De dokter heeft een nummertjesautomaat ingevoerd. Niet voor het spreekuur, maar bij het laboratorium. Het is een maatregel zonder diepgaand doel, een service aan de wachtenden.
Omdat ik iedere week één keer bloed moet prikken krijg ik de gelegenheid de processen bij de implementatie van deze maatregel te observeren. En zoals iedere nieuwe maatregel blijkt ook deze niet zonder tegenstanders.
Tot mijn verbazing blijken veel mensen geen nummertje te trekken. Niet omdat ze dat niet gewend zijn, of omdat ze de nieuwe nummerautomaat niet zien, maar omdat ze dat weigeren. Ze willen niet meewerken aan deze ordening der dingen. Uit het gemor van mijn lotgenoten maak ik op dat ze de wereld anders waarnemen dan hun dokter. Ze voelen zich beledigd!
-"Ik kan best onthouden na wie ik ben!"
De nummerautomaat is een motie van wantrouwen aan hun geheugen, en nog meer.
Naast de belediging blijkt er een ander fundamentaal bezwaar te bestaan: de noodzaak tot contact is verdwenen! Het vragen: "wie is er voor mij", is een noodzakelijk en onontkoombaar excuus om 's morgens om 08.00 uur iemand aan te spreken. Voor de mensen op leeftijd in de wachtkamer niets minder dan een een flirt in wording! Het bezoek aan deze wachtkamer is een uitje. De uitstaande conversatie, waarop je je al thuis kunt voorbereiden het voorstadium van een huwelijksaanzoek. Maar als zodanig natuurlijk onbespreekbaar, en dus wordt er al snel weer gezwegen. Zoals dat hoort in een echte wachtkamer.
Als ik een week later terugkeer voor een volgende prik, blijkt de nummerautomaat leeg. De nieuwe rode glimmende automaat staat aanwezig en doelloos midden in de ruimte te niksen.
-"Geen nummertjes?" vraag ik nietsvermoedend.
Ik roep een storm van onvrede op. Opnieuw blijken mijn lotgenoten beledigd. Het zijn andere oudjes. Ze hebben geen kennis van de voorgeschiedenis. Niemand was er vorige week ook.
-"Schaffen ze van mijn centen zo'n apparaat aan, zitten er geeneens nummertjes in".
Ook een lege automaat is het bewijs van onkunde en verspilling: betaald van onze centen, maar niet in gebruik.
-"Wil ik keurig een nummertje trekken, zijn er geen nummertjes", moppert een oude man. Geldverspilling en en potentiële beschuldiging van onfatsoenlijk gedrag, of erger: weigering om mee te werken. Twijfel aan de mogelijkheid dat de bejaarde het nieuwe apparaat zal begrijpen.
Ik knik meelevend. Het leven van een zieke is zwaar. Daar helpt de dokter graag aan mee.
Ik vraag wie er als laatste is gearriveerd. Omdat ik niet toevallig heb gezien wie er voor mij is binnen gekomen. Een oude dame lonkt kort naar mij. Daarna is het weer stil, zoals het hoort.
Cultuur is het verlangen iets te delen wat in wezen buiten jezelf staat, maar gevoelsmatig zo dicht bij je komt dat je het wilt verdedigen alsof het van jezelf is. (Hans den Hartog Jager in "Dit is Nederland").
Posts tonen met het label Kijk op de wereld. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kijk op de wereld. Alle posts tonen
dinsdag 28 mei 2013
woensdag 17 april 2013
Merel-wereld
In de tuin hipt een merel. En even later nog één. De stapel met tuinafval, die daar ligt te wachten op de container, omdat die van deze week vol is, heeft een enorme aantrekkingskracht op het merel-echtpaar. Rondom de onderrand van de stapel, zoeken de merels hun weg. Ze grijpen een takje of stukje stro en laten het daarna ook meteen weer vallen. Soms houden ze het stukje in hun snavel geklemd om dan dezelfde procedure toe te passen op andere takjes. Wat op zich knap werk is, met dat andere stukje nog in je snavel.
Ik kijk er met verbazing naar. Blijkbaar wordt bij ieder takje of strootje de inschatting gemaakt: 'Bruikbaar' of 'niet bruikbaar'. Dat betekent dat de merel zich een voorstelling vormt van hoever hij tot nu toe is met z'n verbouwing, en dan afweegt: nee, deze is net te lang, die te kort, die te dik. Hij ziet zijn half afgebouwde huis in zijn geestesoog voor zich en denkt: 'daar moet nog iets tussen', of 'daar kan nog iets bovenop, maar dat niet, dat is te lang, of te kort, of het past niet bij de rest. Of 'dat vindt mijn vrouw (of man) vast niet mooi'. Want hij wijst er meer af dan dat hij meeneemt. Of zij natuurlijk. Mijn merel-geslachts-determinatie is niet zo goed, hoewel ik me meen te herinneren dat je iets met de kleur van de snavel kunt. Misschien eens opzoeken op internet. Beide merels zijn blijkbaar ook even bouwkundig onderlegd. Tenminste vanuit mijn insvalshoek van achter het raam.
