Posts tonen met het label Onderwijs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Onderwijs. Alle posts tonen

donderdag 17 december 2015

Opbrengstbewust

Ik heb zin in een kroket. Hoewel ik in geen 10 jaar bij de FEBO ben geweest dwing ik mijzelf naar de gele lichtbakken die in de verte de weerspiegeling zijn van mijn mentale beeld van ongezelligheid.
Bij één van die bakken trekt een man in een pak al een kroket. Hij kom mij niet voor als een krokettist.  Het geeft mij moed.
Is-ie lekker? vraag ik
- "Dat interesseert me niks".
Ik zet mijn vraagtekens aan.
- "Ik controleer of er vlees in de kroket zit".

Hij spuugt zijn hapje in de prullenbak.
Mijn vraagtekens werken nog steeds
- "Ik kom hier iedere maand om te controleren of er voldoende vlees in de kroketten zit".


Als ik met mijn kroketje naar school loop denk ik na. Een inspecteur! Die is bij ons op school niet polulair. Ik vraag me af of de FEBO beheerder ook zo'n hekel heeft aan die man.
Zou hij zijn kroketten maken voor de inspecteur? Ik kan het mij niet voorstellen. In ieder geval maakt hij lekkere kroketten met veel vlees.

Stof tot nadenken: Ik ga trakteren op kroketten.

maandag 1 april 2013

Praktische Wijsheid

Pasen. Eindelijk tijd om wat te lezen. Maar er is zoveel, en ik heb lang nog niet alles uit. Ik ben tegelijk bezig in teveel boeken: de biografie van Conrad Busken Huet (op zich al meerdere blogs waard), 'de Nieuwsfabriek' van Rob Wijnberg (meteen lezen!), 'Conservatieve vooruitgang', van Baudet en Visser (iets voor jarenlang naast-het-bed-wijsheid) ,en toch vandaag begonnen in 'een inleiding op het leven en werk van Kierkegaard', door Geert Jan Blanken.

Gelukkig blijkt dat een goede keus. In de achterliggende week viel op mijn bureau het rapport 'Leraar zijn', van de onderwijsraad. Daarin wordt maar weer eens een lans gebroken voor de professionele ontwikkeling van de leraar als verbeterfactor in het onderwijs. Individuele en persoonlijke ontwikkeling dit keer. Geen '1000 dingen die u ook nog verkeerd doet'.
Vier factoren komen aan de orde. Eén van die factoren: het bieden van professionele ruimte aan leerkrachten. Dat betekent dat je iets mag vinden van wat je doet, en iets mag doen met wat je vindt. Niet blind en willoos de gesuggereerde innovaties van 'deskundigologen' uitvoeren, maar zelf nadenken en zoeken naar oplossingen.
De onderwijsraad komt tot het inzicht dat een leerkracht iedere dag tientallen ingrijpende beslissingen moet nemen in het omgaan met kinderen. En moet beslissen over het realiseren en vorm geven van leerdoelen en leer-activiteiten met de materialen die daarvoor zijn. Steeds weer bedenken wat de beste manier om iets over het voetlicht te brengen. Ze hebben er nu ook een naam voor: "Praktische wijsheid" .

Al lezend in Kierkegaard ontdek ik dat deze notie al veel langer bestaat. Kierkegaard onderscheidt in het omgaan met het leven drie elementen of stadia van beleven en overdenken. Niet als levensfasen, maar als momenten in het omgaan met het alledaagse. Het eerste is 'het onmiddellijke', de manier waarop iets binnen komt, het hier en nu, zowel in pezierige als onplezierige zin. Dan komt 'het reflectieve'. Het nadenken over wat er gebeurt of overkomt. In dat stadium is kennis onontbeerlijk. Als laatste fase kent hij 'het geloof', een buitengewoon vreemde term voor de ervaring dat je het begrijpt. Hij bedoelt eigenlijk de religieuze ervaring van de Aha- erlebnis, het echt begrijpen. Hij noemt het zelf: "de diepe innerlijke bewogenheid"of de onbeschrijfelijke ontroering van het hart". Johan Cruijff zou zeggen: "je gaat het pas zien als je het door hebt"  of een deskundigoloog noemt het 'diepteleren'.

Wijsheid is ook een term. Jammer dat Kierkegaard een wat verwarrende verstrengeling met het belastende begrippenkader van religie maakt. Jammer dat de onderwijsraad niet wat meer Kierkegaard leest.

zondag 24 maart 2013

Domheid

In mijn boekenkast ben ik weer eens op zoek gegaan naar mijn meest geliefde encyclopedie. Hoe retro. Een papieren encyclopedie. Waar één tweet toe kan leiden, terwijl ik bij wijze van uitzondering eens twitterde. Ik citeerde Nietsche, of beter ik citeerde 'Wijze woorden', wie dat dan ook mag zijn, die ons Nietsche onder de aandacht bracht. Een vorm van 'schenkende liefde'.
Nietsche schijnt gezegd te hebben: "Het vergeten van het doel is de meest voorkomende vorm van domheid".

Ik moet onmiddellijk denken aan de lessen die ik regelmatig zie in basisscholen. Prachtige lessen vaak. Regelmatig komt het voor dat de leerkracht ergens halverwege kwijt raakt wat zij de leerlingen ook al weer aan het leren is. Dan neemt de activiteit het over, en wordt het gebruikte boek ('de methode') plotseling leidend in plaats van het doel. Vaak hebben de kinderen dat feilloos in de gaten. Ze reageren met wat de leerkracht noemt: "ongewenst gedrag". Waar gaat het mis? Is dit echte domheid?  Ben je als je iets vergeet niet dom? Ben je het wel 'vergeten'? Is een bepaald soort vergeten niet juist de essentie van domheid?

Reacties op mijn tweet volgen: o.a. 'iets voor hele de mensheid misschien', 'niet erg, tijdelijk de weg kwijt' en ook 'als je iets vergeet ben je niet dom'.
Ik snap dat de definitie van domheid in het geding is. Bladerend in mijn favoriete encyclopedie stuit ik op mijn lievelingspassage:

"Een ridder bond de strijd aan met de Domheid, een monster waarvan geen signalement bekend was, alleen de naam en de plaats. Zwaar geharnast trok hij met geheven zwaard door het waterland. Hoe dichter hij de plaats naderde, hoe dieper zijn voeten wegzakten. Vlak voor hij verdween werd de stomverbaasde ridder omhelsd door het moeras" Uit: De Encyclopedie van de Domheid van Matthijs van Boxsel..

In potlood heb ik erbij geschreven: Misschien dacht hij wel: "hier moet het toch ergens zijn!".

