel.

donderdag 15 april 2010

Secretaressedag

Voor Nanneke en Marja:

Ik heb één jaar kleuterschool. Dat klinkt misschien niet heel erudiet, maar is op zich niet heel slecht. Ik stam uit 1957, en zelfs het geheel ontbreken van een kleuterschooldiploma op je CV is voor dat bouwjaar acceptabel. We speelden destijds vaak buiten. Dat is de ruimte aan de andere kant van de muur. Op de boerderij, bij een slootje. Of op het land, of we gingen hutten bouwen, zelfs voetballen in het weiland met jassen als doelpalen. Van die ouderwetse dingen.

Op een dag was de juf heel nerveus. Het bleek dat we allemaal een moederdagwerkje moesten maken. En toen heb ik hem opgelopen, mijn jeugdtrauma: het maken en plakken van een mandje. Ik weet het nog precies:
- Je neemt een vouwblaadje en vouwt 16 vierkantjes.
- Daar maak je aan de zijkanten vier knipjes in.
- De zijkanten vouw je naar binnen en je plakt de hoekjes vast.
- Van een reep papier maak je een hengseltje, dat je weer aan het mandje vast plakt.
- In het mandje leg je je tekening: "Voor de liefste moeder van de wereld".

Als het werkje klaar is, zit ik van vingers tot in mijn haar onder de lijm. Het gele doosje (ik wist echt niet dat geel de kleur van de haat was, sorry mamma!) is drijfnat. Als je het mandje aan het hengseltje optilt, zakt het door de zwaarte langzaam van het hengseltje af.
-"misschien moet het eerst even drogen", probeert de juf opbeurend.
Een secretaresse was toen wel iets geweest, maar ik kende het begrip nog niet.

In mijn boekenkast op de onderste plank, staat een boekje van Jeanne van den Brouck, psycho-analiste te Parijs. Het heet: "Handleiding voor kinderen met moeilijke ouders". Ik citeer:

"Wij kunnen wel zeggen dat de ouder een nogal gunstige voorstelling heeft van zichzelf. Vaders zijn machtig en hebben een beschermende taak. Moeders hebben alles voor hun kinderen over en hebben een onuitputtelijke voorraad liefde. Twee dagen van het jaar zijn helemaal gewijd aan deze zelfverheerlijking: moederdag en vaderdag. Op deze dagen worden kinderen geacht allerlei cadeaus en attenties aan de ouder aan te bieden. Als zij niet veel zin hebben om vrijwillig aan deze verplichtingen te voldoen, worden er grote mensen aangewezen die hen hierin moeten raden en leiden".

Nu waarschuwen jullie ons als het moederdag is. Mijn moeder is 78.

En één dag per jaar herinneren jullie ons aan jullie dag van de zelfverheerlijking: Vandaag is het weer zover. Gelukkig maar!

Herman, kamergenoot en partner in crime, en ik, kunnen jullie nooit meer missen.

dinsdag 26 januari 2010

Afscheid

Hij is weg. De collega die ik erg waardeerde. Wat moet ik nu? Wat moeten wij, de achterblijvers? Is feliciteren van de vertrekker echt de enige juiste en denkbare reactie? Mag een beetje woede, teleurstelling of afgunst ook? Of is zoveel egoïsme de kern van de rot in onze maatschappij?
We gunnen het hem van harte. We cijferen ons zelf weg. We zien de groei in zijn leven als een uitdaging voor ons zelf. Zo hoort het. Maar toch:
- Scheiden doet lijden
- Partir c'est mourir un peu
- Ik zoek je op, ik kom langs, we houden contact, we praten eens bij.
De cliche's rollen ons gemakkelijk van de tong. En dan komt het afscheid. Wat geef je een collega vertrekkende mee? Materieel, maar ook daar buiten?

Deze collega kon ik vooral waarderen, omdat we het samen, zonder gene, konden hebben over onze zwakke punten. Elkaar aanspreken op wat niet zo goed ging. Dat ging zo goed omdat we daaraan vooraf nooit te beroerd waren om een half uurtje eerst elkaars sterke punten nog even door door te nemen. Beetje zelfgenoegzaam. Met een glaasje wijn. Net zolang, tot de het zelfs voor ons zo ergerlijk werd, dat we er wel aan moesten geloven: "ik moet je nog wel even iets vertellen..........". Heerlijk. Eerlijk ook vooral.

Waar zijn collega's eigenlijk voor? Uit heel veel onderzoeken blijkt dat arbeidssatisfactie voor het grootste deel bestaat uit contacten met collega's. "Zonder klanten zou dit een fantastische baan zijn, zulke leuke collega's!"
Bij Douwe Egberts mocht ik een maand lang dekseltjes op potten Moccona leggen, naast twee collega's. Het werk was waardeloos, maar mijn collega's bezwoeren me dat er geen leuker werk bestond: zulke leuke collega's! En dat was dan weer goed voor mijn zelfvertrouwen. En voor de bestrijding van de cognitieve dissonantie natuurlijk!

En als ze weg gaan dan? Voelen ze zich nog een beetje schuldig, die leuke collega's? Of is hun drang naar iets nieuws, hun 'verder komen in het leven', 'een nieuwe uitdaging nodig hebben', 'geen goed gevoel meer hebben', of 'een lul van een baas', ten allen tijde een acceptabel excuus om maar weer te gaan? Is een afscheid nog een beetje een moment voor reflectie? Of zelfs dan niet?

Mijn collega gaat naar een christelijk schoolbestuur. Hij kan toch niet verwachten dat ik dat zomaar ongemerkt voorbij laat gaan? Hij weet toch ook dat Spinoza al in 1656 in de ban werd gedaan, omdat die zeker wist dat God alleen in filosofische zin bestaat? Hebben we 350 jaar zitten slapen? Hoezo verder komen? Ik was er, als Spinoza-reïncarnatie. Eng en onontkoombaar. Collegiaal en vol vriendschap.

In plaats van mooie praatjes over hoe goed hij was en hoe aardig.
Het was de laatste kans.

zaterdag 9 januari 2010

De arbeider en zijn werk

Werken,
Zweten
Uren maken.

Verantwoorden
Zweten,
Uren maken

Werken,
zweten,
fouten maken

Beoordeeld worden.

Binnen sluipen,
Overreden worden
Dood zijn.

zaterdag 19 december 2009

Werk en geluk

De zon schijnt stralend tussen de bomen door als ik het plein op kom bij de plaatselijke 'School met den Bijbel'. De man met wie ik een afspraak heb, zit op het muurtje bij de zandbak.
Hij draagt een korte broek. Aan zijn behaarde benen prijken wandelschoenen, die, anders dan z'n kleding, niet bij het seizoen of de lokatie lijken te passen.

- Zo, Karel, druk aan het werk?
- Ach, werk, werk, Albert, wat is werk? Werken is toch eigenlijk iets doen, wat je eigenlijk liever niet zou doen? Ik zit zondags wel eens in de kerk, dan ben ik erg aan het werk. En soms, als het tijd is om naar de kerk te gaan, ga ik even naar school. Dan hoef ik niet te werken".

Ik doe er, enigszins verbaasd over deze even snelle als onverwachte gedachte, het zwijgen toe en ga ook op de rand van de zandbak zitten. Ik vraag niet meer door. Tien minuten lang hoeven we niet te werken.

Het is bijna kerst. Ik ga niet meer naar de kerk. Ik denk aan Karel, en vraag me af of hij moet werken dezer dagen. Ik luister ondertussen naar Schuberts "Unvollendete". Er is nergens werk te bekennen.