De volgende dag zit achter in de tuin, op de schutting, een splinternieuwe merel. Uit een ander nest natuurlijk. Z'n (of haar) zwarte veren glimmen prachtig in de zon. Z'n gele snavel is geler dan geel. Hij houdt z'n kop scheef en kijkt ergens naar. Iets dat zich boven hem in de boom lijkt te te bevinden. Ik vraag me af wat hij ziet, en hoe hij dat ziet. En wat de impact daarvan dan is, zeker als je pas uit het ei bent.
Een vogel heeft geen bewustzijn, kan niet nadenken over wat hij ziet. Hij is niet z'n brein. Of juist wel. Hij ziet het hier en nu. Het ene hier en nu schakelt zich aan het volgende. Zonder kennis van het verleden of van de toekomst. Het instinct als enige drijfveer. Het vage gevoel dat het misschien mis zou kunnen gaan. Of dat het eten zou kunnen opleveren. Of dat het zou kunnen passen in de verbouwing.
Het is een fascinerend schouwspel.
Ik kijk er met verbazing naar. Blijkbaar wordt bij ieder takje of strootje de inschatting gemaakt: 'Bruikbaar' of 'niet bruikbaar'. Dat betekent dat de merel zich een voorstelling vormt van hoever hij tot nu toe is met z'n verbouwing, en dan afweegt: nee, deze is net te lang, die te kort, die te dik. Hij ziet zijn half afgebouwde huis in zijn geestesoog voor zich en denkt: 'daar moet nog iets tussen', of 'daar kan nog iets bovenop, maar dat niet, dat is te lang, of te kort, of het past niet bij de rest. Of 'dat vindt mijn vrouw (of man) vast niet mooi'. Want hij wijst er meer af dan dat hij meeneemt. Of zij natuurlijk. Mijn merel-geslachts-determinatie is niet zo goed, hoewel ik me meen te herinneren dat je iets met de kleur van de snavel kunt. Misschien eens opzoeken op internet. Beide merels zijn blijkbaar ook even bouwkundig onderlegd. Tenminste vanuit mijn insvalshoek van achter het raam.
De volgende dag zit achter in de tuin, op de schutting, een splinternieuwe merel. Uit een ander nest natuurlijk. Z'n (of haar) zwarte veren glimmen prachtig in de zon. Z'n gele snavel is geler dan geel. Hij houdt z'n kop scheef en kijkt ergens naar. Iets dat zich boven hem in de boom lijkt te te bevinden. Ik vraag me af wat hij ziet, en hoe hij dat ziet. En wat de impact daarvan dan is, zeker als je pas uit het ei bent.
Een vogel heeft geen bewustzijn, kan niet nadenken over wat hij ziet. Hij is niet z'n brein. Of juist wel. Hij ziet het hier en nu. Het ene hier en nu schakelt zich aan het volgende. Zonder kennis van het verleden of van de toekomst. Het instinct als enige drijfveer. Het vage gevoel dat het misschien mis zou kunnen gaan. Of dat het eten zou kunnen opleveren. Of dat het zou kunnen passen in de verbouwing.
Het is een fascinerend schouwspel.
Labels:
Dieren,
Filosofie?,
Kijk op de wereld,
Verbeelding
dinsdag 2 april 2013
Zielig
Pasen. Het ideale moment om eens het veld in te trekken. Een frisse neus halen. Buitenlucht zoeken. Met een paar goede vrienden een rondje langs de IJssel, toch de mooiste rivier van Nederland, althans volgens Jac. P. Thijsse, natuurkenner en veldbioloog, die trouwens al lang dood is.
De weilanden zijn nog kaal. Een reiger staat zielig ergens in het niemandsland. Ik vind een reiger de meest trieste vogel die er bestaat. Als je een reiger ziet, staat hij meestal aan een slootkant. Ergens waar misschien ooit een kikker was, maar vandaag niet. Een reiger kijkt ook niet naar het water. Hij zoekt niet. Hij weet: hier is niets te halen. Maar toch staat hij daar, omdat hij weet: ik ben een reiger, en ik hoor bij een slootkant. Als een wrak op het autokerkhof, of een grensrechter bij een amateurwedstrijd. Het hoort erbij, maar je bent er liever niet. Soms staat een reiger midden in het weiland. Als een daad van verzet: "Ik kan ook in een weiland staan". Maar dat is even zielig. Ook daar is niets te halen.
Ik heb nog nooit een reiger iets zien vangen. Of iets zien eten. Reigers zijn ook altijd mager. Zien er uit alsof ze al jaren honger hebben. De onderkant van hun veren is gerafeld, als de dode punten van een blondje dat mooi zou kunnen zijn, als ze niet die dode punten had. Maar ze doet er niets aan, want ze weet niet van de schaar, of van mooi zijn. Blond is al mooi genoeg. Een reiger is de fallus van de triestheid, ongekroond potentieel koningsdagsymbool.
In de buurt van de reiger staat een bordje. Het bordje is goudkleurig en is voorzien van een inscriptie. "Aangeboden ter gelegenheid van het afscheid van burgemeester Blommenstein van Voorst". Niet dat de burgemeester van adel is, maar hij was burgemeester van de gemeente Voorst. Het bordje staat naast een boom, een zwarte populier. Ik herken geen bomen en zeker geen zwarte populier, maar ook dit feit staat op het bordje. Het is stil in het veld. De zwarte populier is een heel gewoon boompje. Het gouden bordje, midden in de weilanden, ver weg van de bewoonde wereld, doet vermoeden dat de burgemeester minder populair was dan het bordje en de populier willen doen geloven. Een gouden bordje met inscriptie voor een burgemeester, waarvan de bevolking liever geen gedenkteken had midden in het dorp.