Prachtig! Want wat is domheid? Domheid is niet een gebrek aan intelligentie. Dat juist niet. Domheid is niet voorbehouden aan niet- intelligente mensen. Domheid, iets doms doen, is juist iets wat iedereen overkomt. Domheid is iets wat je nooit vooraf kunt vaststellen. Achteraf, ja dat lukt:
- "Dat was een beetje dom", een gevleugelde Maximaiaanse uitspraak, die inmiddels onderdeel uitmaakt van de Nederlands- Argentijnse cultuur.
Je kunt domheid nooit voorkomen, domheid bestaat juist bij de gratie van dat je hebt geprobeerd te voorkomen en dat het toch gebeurt. Domheid is een grens die alleen wordt ontdekt als hij al is overschreden, op het moment dat je weg zakt in het moeras en weet: "hier ergens moet het zijn". Domheid is een zelfstandige eigenschap, waarvoor de één meer talent heeft dan de ander.

Van Boksel geeft prachtige voorbeelden. Domheid ontstaat niet door niet te denken, domheid ontstaat juist door na te denken! Twee mannen bouwen een huis onder aan een berg. Ze zagen boven op de berg bomen om en dragen die naar beneden naar de plaats waar het huis moet komen. Dan valt één van de bomen en rolt naar beneden. De mannen kijken met open mond naar deze oplossing. Dan dragen ze de bomen de berg weer op, om ze naar beneden te laten rollen. Een oplossing, die alleen kan ontstaan door na te denken!

Domheid is een taboe. We lachen om domheid, bij voorkeur de domheid van anderen. Strijd tegen domheid is onzinnig. Het toppunt van domheid is om niets meer te doen of te zeggen of te tweeten uit angst een domheid te begaan.

We kunnen onze eigen domheid nooit begrijpen, alleen achteraf vaststellen.We kunnen domheid dus ook niet voorkomen: we hebben nl. alle maatregel getroffen zodat er niets mis kan gaan. Dan pas zijn de omstandigheden voor domheid perfect!






maandag 25 februari 2013

Buiten spelen

Als ik het plein op komt miezert het. In een hoek van het plein, weg bij de anderen, maar dicht bij de ingang van de school staat een jongetje. Zielig hoopje mens is een overmatig euforische beschrijving van dit rillende kledingbaaltje met capuchon.
-"Mag je niet mee doen?" spreek ik mijn pedagogische tact aan.
Hij haalt 'n schouders op.
-"Plagen ze je?" pols ik verder.
Ik bereid me voor op een spontane bekentenis van zelfmoordplannen van een gepest element van de kinderschaar.
- "Ik wil naar binnen", hoor ik duidelijk uit de capuchon komen.
- "Maar kerel, dan ga je toch!"

Ik herinner me hoe ik als kind een grote hekel had aan buiten spelen in de pauze. Veel liever bleef ik binnen en ging lezen in een 'Kameleon', of schaken. Maar wij moesten naar buiten. 'Visnet' spelen, waar ik werd gekozen om met het dikste meisje van de klas, dat toch niet hard kon lopen, de anderen te vangen. Een hopeloze en vernederende activiteit, waarvan het hoofddoel toch leek dat klasgenoten je konden uitlachen. Ik ondernam pogingen binnen te blijven. Zonder succes.
- "Naar buiten in de pauze, dat is goed voor je", placht de meester te zeggen.

Wie heet dat bedacht? Waar staat dat? Volgens mij is het vooral goed voor de meester. En tegenwoordig blijkbaar ook voor de juffen. Want meesters zijn er niet meer.

-"We moeten buiten blijven", zegt het jongetje nog.
Ik heb met het ventje te doen. Heel soms kom ik een school tegen, waar je zelf mag weten of je naar buiten gaat. En de meesten gaan echt. Jammer dat het moet.

zaterdag 22 december 2012

Tijd om te geven

Het is een spannende tijd. Sinterklaas is nog maar net terug naar Spanje, opgelucht dat hij iedereen weer ter wille heeft kunnen zijn. Op 'n krent zitten tot een nieuwe missie hem naar Nederland roept. De Kerstman lost hem af. Had mijn moeder dat maar geweten, dat er een kerstman bestond. Want bij ons kwam die nooit. Mijn moeder had zich waarschijnlijk niet aangemeld.  En Sinterklaas kwam hooguit één keer bij ons thuis. Nicolaas is een druk man. Hij had echt geen tijd om twee keer per week langs Terwispel te komen om mijn schoentje te voorzien van pepernoten, marsepein en ander ongezond en onnodig voedsel. Als we geluk hadden kwam hij na zijn aankomst in één of andere haven in Nederland één keer voor 5 december langs met een mandarijntje en een drietal pepernoten. Meer niet. Hij nam wel altijd het hooi mee en de wortel, die wij klaar hadden gelegd voor het paard. Meestal kon de ruil niet uit. En dat zei mijn moeder ook:
- "Dit kan niet uit".
- "Wij hebben het al niet breed en als die oude Nicolaas nou ook nog mijn goede winterwortels mee neemt wordt het helemaal moeilijk de eindjes aan elkaar te knopen".
En dus zetten wij geen schoen. Om mijn moeder te beschermen.

Alleen op 5 december. Dan mochten we de schoen zetten en ook de trui en de broek. Gek genoeg niet thuis, maar bij de buren. De overburen. Die woonden in een 'onbewoonbaar verklaarde woning'. Die hadden zelf geen kinderen. Waarschijnlijk kon Nicolaas daar gemakkelijker naar binnen. Want ze hadden geen slot op de deur. De deur kon niet eens goed dicht. Maar daar zaten wij niet mee. Want wij wisten niet beter.
En als je op vijf december 's avonds je schoen zet, en je trui, en je broek, dan vind je pas zes december 's morgens je cadeautje. Of cadeautjes. Meestal een letter. En iets van speelgoed. Al weet ik niet meer wat. Maar er kwam vooral ook een preek van de buurvrouw. Dat Sinterklaas ons wel erg aardig moest vinden, en dat hij blijkbaar niet gezien had hoe stout wij soms waren. Onze jaarlijkse evaluatie. Zij lachte er heel lief bij. En wij knikten dankbaar.

En dan begon kerst. Met de barmhartige Samaritaan. Stel je voor je bent in elkaar geslagen en je ligt langs de weg. Het bijbelse verhaal. Of je bent zwart en dakloos en je woont in Amerika. De werkelijkheid van vandaag. Zal het nog ooit goed met je komen? Er komt een dominee langs. Je ziet hem en je weet: hij heeft geleerd dat hij de zwakkeren moet helpen, en de armen, en de vertrapten, de daklozen, .. hoop je. Maar hij zegt dat op zondag liever tegen zijn gemeenteleden. Want zelf heeft hij geen tijd.
Of je ziet een priester, een goede katholiek die zich het lot van de medemens aantrekt. Maar die ziet je niet eens, want hij brengt net een klein jongetje naar school, tenminste die loopt met hem mee.
Of er passeert en aardige meneer, die je groet en die 50 eurocent in je bakje laat vallen. HIj kijkt de andere kant op en jouw voeten blijven koud.
En dan kom er een agent aan. En je mag hier niet zitten, hier in het winkelcentrum, waar het nog een beetje warm is en waar je blote voeten niet meteen het risico van vuiligheid en glasgerinkel lopen. Je maakt je zo onzichtbaar mogelijk, maar de agent komt toch naar je toe en geeft je een paar laarzen voor je maat 50, en je kunt je ogen niet geloven. En de agent verdwijnt.

Ik was op een school. De ouders bij het hek zijn boos. Voor de Sinterklaasviering op school moeten hun kinderen, hun oogappeltjes, hun toekomst, een cadeautje kopen voor  een klasgenoot. En het mag niet meer kosten dan  twee euro.
-" Dat kan niet ", roept een boze moeder.
Ik vraag hoe ze daar bij komt.
-" Ik heb gisteren net een trein gekocht voor mijn zoon, de goedkoopste die er is, maar die startset is altijd nog minstens 40 euro".
Ze heeft dus gelijk. Twee euro is niets vergeleken bij 40 euro. Het cadeautje dat je kunt kopen voor je klasgenoot stelt niets voor, vergeleken bij die treinset, hoe klein en ontoereikend die ook is.

Ik denk aan de preken van vroeger. Aan de preken over dankbaarheid van mijn buurvrouw op 6 december, aan de preken in de kerk over de barmhartige Samaritaan. En plotseling weet ik het. Dit gaat helemaal niet over het cadeau! Deze moeder is zwaar in de war. Ze weet helemaal niet waar Sinterklaas over gaat!

Ik denk aan de Sinterklaasvieringen als meester met mijn klas. Hoe ik altijd lette op de enorme spanning van de gever, als de ontvanger het cadeautje uitpakte. Ik denk aan de Sinterklaasvieringen van de afgelopen jaren met mijn eigen grote kinderen. Hoe ik alleen maar let op hun reactie, op hun gezichten, op hun gedrag, op het moment dat de anderen de door hen gegeven cadeautjes uitpakken. En het valt me op dat ze blijer zijn met de reacties van hun doelwit dan met hun eigen cadeaus. Als ze iets geven lijken ze meer te genieten dan op het moment dat ze iets krijgen! Ik denk aan de Samaritaan, aan mijn buurvrouw, aan de agent in het winkelcentrum.

Het gaat in deze dagen niet over iets krijgen. Sinterklaas en kerst gaan over geven. Over het plezier van het geven. Thuis en op school. Over kinderen leren dat geven leuker kan zijn dan te krijgen. De krijger evalueert de gever en niet andersom.

Geniet daar alvast van als je vanavond Sinterklaas viert, of als je de laatste cadeautjes gaat kopen deze week. Dan zul je van de crisis niets merken.

zaterdag 10 november 2012

Niet zeuren

De eerste auto van mijn ouders was een Skoda. Ik vertel het met tegenzin. Het was niet bepaald iets waaraan wij als kinderen veel status konden ontlenen, zeker niet aan de Skoda van 1970. Die Skoda moest regelmatig naar de garage. Want dat had je met een Skoda. En de garage vond het geen probleem.
Nog steeds niet trouwens.
Inmiddels heeft mijn vader een VW Bora. En nog steeds gaat hij naar dezelfde garage. En nog steeds werkt daar dezelfde monteur. Bijna met pensioen. De Bora van nu lijkt in niets op de Skoda van toen. Toch blijkt het repararen van het nieuwe vehikel voor de monteur op leeftijd geen enkel probleem. Hij schoolt zich bij, en hij heeft lol in z'n vak. Van 's morgens acht tot 's avonds 6. En zonder ooit langer dan een week met vakantie te gaan. Nooit zeurt hij over de uren die hij moet maken. Als je 's morgens om 08.00 uur komt is hij er al. En als je 's middags om vijf voor zes komt wil hij je nog steeds helpen. Zonder één spoor van ergernis. Met altijd een glimlach. Wat een feest!

Het wordt hoog tijd dat ik het eens heb over het onderwijs. Onderwijs is in Nederland het allerbelangrijkste wat er is. Dat blijkt uit het feit dat het het enige is waar in een tijd van crisis niet op wordt bezuinigd. Nou ja, het enige waarvan wordt gezegd dat er niet op wordt bezuinigd. Van andere dingen kun je dat wel luidop zeggen. Je kijkt er een beetje ernstig bij en zegt dan iets als:
'-"In tijden van crisis blijft natuurlijk niemand en niets gespaard, iedereen gaat het merken".
En vervolgens pak je een miljard af van de armsten op de wereld, je laat zieken en gehandicapten hun eigen euthanasie betalen, vrijwillig of je geeft ze gewoon geen medicijnen meer, je pakt de mensen met de middeninkomens al hun pleziertjes af en je verwacht luid gejuich. Want het is immers crisis. En in tijden van crisis is alles geoorloofd. Maar van het onderwijs blijf je af.

Het heeft allemaal mijn sympathie, als er ook iets voor zou worden terug verwacht vanuit het onderwijs. Bijv. iets meer openheid over de werkdruk. En de redenen van het gepraat (sommigen zegen: gezeur) daar over. Heeft u enig idee hoe druk onderwijzers het hebben? Ik zal het u uitleggen.
Een onderwijzer heeft een 36 urige werkweek en in totaal 6 weken vakantie alles mee gerekend. Daar kijkt u van op he? Zes weken vakantie. Geen twaalf. In de CAO van iedere onderwijzer staat dat zij (want mannen zijn er niet meer in het basisonderwijs) 1659 uur moet werken per jaar. Dat is een belangrijk getal. Onthoud dat: 1659 uur per jaar. 46 weken van ruim 36 uur dat is 1659 uur. De meesten van ons werken iets meer uren, 1750 of nog meer, maar onderwijzer is een zwaar vak. Dus 1659 in het onderwijs is echt afzien. Niemand van ons misgunt de mensen die de toekomst van het land iedere dag kneden, hun vrije tijd.

De kinderen komen ongeveer 1000 uur naar school.  Iets minder nog. Een onderwijzer heeft dus ongeveer 650 uur tijd voor het voorbereiden van de lessen, voor gesprekken met u en mij over onze kinderen, voor bijscholing en voor het mee doen aan de avondvierdaagse of de kerstviering of het schoonwassen van het kleutermateriaal. Waar zit dan het probleem? Dat zit in het de manier waarop scholen dit werk organiseren.  De kinderen komen 1000 uur naar school verdeeld over ongeveer 40 weken. En onderwijzers willen graag vrij zijn in de weken dat de kinderen niet naar school komen. Dat zijn die 12 weken per jaar. En dus plannen ze al hun werk in die 40 weken dat de kinderen komen. Ook de extra dingen die gemakkelijk in die andere weken zouden kunnen als verplichte nascholing.
Even een hoofdrekenopgave. Hoeveel is 1659 gedeeld door 40? Ook als je niet zo goed bent in hoofdrekenen, weet je meteen dat daar minstens 40 uit komt en de meesten van ons zien zelfs dat dat meer dan 41 is. Om dus de 36 urige werkweek te maken in 40 weken moet je 41 uur per week werken. Nog een keer: Om alle uren van 46 weken met een 36 urige werkweek te kunnen maken in 40 weken (de weken dat de kinderen naar school komen) moet je 41 uur per week werken in die 40 weken. Voor een parttimer is de situatie nog moeilijker. Als je zestiende werkt moet je 4 dagen beschikbaar zijn. Dus niet drie wat veel parttimers denken: zestiende van 5 dagen is immers 3 dagen.