Ongewild wordt dit fenomeen nog versterkt doordat boom en bordje zijn geplaatst op 15 meter afstand van een eeuwenoude eik, de enige boom die ik wel herken. Waarvan zelfs ik kan zien dat de ruime meter doorsnee en de welige takkenhoed duiden op een lang en deugdzaam leven. De eik staat daar statig en zegt niets, dringt zich niet op, heeft geen bordje: 'Kijk mij eens oud zijn en hier statig staan'. Dat heeft de eik niet nodig.
Ik weet het zeker, burgemeester Blommenstein moet de reiger onder de Voorster burgemeesters zijn geweest.
De weilanden zijn nog kaal. Een reiger staat zielig ergens in het niemandsland. Ik vind een reiger de meest trieste vogel die er bestaat. Als je een reiger ziet, staat hij meestal aan een slootkant. Ergens waar misschien ooit een kikker was, maar vandaag niet. Een reiger kijkt ook niet naar het water. Hij zoekt niet. Hij weet: hier is niets te halen. Maar toch staat hij daar, omdat hij weet: ik ben een reiger, en ik hoor bij een slootkant. Als een wrak op het autokerkhof, of een grensrechter bij een amateurwedstrijd. Het hoort erbij, maar je bent er liever niet. Soms staat een reiger midden in het weiland. Als een daad van verzet: "Ik kan ook in een weiland staan". Maar dat is even zielig. Ook daar is niets te halen.
Ik heb nog nooit een reiger iets zien vangen. Of iets zien eten. Reigers zijn ook altijd mager. Zien er uit alsof ze al jaren honger hebben. De onderkant van hun veren is gerafeld, als de dode punten van een blondje dat mooi zou kunnen zijn, als ze niet die dode punten had. Maar ze doet er niets aan, want ze weet niet van de schaar, of van mooi zijn. Blond is al mooi genoeg. Een reiger is de fallus van de triestheid, ongekroond potentieel koningsdagsymbool.
In de buurt van de reiger staat een bordje. Het bordje is goudkleurig en is voorzien van een inscriptie. "Aangeboden ter gelegenheid van het afscheid van burgemeester Blommenstein van Voorst". Niet dat de burgemeester van adel is, maar hij was burgemeester van de gemeente Voorst. Het bordje staat naast een boom, een zwarte populier. Ik herken geen bomen en zeker geen zwarte populier, maar ook dit feit staat op het bordje. Het is stil in het veld. De zwarte populier is een heel gewoon boompje. Het gouden bordje, midden in de weilanden, ver weg van de bewoonde wereld, doet vermoeden dat de burgemeester minder populair was dan het bordje en de populier willen doen geloven. Een gouden bordje met inscriptie voor een burgemeester, waarvan de bevolking liever geen gedenkteken had midden in het dorp.
Ongewild wordt dit fenomeen nog versterkt doordat boom en bordje zijn geplaatst op 15 meter afstand van een eeuwenoude eik, de enige boom die ik wel herken. Waarvan zelfs ik kan zien dat de ruime meter doorsnee en de welige takkenhoed duiden op een lang en deugdzaam leven. De eik staat daar statig en zegt niets, dringt zich niet op, heeft geen bordje: 'Kijk mij eens oud zijn en hier statig staan'. Dat heeft de eik niet nodig.
Ik weet het zeker, burgemeester Blommenstein moet de reiger onder de Voorster burgemeesters zijn geweest.
zondag 24 maart 2013
Domheid
In mijn boekenkast ben ik weer eens op zoek gegaan naar mijn meest geliefde encyclopedie. Hoe retro. Een papieren encyclopedie. Waar één tweet toe kan leiden, terwijl ik bij wijze van uitzondering eens twitterde. Ik citeerde Nietsche, of beter ik citeerde 'Wijze woorden', wie dat dan ook mag zijn, die ons Nietsche onder de aandacht bracht. Een vorm van 'schenkende liefde'.
Nietsche schijnt gezegd te hebben: "Het vergeten van het doel is de meest voorkomende vorm van domheid".
Ik moet onmiddellijk denken aan de lessen die ik regelmatig zie in basisscholen. Prachtige lessen vaak. Regelmatig komt het voor dat de leerkracht ergens halverwege kwijt raakt wat zij de leerlingen ook al weer aan het leren is. Dan neemt de activiteit het over, en wordt het gebruikte boek ('de methode') plotseling leidend in plaats van het doel. Vaak hebben de kinderen dat feilloos in de gaten. Ze reageren met wat de leerkracht noemt: "ongewenst gedrag". Waar gaat het mis? Is dit echte domheid? Ben je als je iets vergeet niet dom? Ben je het wel 'vergeten'? Is een bepaald soort vergeten niet juist de essentie van domheid?
Reacties op mijn tweet volgen: o.a. 'iets voor hele de mensheid misschien', 'niet erg, tijdelijk de weg kwijt' en ook 'als je iets vergeet ben je niet dom'.