Onderwijzeres is het belangrijkste vak in onze maatschappij. Iedereen kan nog wel iets vertellen over een juf, meester, leraar of lerares die hij heeft gehad. Mooie verhalen over vormend gedrag van vakbekwame pedagogen. Daar moeten we vooral niet op bezuinigen. Die gunnen we hun 12 weken vakantie. Maar alleen als ze tussendoor hard werken en niet zeuren. Dat hoort ook bij de crisis. Dat weet de monteur van mijn vader. Daar kan het onderwijs nog wat van leren.


dinsdag 30 augustus 2011

Zestien vierkantjes

Het is bijna Pasen 1963. Ik zit op de kleuterschool. Mijn eerste jaar op de kleuterschool in Gorredijk. Het is een wonder dat ik naar de kleuterschool ga, want dat is niet verplicht. En we wonen in Terwispel, dus het is eigenlijk ver weg. En ik moet alleen op de fiets, want mijn moeder kan mij niet brengen. Ik kan met een vriendje mee. Die zit al op de lagere school en is al zeven. Dus dat komt zeker goed.

We fietsen over het zandpaadje langs de vaart naar Gorredijk. Dat vindt mijn vriendje een fijne weg. En ik weet geen andere weg. Dus ik fiets mee. Het is een beetje eng, maar mijn vriendje zegt dat ik niet moet zeuren, en dus fiets ik door. Op mijn doortrapfiets, dus stoppen is so-wie-so niet eenvoudig. Want hij heeft geen remmen.

Als we bij de lagere school zijn, zegt mijn vriendje dat ik maar alleen verder moet. Want we zijn al bijna te laat. Verderop zal ik de school vanzelf wel zien, het kan niet missen. Ik kijk goed om me heen. Want hoe ziet een school er eigenlijk uit? Dat weet ik niet zo goed. 
Net als ik denk dat ik de school zie, sla ik keihard tegen de grond. Ik ben tegen een gele auto aangereden. Een VW kever. Uit het huis waar ik voor lig komen mensen gehold.

Ik huil niet. Mijn vader zegt altijd:
- "Hou op, anders krijg je een mep, dan weet je waarom je huilt".
Dus ik hou me in. Al doet mijn knie wel zeer.
Een aardige mevrouw brengt me naar school. Het is bijna half tien. Maar dat weet ik niet. Ik kan geen klok kijken.

 

Het is bijna Pasen. We moeten een eiermandje maken. Van een vouwblaadje. Zestien vierkantjes en dan knipjes er in. Ik vind het moeilijk, maar het lukt. Als je het goed vouwt, kun je er een bakje van maken. Het allerlastigste is het lijmen. Mijn bakje is kletsnat, en ik zit er onder. Het handvat drijft in het bakje.

De juf is naar cursus geweest. Zij weet nu dat zestien vierkantjes komt uit de vouwreeksen van Fröbel: "Kleuters moeten vouwen, knippen en plakken. Komen tot leuke ruimtelijke creaties. De doelstellingen zijn duidelijk: het leren onderscheiden van vormen, afmetingen en verhoudingen en het verhelderen van het ruimtelijk inzicht. Daarbij vereist vouwen, knippen en plakken concentratie en geduld en bevordert het de ontwikkeling van de fijne motoriek. En het is leuk!"

Brrr. Het zal best, maar ik vind het niks. Maar het moet over. De juf vindt dat ik nog niet klaar ben voor de lagere school. Ik kan nog niet goed plakken.

Mijn trauma heet al vijftig jaar: "zestien vierkantjes".

vrijdag 8 juli 2011

Mondelinge overhoring

We hebben geschiedenis. Middelink zit op zijn platform en overziet de klas.
- "Wie heeft het geleeeerd?" slist hij.
Iedereen steekt z'n vinger op. Dat hebben we inmiddels wel geleerd. Als je je vinger niet op steekt zal zijn onvermijdelijke commentaar zijn:
- "De Boer, een paaaal".
Het woord 'paal' kan alleen hij uitspreken op een manier, die maakt dat je niet protesteert tegen een zo onredelijke bejegening, zonder de kans op enige toelichting. Omdat je ook niet beslist weet of hij het meent of niet. Maar het risico nog een keer nemen, dat doet niemand.
Als je geluk (of pech) hebt, is er een andere straf adequaat:
- "Dat wordt 20 kaarsen extra verkopen voor de Surinamezending".
Want hij is voor ons onplaatsbaar geobsedeerd door de Surinamezending.
We hebben trouwens geen idee wat dat is, Surinamezending. En waarom dat nodig is. Maar iedere week komt het wel een keer aan de orde.

Vandaag is het tijd voor een mondelinge overhoring. Iedere week krijgen drie leerlingen een beurt om voor de klas enkele vragen over de les te beantwoorden. Het cijfer telt mee als een SO (Schriftelijke overhoring). Als je er slecht voor staat kun je een extra keer aanvragen.
- "Zo, wil je verder sparen voor een hekwerkje? ", is dan het commentaar dat je zult moeten trotseren.  

Vandaag is Henny Bustra aan de beurt. Haar oranje naveltruitje, haar hotpants en haar laarzen lijken hem volkomen te ontgaan. Als ze haar vragen heeft gehad en wil gaan zitten, verandert zijn houding:
- "Blijf even staaan", is zijn slepende en dwingende bevel.
- "Wat heb je daar op je ooooogen?"
Henny lijkt verrast. Dan antwoord ze:
- "Oogschaduw meneer.
Middelink wacht even. Dan is zijn dodelijke commentaar:
-'t Spijt me kind, net een spook".

Het is doodstil. In één klap staat ze ter discussie. Plotseling hebben wij de kans haar flirterige uiterlijk te zien. Kunnen we weten, dat hij, Middelink, onze favoriete leraar, het door heeft.
Maar wij houden van kijken naar Henny. En zijn nog niet in staat de psychologie van deze actie te duiden. Hij vindt het niets! Hij houdt ons een spiegel voor.
De les begint. We praten er niet over. Onderling niet. Met Henny niet. Want dat durven we niet.

Henny heeft bij geschiedenis nooit meer oogschaduw op.
Middelinks populariteit is altijd onaangetast gebleven.
Ik vraag me achteraf af waarom hij zo populair was.

donderdag 23 juni 2011

Proefwerk

Als we de klas binnen komen zit Middelink al op zijn verhoging. Zijn dampende sigaar als fallus van zijn autoriteit. We hebben geschiedenis. Terwijl wij onze plaatsen opzoeken slist hij:
- "Zo kindertjes, heeft mamma jullie weer laten gaan"?
Zijn spraakgebrek is onderdeel van zijn overwicht, iets waar weinig andere leraren hem in kunnen volgen.
"- Pak je boek!", roept hij als we bijna allemaal zitten.

Onzekerheid alom. Een enkele leerling steekt een vinger op, een andere zoekt een boek. Dan roept er één door de klas:
- "Maar meneer, we hadden vandaag toch een proefwerk?"
- "Is dat zo?", riposteert hij, niet in het minst uit het veld geslagen.
- "Pak dan je proefwerkblok maar".
Achter mij moppert een klasgenoot tegen de verklikker: "Hou toch je mond man".
Maar die zucht: "Anders moet ik het volgende week weer leren".
Meer tijd is er niet, omdat de eerste vraag al door de klas schalt:
-"Hoe heette de gezant van de keizer Wilhelm de tweede, die de eerste wereldoorlog aankondigde?"
-"Schrijf alleen het antwoord op".
Ik weet het antwoord: Benedetti.
"Werd thuis altijd Detti met de benen genoemd, omdat hij zo hard kon rennen", was in de les het bijbehorende grapje met ezelsbrug-eigenschappen geweest.

Als hij na 20 vragen kort pauzeert, vraagt een Joke de Jong, die nooit één van de snelste is,
- "Meneer, wat was vraag 12?"
Enigszins verstoord kijkt hij op.
-"Dacht je dat ik dat nog weet, sloom wicht", slist hij, onder hilarisch gelach.
Dan volgt vraag 21.

Als er 30 vragen zijn geweest, mag ik de proefwerken innemen en naar hem toe brengen. Zelf steekt Middelink een nieuwe sigaar op. Dan legt hij vier proefwerken naast elkaar op z'n bureau. Het antwoord dat het meeste voor komt stelt hij vast als het goede. Twee fouten een punt.
"Je kunt zelf je cijfer uitrekenen".
Een voor één mogen we ons cijfer zeggen dat hij in de agenda noteert. Niemand komt op het idee een ander cijfer te noemen dan hij daadwerkelijk heeft verdient.

Dan zoeken we de gang op, een ervaring rijker.
Wie zegt daar dat het onderwijs slechter is geworden?

zaterdag 30 april 2011

Kaal

Tijdens mijn studie psychologie was één van de verplichte vakken 'Genetica'. Erfelijkheidsleer.  Eens per week werden wij daarin onderwezen door Professor Anders, een Zwitser met een onvoorstelbaar didactisch talent. Zijn dageljks werk bestond uit het doen van hoogwaardig onderzoek naar de invulling van de erfeljike eigenschappen op de genen. Vanuit zijn, in onze ogen, onmetelijke wijsheid daalde hij af naar de Boteringestraat, om ons de wetten van Mendel uit te leggen. Die veel te moeilijk waren voor de meeste psychologiestudenten.

Gelukkig had ik destijds een vriendinnetje dat biologie studeerde. Ze deed proefjes met fruitvliegjes. De 'Drosophila melanogaster', zoals zij niet naliet mij dagelijks te vertellen. Haar studie bestond uit het tellen van dergeljke vliegjes en het vaststellen van de erfelijke kenmerken. Met name oogkleur.
Ik weet er niet veel meer van:  XX en XY chromozomen bij mannen en vrouwen,  dominant en recessief, kruislingse overerving. Het zijn termen die zijn blijven hangen, zonder veel betekenis. Rood haar en kleurenblindheid, daar waren bijzondere dingen mee. Al mijn genetica-herinneringen in drie blogregels. Nooit doe je iets met dergelijk kennis, opgeslagen op de hooizolder van het weten.

Tot vandaag. Omdat ik naar de kapper moest (het groeit ook in werktijd), was ik veroordeeld tot een praatje met de kapster. Een ware uitdaging voor mij, iedere keer weer. Je kunt weliswaar vragen naar een bepaalde kapster bij het maken van de afspraak, maar ik ben elke volgende keer vergeten door wie ik ben geknipt. En ook of die beviel trouwens. Ik herken de kapsters ook niet bij terugkeer. Of op straat. Meerdere malen heb ik al als gespreksopening gevraagd:
- "Ben je nieuw hier?"
Maar steeds blijkt dat de betreffende kapster er al jaren werkt. Een pijnlijk element in het vaststellen van mijn sociale vaardigheden in terloopse contacten.

Ook dit keer heb ik een onbekend gezicht achter me. Al snel weet ik dat ze getrouwd is, 28 jaar (net als haar man) en dat ze van Marco Borsato houdt. Zonder één vraag te stellen.
Ergens tijdens het gesprek krijgen we het over haar. Mijn haar wel te verstaan. Zij constateert dat ik nog niet kaal word. Ik vertel dat mijn vader al op zijn 23-ste kaal was. Dat ik heb gehoord deze week, dat dat niets te maken heeft met mijn wel- of niet kaal zijn, omdat kaalheid niet in de mannelijke lijn over erft. Als je je kans op kaalheid wilt inschatten, moet je kijken naar opa van moeders kant. Zij blijkt dat ook te weten, of eens eerder te hebben gehoord! We hebben een band!

We vullen de rest van de tijd met het bedenken van een gesprek zoals zij dat de komende weken met kale mannen kan hebben.
Klant: Mijn vader was al vroeg kaal.
Kapster: Dat doet er niets toe.
Klant: Hoezo niet?
Kapster: Kaalheid komt via uw moeder.
Klant: Die was helemaal niet kaal!

Ook bedenken we een onderzoek. Ze kan de vrouwenoverervingshypothese testen, en turven. Ze kan publiceren in het tijdschrift voor kapsters. Al blijkt dat tijdschrift niet te gaan over dit soort kwesties, volgens haar (de kapster) tenminste.

Ik heb niet verteld, dat kaalheid dezelfde lijn volgt als homosexualiteit. Misschien wel op hetzelfde gen. Professor Anders zou dat weten. Maar die is er niet meer.

Ik ben keurig geknipt. Bij het weggaan zie ik op mijn vaste klantenkaart dat het 17 weken geleden is dat ik voor het laatst was geweest. Hoe vast kan een klant zijn. Haar naam weet ik niet. Volgende keer zal ze weer als nieuw zijn.

woensdag 16 maart 2011

Meester Stikel

Ik ga naar school. We hebben geschiedenis. De meester kan prachtig vertellen. Met de aanwijsstok staat hij achter in de klas. Dan rent hij, tussen de rijen door, schreeuwend naar het bord. Met de punt doorboort hij de denkbeeldige poort van Den Briel. Zo deden wij dat in de tachtigjarige oorlog.

Ik moet naar school. Ik ben bang. Gisteren heeft meester Klaas Meindertsma geslagen en geschopt. Klaas had 'paard' met een t geschreven. Goed voor 'een draai om de oren'. Nou ja, meer een klap tegen z'n hoofd. En toen de meester heel boos aan Klaas vroeg om 'paard' eens langer te maken, zei Klaas 'paarten'. En toen kreeg hij een schop. Klaas vluchtte onder de banken door maar de meester bleef schoppen.

Ik ga naar school. We krijgen ons rapport. Ik heb een 10 voor aardrijkskunde. Voor het eerst van m'n leven snap ik dat er een verband is tussen m'n rapportcijfers en m'n werk in de klas. Ik had een 10 voor Noord-Holland en Drenthe en Zeeland.
- "Purmer, Schermer, Wormer, Beemster en Wieringermeerpolder", belangrijke droogleggingen in Noord-Holland. Het is onderdeel van de basiskennis van ieder kind. Zou het moeten zijn.
- "Tarwe, haver, gerst, pootaardappelen, eetaardappelen, suikerbieten, voederbieten, peulvruchten, vlas". Dat verbouwen ze in Zeeland.
- "Bij gemengd bedrijd staat de landbouw in dienst van de veeteelt". Tenminste in Drente.
Ik verdien een 10.