Ik snap dat de definitie van domheid in het geding is. Bladerend in mijn favoriete encyclopedie stuit ik op mijn lievelingspassage:
"Een ridder bond de strijd aan met de Domheid, een monster waarvan geen signalement bekend was, alleen de naam en de plaats. Zwaar geharnast trok hij met geheven zwaard door het waterland. Hoe dichter hij de plaats naderde, hoe dieper zijn voeten wegzakten. Vlak voor hij verdween werd de stomverbaasde ridder omhelsd door het moeras" Uit: De Encyclopedie van de Domheid van Matthijs van Boxsel..
In potlood heb ik erbij geschreven: Misschien dacht hij wel: "hier moet het toch ergens zijn!".
Prachtig! Want wat is domheid? Domheid is niet een gebrek aan intelligentie. Dat juist niet. Domheid is niet voorbehouden aan niet- intelligente mensen. Domheid, iets doms doen, is juist iets wat iedereen overkomt. Domheid is iets wat je nooit vooraf kunt vaststellen. Achteraf, ja dat lukt:
- "Dat was een beetje dom", een gevleugelde Maximaiaanse uitspraak, die inmiddels onderdeel uitmaakt van de Nederlands- Argentijnse cultuur.
Je kunt domheid nooit voorkomen, domheid bestaat juist bij de gratie van dat je hebt geprobeerd te voorkomen en dat het toch gebeurt. Domheid is een grens die alleen wordt ontdekt als hij al is overschreden, op het moment dat je weg zakt in het moeras en weet: "hier ergens moet het zijn". Domheid is een zelfstandige eigenschap, waarvoor de één meer talent heeft dan de ander.
Van Boksel geeft prachtige voorbeelden. Domheid ontstaat niet door niet te denken, domheid ontstaat juist door na te denken! Twee mannen bouwen een huis onder aan een berg. Ze zagen boven op de berg bomen om en dragen die naar beneden naar de plaats waar het huis moet komen. Dan valt één van de bomen en rolt naar beneden. De mannen kijken met open mond naar deze oplossing. Dan dragen ze de bomen de berg weer op, om ze naar beneden te laten rollen. Een oplossing, die alleen kan ontstaan door na te denken!
Domheid is een taboe. We lachen om domheid, bij voorkeur de domheid van anderen. Strijd tegen domheid is onzinnig. Het toppunt van domheid is om niets meer te doen of te zeggen of te tweeten uit angst een domheid te begaan.
We kunnen onze eigen domheid nooit begrijpen, alleen achteraf vaststellen.We kunnen domheid dus ook niet voorkomen: we hebben nl. alle maatregel getroffen zodat er niets mis kan gaan. Dan pas zijn de omstandigheden voor domheid perfect!
Nietsche schijnt gezegd te hebben: "Het vergeten van het doel is de meest voorkomende vorm van domheid".
Ik moet onmiddellijk denken aan de lessen die ik regelmatig zie in basisscholen. Prachtige lessen vaak. Regelmatig komt het voor dat de leerkracht ergens halverwege kwijt raakt wat zij de leerlingen ook al weer aan het leren is. Dan neemt de activiteit het over, en wordt het gebruikte boek ('de methode') plotseling leidend in plaats van het doel. Vaak hebben de kinderen dat feilloos in de gaten. Ze reageren met wat de leerkracht noemt: "ongewenst gedrag". Waar gaat het mis? Is dit echte domheid? Ben je als je iets vergeet niet dom? Ben je het wel 'vergeten'? Is een bepaald soort vergeten niet juist de essentie van domheid?
Reacties op mijn tweet volgen: o.a. 'iets voor hele de mensheid misschien', 'niet erg, tijdelijk de weg kwijt' en ook 'als je iets vergeet ben je niet dom'.
Ik snap dat de definitie van domheid in het geding is. Bladerend in mijn favoriete encyclopedie stuit ik op mijn lievelingspassage:
"Een ridder bond de strijd aan met de Domheid, een monster waarvan geen signalement bekend was, alleen de naam en de plaats. Zwaar geharnast trok hij met geheven zwaard door het waterland. Hoe dichter hij de plaats naderde, hoe dieper zijn voeten wegzakten. Vlak voor hij verdween werd de stomverbaasde ridder omhelsd door het moeras" Uit: De Encyclopedie van de Domheid van Matthijs van Boxsel..
In potlood heb ik erbij geschreven: Misschien dacht hij wel: "hier moet het toch ergens zijn!".
Prachtig! Want wat is domheid? Domheid is niet een gebrek aan intelligentie. Dat juist niet. Domheid is niet voorbehouden aan niet- intelligente mensen. Domheid, iets doms doen, is juist iets wat iedereen overkomt. Domheid is iets wat je nooit vooraf kunt vaststellen. Achteraf, ja dat lukt:
- "Dat was een beetje dom", een gevleugelde Maximaiaanse uitspraak, die inmiddels onderdeel uitmaakt van de Nederlands- Argentijnse cultuur.
Je kunt domheid nooit voorkomen, domheid bestaat juist bij de gratie van dat je hebt geprobeerd te voorkomen en dat het toch gebeurt. Domheid is een grens die alleen wordt ontdekt als hij al is overschreden, op het moment dat je weg zakt in het moeras en weet: "hier ergens moet het zijn". Domheid is een zelfstandige eigenschap, waarvoor de één meer talent heeft dan de ander.