Ik ga naar school. We hebben tekenen. Ik haat tekenen. We moeten natekenen, een hooiwagen met perspectief. Ik kan het niet. Ik ben dom. Ik heb een 3. Ik verdien een 3.

Ik ben naar school geweest. We hebben een nieuwe jongen in de klas. Hij heet Jaap. Hij is heel dom, maar ook heel sterk. Toen de meester hem wilde slaan met de kaartstok, dezelfde als waarmee hij Den Briel heeft ingenomen, heeft Jaap de stok opgevangen en in twee stukken gebroken. En de meester heeft hem niet geschopt.

Het is donderdag. We staan bij de straat te wachten tot de meester komt. Hij is altijd laat op donderdag, want dan gaat hij naar de kapper. Kapper Betzema. Die ook mijn haar doet. Of beter niet doet. Meester heeft donderdags weer verse stekeltjes. 'Stikels', in het Fries. Daarom noemen we de meester ook 'Meester Stikel'. Op donderdag staan we bij de weg. Om de hoek bij de heg. We lokken hem en roepen:"Meester Stikel, meester Stikel!" Als hij er aan komt rennen we gauw weg.  Want hij mag het niet horen. Ik doe ook mee. Net als Klaas en Jaap. Het is hun stille wraak.

zaterdag 12 februari 2011

Oogziekte

Vrijdag in de kantine, al is dat een groot woord voor een hok met een koffieapparaat, kwam een collega vertellen dat hij komende week moet worden geopereerd. Hij heeft een oogziekte. Al een tijdje ziet hij een gele vlek en dat is onprettig. De operatie vraagt een volledige narcose, maar aan het eind van de dag mag je wel weer naar huis. Alleen niet zelf rijden.

Ik bestede maar half aandacht aan het verhaal. Het lande wel, maar passeerde als een vrolijke zorg van een aardige collega, een vrolijke zestiger, met een positieve kijk op het leven. En hij kondigde aan donderdag weer te komen werken.

Zaterdagmorgen las ik dat iemand, vlak na het overlijden van Friedrich Nietsche, heeft geprobeerd om de ogen van de verscheidene dicht te drukken. Bij één oog lukte dat niet.
Nietsche leed aan 'Chorioretinitis centralis serosa', een oogaandoening waarbij vochtophoping onder het netvlies optreedt, zodat de blik vertroebeld raakt (Macula of gele vlek!). Tot mijn stomme verbazing wordt deze ziekte ook wel de 'managersziekte' genoemd, omdat hij veel voor zou komen bij mannen en jongens "van wie het uiterste wordt gevergd en die het gevoel hebben dat ze in hun prestaties moeten zien te beantwoorden aan een torenhoog verwachtingspatroon (stresshormonen verstoren de normale bloedcirculatie in het vaatvlies)".

Mijn sociaal constructivistisch denkhoofd probeert al deze informatie te integreren. Dezelfde ziekte als Nietsche. Het is bijna om jaloers op te worden! Hoewel: Ben je dan belangrijker dan als je dezelfde ziekte hebt als mijn schoonmoeder?
Anderszijds is mijn collega niet iemand die ik ooit verdacht zou hebben van een managersziekte, welke dan ook. En zeker niet van eentje waarbij hij zou lijden aan ongekende stress vanuit zijn omgeving. Hoewel hij bijna met pensioen is, zou ik hem eerder als de ultieme ontspanning in het werk kenschetsen, dan als lijdend aan extrinsiek veroorzaakte prestatiedruk. Moet ik nu anders naar hem kijken? Of is het toekennen van deze oorzaak aan de ziekte misschien minder algemeen geldend dan het tijdschriftartikel doet vermoeden?

Hoe leer ik eigenlijk? Het artikel over Nietsche had ik al eerder gelezen, maar toen was er niets van blijven hangen gek genoeg, daarom las ik het nog een keer. Het verhaal van de collega had ik met een half oor gehoord. Pas de combinatie van verhalen rukt beide uit het onderbewustzijn en levert een kennisconstructie en reflectief proces op. Is dat eigenlijk interessant? Niemand kent mijn collega, niemand kent mij. Veel mensen kennen Nietsche, maar zijn niet geïntereseerd in oogziektes. Of in denkprocessen.
Kun je dan toch een intrigerend stukje daar over schrijven? Bevredigend? Zodanig dat het zijn rust neemt in je kenniskamer? Onderdeel van je belezenheid wordt, iets dat trouwens volgens Maarten 'Hart dan weer volstrekt geen waarde heeft?

Het intrigeert mij. Ik leer hoe ik leer.

donderdag 27 januari 2011

Rijke leeromgeving

Als ik thuis kom staat mijn vader al te wachten.
- Er moet een koe kalven en ik moet melken, kun jij de veearts helpen?
- De veearts?
- Ja, het wordt een keizersnee.
Ik heb nog nooit een keizersnee gezien. In mijn overal, loop ik naar de veearts, die de koe al aan het scheren is.
- De verdoving is al ingespoten, zegt de veearts. Verder is hij niet erg spraakzaam. En ik ook niet: Friese boeren onder elkaar.

Het valt mij op dat de koe gewoon blijft staan. Eigenlijk verwacht ik dat hij zo meteen neer zal storten, maar dat gebeurt niet. En de veearts lijkt zich daar over geen zorgen te maken, dus ik vraag het ook maar niet.
Als de veearts het mes tevoorschijn haalt, verwacht ik veel bloed, maar ook dat blijkt een foute inschatting. Laagje voor laagje snijdt de veearts door de koe, tot er twee poten van een kalf zichtbaar worden.
- Pak die maar beet.

Na nog twee sneden graaft de veearts ergens naast mijn handen naar de andere pootjes.
-Voorzichtig tillen.
Ik vind het zwaar, maar zeg niets. Want ik ben al 11 jaar en dus ijzersterk. Toch?
Er komt heel veel water mee. Het gutst in mijn laarzen. Ik haat natte voeten.

We leggen het kalf bij de kop van de moeder, die nog steeds onbeweeglijk stil staat.
Ze begint haar spruit te likken. De veearts begint aan het hechtwerk.
- De nageboorte zal de natuurlijke weg volgen, zegt hij nog.
Ik weet niets van de natuurlijke weg. Jaren later realiseer ik me dat dit een vorm van sexuele voorlichting was, maar op dat moment heb ik niets in de gaten. Misschien dat een gerichte kijkopdracht of wat achtergrondinformatie me zou hebben geholpen.

Drieënveertig jaar later gebruik ik dit voorbeeld in een lezing voor 200 onderwijzers. Als voorbeeld van een rijke leeromgeving. Een sneltekenaar, die is ingehuurd vereeuwigt het tafereel.