Van Boksel geeft prachtige voorbeelden. Domheid ontstaat niet door niet te denken, domheid ontstaat juist door na te denken! Twee mannen bouwen een huis onder aan een berg. Ze zagen boven op de berg bomen om en dragen die naar beneden naar de plaats waar het huis moet komen. Dan valt één van de bomen en rolt naar beneden. De mannen kijken met open mond naar deze oplossing. Dan dragen ze de bomen de berg weer op, om ze naar beneden te laten rollen. Een oplossing, die alleen kan ontstaan door na te denken!
Domheid is een taboe. We lachen om domheid, bij voorkeur de domheid van anderen. Strijd tegen domheid is onzinnig. Het toppunt van domheid is om niets meer te doen of te zeggen of te tweeten uit angst een domheid te begaan.
We kunnen onze eigen domheid nooit begrijpen, alleen achteraf vaststellen.We kunnen domheid dus ook niet voorkomen: we hebben nl. alle maatregel getroffen zodat er niets mis kan gaan. Dan pas zijn de omstandigheden voor domheid perfect!
maandag 25 februari 2013
Buiten spelen
Als ik het plein op komt miezert het. In een hoek van het plein, weg bij de anderen, maar dicht bij de ingang van de school staat een jongetje. Zielig hoopje mens is een overmatig euforische beschrijving van dit rillende kledingbaaltje met capuchon.
-"Mag je niet mee doen?" spreek ik mijn pedagogische tact aan.
Hij haalt 'n schouders op.
-"Plagen ze je?" pols ik verder.
Ik bereid me voor op een spontane bekentenis van zelfmoordplannen van een gepest element van de kinderschaar.
- "Ik wil naar binnen", hoor ik duidelijk uit de capuchon komen.
- "Maar kerel, dan ga je toch!"
Ik herinner me hoe ik als kind een grote hekel had aan buiten spelen in de pauze. Veel liever bleef ik binnen en ging lezen in een 'Kameleon', of schaken. Maar wij moesten naar buiten. 'Visnet' spelen, waar ik werd gekozen om met het dikste meisje van de klas, dat toch niet hard kon lopen, de anderen te vangen. Een hopeloze en vernederende activiteit, waarvan het hoofddoel toch leek dat klasgenoten je konden uitlachen. Ik ondernam pogingen binnen te blijven. Zonder succes.
- "Naar buiten in de pauze, dat is goed voor je", placht de meester te zeggen.
Wie heet dat bedacht? Waar staat dat? Volgens mij is het vooral goed voor de meester. En tegenwoordig blijkbaar ook voor de juffen. Want meesters zijn er niet meer.
-"We moeten buiten blijven", zegt het jongetje nog.
Ik heb met het ventje te doen. Heel soms kom ik een school tegen, waar je zelf mag weten of je naar buiten gaat. En de meesten gaan echt. Jammer dat het moet.
-"Mag je niet mee doen?" spreek ik mijn pedagogische tact aan.
Hij haalt 'n schouders op.
-"Plagen ze je?" pols ik verder.
Ik bereid me voor op een spontane bekentenis van zelfmoordplannen van een gepest element van de kinderschaar.
- "Ik wil naar binnen", hoor ik duidelijk uit de capuchon komen.
- "Maar kerel, dan ga je toch!"
Ik herinner me hoe ik als kind een grote hekel had aan buiten spelen in de pauze. Veel liever bleef ik binnen en ging lezen in een 'Kameleon', of schaken. Maar wij moesten naar buiten. 'Visnet' spelen, waar ik werd gekozen om met het dikste meisje van de klas, dat toch niet hard kon lopen, de anderen te vangen. Een hopeloze en vernederende activiteit, waarvan het hoofddoel toch leek dat klasgenoten je konden uitlachen. Ik ondernam pogingen binnen te blijven. Zonder succes.
- "Naar buiten in de pauze, dat is goed voor je", placht de meester te zeggen.
Wie heet dat bedacht? Waar staat dat? Volgens mij is het vooral goed voor de meester. En tegenwoordig blijkbaar ook voor de juffen. Want meesters zijn er niet meer.
-"We moeten buiten blijven", zegt het jongetje nog.
Ik heb met het ventje te doen. Heel soms kom ik een school tegen, waar je zelf mag weten of je naar buiten gaat. En de meesten gaan echt. Jammer dat het moet.
Labels:
Kijk op de wereld,
Onderwijs,
Verbeelding
zaterdag 2 februari 2013
De Dood
Dit is mijn laatste column voor radio Noordoostpolder. Daar waar de vorige keren de column bedoeld was als reflectie en overweging voor twee weken, moet deze column denkstof opleveren voor de rest van het leven van de luisteraars. Als die bestaan. Welk onderwerp leent zich beter voor een dergelijke opdracht dan de dood.
Gisteren heb ik één van mijn beste vrienden begraven. Hij was nog jong, en viel wandelend in het bos zo dood neer, zonder enige vooraankondiging. Ik ben verdrietig. Hanny Michaelis dichtte al eens:
Kohalzend wakker worden
Tussen de gestolde feiten
van gisteren en eergisteren
Opstaan, het licht trotserend
onder het oorverdovend
carrillon van herinneringen
Optornen tegen een geheugen
dat geen duimbreed wijkt
zo voelt het ongeveer. Hij was een vrolijk mens en leefde bij de dag. Hij genoot van ieder moment. En nu is hij er niet meer. Bij het nadenken over zijn verscheiden, moest ik denken aan de Chinese wijsgeer ZHuang Zi, die leefde rond 350 voor Christus.
Zhuang Zi's vrouw is overleden. Hui Zi komt hem condoleren. Zhuang Zi zat op de grond met gespreide benen op een vat te trommelen en te zingen. Hui Zi zei: "Zij heeft met je geleefd, je kinderen grootgebracht en is met je oud geworden. Nu haar lichaam gestorven is en je niet huilt, is dat tot daar aan toe. Maar op een vat trommelen en zingen, is dat niet een beetje teveel?"
Zo is het niet, zei Zhuang Zi. Toen ze stierf was ik natuurlijk verdrietig, net als ieder ander. Maar toen dacht ik na over haar begin, en hoe er oorspronkelijk geen geboorte bestaat en ook geen lichaam en ook geen levensenergie. In de duisternis (de aarde was toen nog woest en ledig) was alles verenigd. Eerst ontstond de levensenergie, van daaruit het lichaam en daarna werd ze geboren.
Nu is ze weer veranderd en is ze gestorven. Het is net als de lente, de zomer, de herfst en de winter, de cyclus van de jaargetijden. Nu slaapt ze rustig in de grote kamer van hemel en aarde. Stel dat ik haar nu achtervolg met misbaar en tranen, dan zou ze vinden dat ik niets heb begrepen van het lot. Dus ben ik daarmee opgehouden (Vrij naar Kristoffer Schipper).
Ik ken mensen die een kamer hebben ingericht voor iemand die is gestorven. Ze gaan er iedere dag kijken. Ze zijn bang de gestorvene te vergeten. Lichaam en geest van de achterblijvers dwingt hen om door te gaan. En dat zou in hun ogen respectloos zijn. Kijk daar eens anders naar: "Het leven gaat door", is geen cliché maar een lot waartoe ons lichaam, onze geest en ons bestaan ons dwingt, het is iets dat behoort tot de natuurlijke gang van zaken. Je kunt alleen je leven stil zetten, als je jezelf daartoe dwingt, als je je lichaam en geest daar toe dwingt. Het is tegennatuurlijk. Je hoeft niet bang te zijn dat je iemand die dood is vergeet, hij wordt onderdeel van je leven en je levende herinnering, tenzij je je leven stil zet.
Gisteren leefde hij nog. Toen was het goed. Vandaag is hij dood. Vandaag is het ook goed. De dagen zijn in zichzelf goed. Vandaag is niet slecht in zichzelf. Vandaag is alleen niet goed, als ik wil dat vandaag net zo is als gisteren. Dan heb ik een leven lang verdriet.
Deze column gaat verdwijnen. De Noordoostpolder wordt van een kans op nadenken beroofd. Het leven was goed met een column. Het leven is goed zonder column. Ik weet het zeker.
NB. Citaten uit het verzameld werk van Zhuang Zi, vertaald en toegelicht door Kristofer Schipper.
Gisteren heb ik één van mijn beste vrienden begraven. Hij was nog jong, en viel wandelend in het bos zo dood neer, zonder enige vooraankondiging. Ik ben verdrietig. Hanny Michaelis dichtte al eens:
Kohalzend wakker worden
Tussen de gestolde feiten
van gisteren en eergisteren
Opstaan, het licht trotserend
onder het oorverdovend
carrillon van herinneringen
Optornen tegen een geheugen
dat geen duimbreed wijkt
zo voelt het ongeveer. Hij was een vrolijk mens en leefde bij de dag. Hij genoot van ieder moment. En nu is hij er niet meer. Bij het nadenken over zijn verscheiden, moest ik denken aan de Chinese wijsgeer ZHuang Zi, die leefde rond 350 voor Christus.
Zhuang Zi's vrouw is overleden. Hui Zi komt hem condoleren. Zhuang Zi zat op de grond met gespreide benen op een vat te trommelen en te zingen. Hui Zi zei: "Zij heeft met je geleefd, je kinderen grootgebracht en is met je oud geworden. Nu haar lichaam gestorven is en je niet huilt, is dat tot daar aan toe. Maar op een vat trommelen en zingen, is dat niet een beetje teveel?"
Zo is het niet, zei Zhuang Zi. Toen ze stierf was ik natuurlijk verdrietig, net als ieder ander. Maar toen dacht ik na over haar begin, en hoe er oorspronkelijk geen geboorte bestaat en ook geen lichaam en ook geen levensenergie. In de duisternis (de aarde was toen nog woest en ledig) was alles verenigd. Eerst ontstond de levensenergie, van daaruit het lichaam en daarna werd ze geboren.
Nu is ze weer veranderd en is ze gestorven. Het is net als de lente, de zomer, de herfst en de winter, de cyclus van de jaargetijden. Nu slaapt ze rustig in de grote kamer van hemel en aarde. Stel dat ik haar nu achtervolg met misbaar en tranen, dan zou ze vinden dat ik niets heb begrepen van het lot. Dus ben ik daarmee opgehouden (Vrij naar Kristoffer Schipper).