Soms duurt het even voor je je jeugd kunt waarderen.

















Illustratie : Suus van den Akker

maandag 29 november 2010

Voorschotbenadering

Ze zit naast de juf, d.w.z. er zit nog één jongetje tussen haar en de juf. Dan komt zij. Ondanks dat ze het kleinste stoeltje heeft kan ze net niet helemaal met de voeten bij de grond. Ze heeft een rose vestje aan. In haar nek hangt de capuchon. Blond en stil zit ze daar.

De juf herhaalt met de klas de letters die ze al kennen en wijst op de waslijn, waar de letters aan knijpers hangen. Een drukke gele vogel denkt dat hij de letters kent en de kinderen reageren ontzet:
- "neeee!".
De juf speelt met verve. De kinderen genieten en leren. De meeste van hen kennen de letters, zoveel is duidelijk. Ze oefenen samen de klankgebaren: de 'mmmm' met drie vingers bij de mond, de 'p' met een gebalde ploffende vuist.
Mijn rose prinses doet voorzichtig mee. Ze heeft geen enkel idee wat de letters kunnen zijn. Of waar de letters zijn. Maar ze let wel op. Ze wordt onder gedompeld in een voor haar nieuwe wereld en techniek. Vol verbazing aanschouwt ze deze wonderlijke wereld. Ook al is ze er nog niet aan toe, ze maakt het wel mee.

Vandaag las ik dat het 'voorschotbenadering' wordt genoemd.
Vanaf nu is zij mijn persoonlijk symbool van deze onderwijsleer.

donderdag 24 juni 2010

AVI 9

Ooit werkte ik bij de Wychense Omroep. Lokale omroepen zijn de speelplaatsen van eigenbenoemd talent. Dat gold vast ook voor mij. Ik was razend trots op mijn rubriek:"de Horoscoop van de afgelopen week". Ik las een horoscoop voor van een al voorbije week, en liet mensen bellen om te vertellen of het klopte. Het leverde wel degelijk hilarische radio op. Eén jaar lang. Toen had ik er genoeg van.

We werkten ook toen al met duopresentatie. Het feit dat ik nooit wereldberoemd ben geworden wijt ik nog steeds aan mijn duopresentator, die helaas niet op toon kon lezen. Net als Fok bij meester Staal (de lezer kent toch wel Theo Thijssens 'de gelukkige klas'?).

En nu bestaat dat nog steeds. Wie 's morgens om 07.45 de radio aan zet op radio 4 kan haar live horen. Ze leest systematisch verkeerd. Bij het krantenoverzicht. De klemtoon klopt nooit. Ze heeft nog geen AVI 9, de lees-standaard voor groep 6. De netcoördinator heeft bedacht dat 's morgens voor acht uur, de radio een sociale werkplaats hoort te zijn.

En geeft het onderwijs de schuld. Vast en zeker.

dinsdag 19 januari 2010

Rare snuiters, die volwassenen.

Onze zoon van 5 kan niet naar de oppas. Aan tafel een mooi moment om hem dat te vertellen: Morgen spelen en eten bij een ander vriendje, want Ilse kan morgen niet. Ik ken mijn zoon lang genoeg, om te weten dat hij daar geen genoegen mee zal nemen. En inderdaad is het inmiddels vaste: "Waarom niet?" zijn voorspelbare reactie.

We voeden onze kinderen graag verantwoord op, maar ook een beetje beschermd. Aangezien de dood onderdeel is van ons leven, geef ik dus aan dat Ilse morgen naar een begrafenis moet.
De rimpel in zijn voorhoofd doet vermoeden dat hij hier nog geen genoegen mee zal nemen. Zijn gezicht staat ernstig en zijn hersenen lijken op volle toeren te draaien. 'Begrafenis' heeft iets met dood te maken, dat weet hij van de recente dood van een buurvrouw. Blijkbaar waren de wisselende reacties op diens dood, na een langdurig ziekbed, hem niet ontgaan. Al zou ik dat vóór vandaag niet hebben geweten. Zijn volgende vraag getuigt echter van dat inzicht:
- "Is dat erg?"
Zijn gezicht verraadt enige onzekerheid. Opkomend verdriet? Mededogen? Blijkbaar is dat ook wat mijn vrouw treft. Wellicht om hem enigszins te beschermen zegt zij:
- "Nee hoor, het is nog van een vriendin van vroeger"?
Als volwassene zeg je soms vreemde dingen. Al heb je er een kind voor nodig, om je daarmee te confronteren, d.m.v. zijn briljante riposte:
"Waarom wordt die dan morgen pas begraven?"

Onze klaterende lach werkt bevrijdend, al zal de reden daarvan voor iedereen anders zijn.
Konden we als volwassene maar zo vragen. Het is te leren, getuige een prachtige blog van Sigrid van Iersel, met o.a. de geweldige uitspraak "Jij bent eigenlijk mijn probleem". Van harte aanbevolen! Voor alle ouders en leerkrachten.

donderdag 31 december 2009

Kansarme kunstenaar

Ik ben naar de Duitse expressionisten geweest in Groningen. Waar leren mensen toch om zo te schilderen? Zelf haalde ik op de middelbare school alleen een voldoende voor tekenen omdat je geen onvoldoende kon krijgen, als je daadwerkelijk een tekening produceerde. Dus het papier min of meer had gevuld. Dhr Lakke, onze tekenleraar, moedigde mij aan om de A3 vellen vooral vol te schilderen en veel verf te gebruiken. Ik snapte niet wat hij bedoelde en uiteindelijk negeerde hij mij. Gelukkig!

Mijn klasgenoot, Piet Andriessen, schilderde drie tekeningen in ieder tekenuur (ik maximaal één per drie uur). Piet schilderde volstrekt non-figuratief. Geklieder in mijn ogen. In ieder geval iets waarvan ik niets begreep. Ik begreep al helemaal niet hoe Piet voor ieder van die schilderijen een 9 haalde. Nadoen kwam niet in mij op.

Op een dag luidde de opdracht: schilder een Vlaggenwinkel. Het zweet brak mij uit. Het concept 'winkel' impliceerde in mijn beleving minstens een vorm van perspectief, iets waar ik volstrekt niet toe in staat was. Bovendien sluimerden in mijn achterhoofd nog de na-tekenopdrachten, die ik op de lagere school altijd kreeg. Eén van die opdrachten, een boerenwagen met hooi, was mij, na drie tekenlessen en een draai om de oren van de meester, afgepakt met de opmerking:"jij leert het in ieder geval nooit, sufferd!".

Na een half uurtje vlaggenwinkelen, bleek mijn incompetentie inmiddels optimaal. Het ontging Dhr Lakke niet. Hij suggereerde om over de, in naïeve stijl geschilderde, contouren van de vlaggenwinkel maar vlaggen heen te schilderen, zo groot mogelijk. Er leek geen alternatief mogelijk. Oh, had ik toen ooit maar één keer een expressionistisch schilderij gezien!