Ik ken mensen die een kamer hebben ingericht voor iemand die is gestorven. Ze gaan er iedere dag kijken. Ze zijn bang de gestorvene te vergeten. Lichaam en geest van de achterblijvers dwingt hen om door te gaan. En dat zou in hun ogen respectloos zijn. Kijk daar eens anders naar: "Het leven gaat door", is geen cliché maar een lot waartoe ons lichaam, onze geest en ons bestaan ons dwingt, het is iets dat behoort tot de natuurlijke gang van zaken. Je kunt alleen je leven stil zetten, als je jezelf daartoe dwingt, als je je lichaam en geest daar toe dwingt. Het is tegennatuurlijk. Je hoeft niet bang te zijn dat je iemand die dood is vergeet, hij wordt onderdeel van je leven en je levende herinnering, tenzij je je leven stil zet.
Gisteren leefde hij nog. Toen was het goed. Vandaag is hij dood. Vandaag is het ook goed. De dagen zijn in zichzelf goed. Vandaag is niet slecht in zichzelf. Vandaag is alleen niet goed, als ik wil dat vandaag net zo is als gisteren. Dan heb ik een leven lang verdriet.
Deze column gaat verdwijnen. De Noordoostpolder wordt van een kans op nadenken beroofd. Het leven was goed met een column. Het leven is goed zonder column. Ik weet het zeker.
NB. Citaten uit het verzameld werk van Zhuang Zi, vertaald en toegelicht door Kristofer Schipper.
zondag 20 januari 2013
Boete (Doen)
Wij gingen thuis nooit met vakantie.
Mijn vader was boer en moest iedere dag melken. Personeel hadden we niet. Dus
bleven we thuis. In zo'n situatie is zes weken zomervakantie best lang. Dus
bedachten we van alles. En toen één van mijn vriendjes een racefiets kreeg was
het plan snel geboren: We gingen een wielerronde organiseren.
Neefjes en nichtjes werden opgetrommeld en ploegen werden
geformeerd. Etappes werden uitgezet en finishlijnen getrokken. En we moesten
allemaal een naam, een echte wielernaam en een rugnummer. Maar toen kon het ook
beginnen. Ik was Walter Goodefroot. Goodefroot was een gerenommeerd sprinter,
en ik was zeker even goed. De eerste etappe was kort en eindigde in een
massasprint. Dat was ook de bedoeling. Want wij wisten: de eerste etappe is
voor de sprinters. Ik werd tweede.
Een groot probleem was hoe we er voor konden zorgen dat de uitslag
werd bepaald door wie de sterkste fietser was, en niet door wie het beste
materiaal had. Mijn vriendje met de racefiets was zo sterk in het voordeel dat
wij eigenlijk niet mee wilden doen. Of iedereen zou eigenlijk een dag op
zijn racefiets mogen rijden. Maar daar was hij niet voor. Er waren veel meer
verschillen. Sommige deelnemers hadden versnellingen, en andere niet. Sommigen
hadden fietstassen, andere niet. Uiteindelijk vonden we een compromis: Je moest
aan het begin van de etappe zeggen welke versnelling je zou gebruiken en je
mocht dan de hele etappe niet schakelen. Iedereen stemde in. Oncontroleerbaar,
en gebaseerd op vertrouwen.
Uiteindelijk won mijn vriendje met de racefiets. Zou hij echt
nooit even hebben geschakeld, als hij alleen op kop lag en wind mee had? Of
misschien zelfs waar wij bij waren, want konden wij het verschil zien tussen
een tandje meer of minder? Wij geloofden er niets van. Maar hij was nooit
betrapt, daar ging het om.
Vorige week moest ik met 7 collega's naar Groningen. We gingen in
twee auto's. Alleen maar snelweg. We rekenden uit dat als we ons steeds aan de
maximumsnelheid hielden, we er om 09.00 uur zouden zijn. Uiteindelijk was ik er
bijna 10 minuten eerder dan mijn collega in de andere auto.
- "Je hebt veel te hard gereden" zeiden de anderen. Ik
ontkende stellig. Ik kan me dat niet herinneren, en ik rijd nooit te hard. Maar
de collega's in de andere auto, wisten zeker dat zij steeds precies de
maximumsnelheid hadden aangehouden. En ik was er veel eerder, dus ik moest wel
te hard hebben gereden.
Al snel blijkt dat de collega's bij mij in de auto bereid zijn de
Judas uit te hangen. Zij weten en hebben gezien dat ik te hard heb gereden. Ik
blijf ontkennen. Maar zij houden vol. Een kennis arriveert. Ik blijk hem te
hebben ingehaald.
- "Jij reed hard zeg". Ik zwijg. Wat moet ik zeggen? De
hele wereld is tegen mij.
Als ik diep nadenk, weet ik eigenlijk wel dat ik zo nu en dan de
meter wel even op 160 heb zien staan. Maar alleen bij het inhalen, en niet
omdat ik haast had. Uiteindelijk geef ik maar toe. Oke, misschien heb ik even te
hard gereden. Eén vraag blijft er over: mag de
politie mij nu ook een bekeuring sturen?