Bijna een jaar later bestond de school 50 jaar. Onderdeel van de viering was een tentoonstelling van een kleine selectie uit het werk van leerlingen van de school, gemaakt tijdens de tekenlessen. In de gymzaal, met als gevelspreuk "der jongelingen sieraad is hunne kracht", honderden werken, o.a. diverse werken van Piet Andriessen. Tijdens de rondwandeling kreeg ik bijna een hartverzakking. Hoog boven in de gymzaal, gelukkig niet al te opvallend, en zeker niet met een herkenbare naam, hing mijn vlaggenwinkel!

Zelden hebben schaamte en trots zo om voorrang gestreden als die dag.

zaterdag 31 oktober 2009

Kinderverdriet

Ik zit in de eerste klas. We doen een spelletje. Een van de kinderen moet (mag) naar de gang. Samen met de juf spreken we een liedje af, dat we zo meteen, als de gangganger terug is gaan klappen. Zij moet dan raden welk liedje het is.

Ik doe dapper mee. Eerst klappen we het liedje met twee vingers. Als de gangrader het dan nog niet weet, klappen we het liedje met de hele hand. Dat is wat luider, en daarmee gemakkelijker. Tenminste dat zal wel de gedachte van de juf zijn.

Even tussendoor: Dat die gedachte niet zo gek is merk ik 30 jaar later tijdens mijn huwelijksreis. Ik mag logeren in een huis van een Portugese collega in Sintra. Het huis staat prachtig op een berghelling, met uitzicht op het dal. De buurman is een Portugese schaapherder op leeftijd. Als ik langs zijn huis kom begint hij een verhaal waarvan ik niets begrijp. Portugees is niet een taal die je spontaan verstaat. Als ik iets brom van 'Non Comprendo, non Comprendo', herhaalt hij dezelfde tekst, maar nu veel luider. Hij is dus op de hoogte van de opvattingen van de juf uit Gorredijk.

Nadat we het liedje geklapt hebben, weet de slome rader het nog niet. Nu neuriën we het liedje. En inderdaad: hij weet het! "Altijd is Kortjakje ziek". Goed gedaan!

Het is bijna zomervakantie.
- "Wie is er nog nooit op de gang geweest?"
Ik steek voorzichtig mijn vinger op en blijk de enige. Onopvallend gedrag gaat aan iedere leerkracht voorbij. Eenmaal op de gang ben ik er van overtuigd, dat het mij gaat lukken. Mijn ego heeft geen aandacht nodig. Vol zelfvertrouwen stap ik de klas weer binnen.
Na het klappen met twee vingers, het klappen met de hele hand en het neuriën heb ik nog steeds geen idee. En als de kinderen dan het liedje maar zingen, weet ik nog steeds niet wat het is. Ik heb het hele liedje nog nooit eerder gehoord!

maandag 26 oktober 2009

Taalachterstand

Als jongen van een jaar of 14 droomde ik ervan met een zeemeermin te trouwen. Mijn hormonen gloeiden bij de aanblik van zoveel vissige vrouwelijkheid. Ik weet het nog heel zeker.
Toch heb ik geen idee hoe ik weet dat er zeemeerminnen bestaan. Maar ik vond ze altijd heel erg mooi. En lief. En reflectief. Al wist ik dat toen nog niet.

Het is er nooit van gekomen. Zeemeerminnen schijnen niet echt te bestaan. En het valt, voor zover ik kan nagaan, ook niet mee je met een zeemeermin voort te planten. Misschien schieten ze kuit, maar aan mijn bijdrage zie ik ze niet veel hebben. Of misschien dat inslikken in zeemeerminstad wel helpt.

Vrijdag stond ik na jaren weer eens oog in oog met een zeemeermin. In de Efteling. Naast mij stonden een (te) jonge vader en moeder met hun zoon van twee. Apetrots was pa, dat zag je zo. Z'n matje wipte trots op en neer in de nek, boven z'n trainingsjack van Adidas. En moeder stond onzichtbaar te zijn achter de buggy. Neusringetje glinsterend in de herfstzon.
- 'Kijk een vis', zei het jongetje. En vader bevestigde dat: "ja een vis!"
Het gesprek werd drie keer herhaald. Geen taalverrijking, Geen toegevoegde waarde. Drie keer hetzelfde gesprek. Als een plaat met een kras. Het woord zeemeermin viel niet. Jammer.

Wie weet welke prachtige belevenis deze zoon wordt onthouden.

maandag 21 september 2009

De school als opvoedingsinstituut

Ik ontmoette vandaag een enigszins norse puber. Hij bleek uit de klas verwijderd. Als beloning had hij een epistel mogen schrijven over het onderwerp: ‘De school als opvoedingsinstituut’. Ze verzinnen wat, die scholen. De puber had zijn werkstuk mee mogen nemen, na het te hebben getoond aan de conciërge. De impact van deze zin gaat mijn bevattinsvermogen te boven, zelfs tijdens het schrijven ervan. Ik nam de tijd het werkje te bestuderen. Het ging ongeveer als volgt:
“Hoe zie ik de school als het gaat om het ‘opvoeden’ van de leerlingen? Ik denk dat de school een grote invloed heeft op de opvoeding van jongeren, vooral op het gebied van omgang met andere mensen en overleven in een maatschappij. Op sociaal gebied dus. (....) Net als thuis bij je ouders, is er wel eens een meningsverschil. Soms moet blijkbaar d.m.v. een straf worden opgelost.

Het is jammer dat sommige leraren de school iets anders interpreteren. Namelijk als een instituut waar hun wil wet is en waar dus geen enkele tegenspraak en discussie daardoor mogelijk zou mogen zijn. Waar dus geen sprake is van opvoeding. Ze straffen de leerling (omdat deze een slokje water neemt of een hapje brood), door hem meteen naar de leiding van het opvoedingsinstituut te sturen.
"Zo zo een slokje water!"

Zit deze leraar/lerares die avond zelfvoldaan aan het avondeten omdat hij of zij deze weerloze leerling eens even lekker heeft gepest? Komen daar frustraties van vroeger bij kijken?
Straffen staan (soms!!) op het dragen van hoofddeksels of het vergeten van boeken die in die les eigenlijk helemaal niet nodig zijn.
Als deze leerling vervolgens vraagt waarom (als die kans al wordt geboden), is het van ‘Ja dat zijn nu eenmaal ‘de regels’ hé!’

Ik twijfel soms sterk aan het inlevingsvermogen van veel leraren. Soms lijkt het vernederen van een leerling wel erg bevredigend voor een leraar terwijl dit toch niet bij opvoeden hoort? Het verscheuren voor de neus van gemaakt strafwerk bijvoorbeeld." De school is belangrijk als opvoedingsinstituut; iets meer wederzijds begrip zou zeker gepast zijn en ook bevorderlijk voor een gezellige en betere school. Een leerling die een leraar respecteert neemt immers ook eerder dingen aan".

Tot zover het epistel van de geplaagde puber. De opdracht voor (aanstaande) leraren en opleiders zou kunnen zijn: Als een leerling of student dergelijke kritiek levert, doe ik daar dan iets mee, neem ik dat serieus of word ik daar boos van?
Wat denkt zo'n blaag wel?