Lance Armstrong heeft doping gebruikt. In het wielrennen was afgesproken
dat niet te doen, maar iedereen deed het, behalve een paar naïevelingen. En als
je niet werd betrapt, kwam je ermee weg. Lance is nooit betrapt. Is Lance z’n bedrog daarmee
anders dan dat van mijn vriendje met de racefiets?
Lance
moet z'n bronzen medaille van de tijdrit in Sydney inleveren. Weet je wie daar
goud en zilver wonnen? Ekimov en Uhlrich. Twee andere notoire gebruikers.
Waarom dan nu één zondebok? De ongelooflijk hypocriete morele verontwaardiging
die nu door de wielerwereld golft staat me tegen. Lance was de sterkste. Jammer
dat hij doping heeft gebruikt. Maar een bekeuring hoeft hij van mij niet te
verwachten.
zaterdag 5 januari 2013
GELUKKIG NIEUWJAAR!
Gelukkig Nieuwjaar! In Friesland bestaat een traditie dat je
het nieuwjaarswensen moet ‘afwinnen’. Dat betekent dat je de eerste moet zijn,
die ‘Gelukkig Nieuwjaar’ zegt. Als je dat lukt dan is dat krachtiger, dan als
je dat niet doet. Ik doe dat nog steeds met mijn ouders, maar we deden het
vroeger ook met mijn oma. Die was jarig op 3 januari. Als we daar heen gingen
parkeerden we normaal gesproken bij haar voor de deur. Maar op 3 januari zetten
we de auto in een andere straat, en slopen we naar haar huis. Dan konden we stiekem
via de achterdeur binnenkomen en heel hard ‘Gelukkig Nieuwjaar’ roepen, in het
Fries natuurlijk, dan hadden wij het ‘afgewonnen’.
Dit is de eerste column in een nieuw jaar. En dus moet ik
u van harte een gelukkig , gezegend en vooral gezond Nieuwjaar wensen. Ik zeg
moet, want als ik dat niet doe, is dat natuurlijk verschrikkelijk, niet netjes
en onbehoorlijk. En ik meen het ook van harte hoor, die beste wensen. Al heb ik
maar een zeer beperkt idee van tegen wie ik het heb.
Mocht u toevallig van criminele huize zijn en dit stukje
lezen, wat ik me van criminelen trouwens helemaal niet voor kan stellen, dan
wens ik u toe dat u dit jaar snel dood gaat, weinig succes hebt en uw trekken
thuis krijgt. Maar als u heel zielig brood steelt, omdat u anders uw
kindertjes niet te eten kunt geven, wens ik u wel weer meer inkomen toe, en
moet u me die tirade over doodgaan maar weer vergeven.
Wat heeft u gedaan met oudjaar? Spelletjes met de kinderen,
of ben je naar een groot feest geweest? Heeft u gevulde eieren gegeten en
augurken met ham, of heb je teveel gezopen en een bushokje in elkaar getrimd?
Heeft u een sterretje aan gestoken met de kleinkinderen, die om 12 uur nog even uit bed mochten
komen, of heb je met je illegale vuurwerk een vuilnisbak opgeblazen en iemand een pijl in z’n
oog geschoten? Had-ie maar beter moeten opletten? Het maakt allemaal niet uit,
ik wens u allemaal toch een gelukkig Nieuwjaar.
Ik heb het moeilijk met al die wensen. Eigenlijk vooral
omdat de echt gemeende wensen zo niet zo goed tot hun recht komen. Ik heb kleine trucjes bij mijn wensgedrag. Ik
wacht tot de ander wat zegt en zeg dan wat anders, bijv. als de ander gelukkig
Nieuwjaar zegt, dan zeg ik: "de beste wensen", of "veel gezondheid". Begint de ander met
beste wensen, kan ik Gelukkig Nieuwjaar zeggen. Het is niets, maar als je mij kent,
toch een kleine indicatie. Soms wil ik dat het nog echter is. Bijv. bij goede
kennissen van de schaakclub. Dan zeg ik: Dat je maar veel mag winnen, behalve
van mij natuurlijk”. Zoiets, iets wat je echt meent.
Je kunt een hiërarchie maken in nieuwjaarswensen. De beste zijn natuurlijk de persoonlijke wensen, vooral die om 12 uur ’s nachts. De wensen met
je geliefden, de wensen die je meent. De wens in de fysieke nabijheid.
Dan komen de wensen per telefoon, je belt op, midden in de
nacht en wenst een vriend of familielid alle goeds dat hij of zij verdient.
Dan komen de nieuwjaarswens per kaart. Die zijn duidelijk hoger
dan die per SMS of WhatsApp, want je moet er aanzienlijk meer moeite voor doen.
Dan komen de SMS’ en, en andere elektronische wensen en dan de kaartjes die je
nog verstuurt nadat je een kaartje van iemand hebt gekregen en denkt: “Shit, die
zijn we vergeten”.
En dan komen de rituele nieuwjaarswensen. Dat begint al met
de fysieke wensen op straat ’s nachts, voor de buren en vooral aan de mensen die op visite zijn bij de buren
en die je niet eens kent. De nieuwjaarswens, die je roept vanaf de fiets tegen een
vage kennis, als je hem op straat tegen komt. De wensen waar je niet om heen
kunt, de rituele wensen.
Maar de ergste moeten nog komen. Maandag is het weer zover.
De wensen aan de collega’s. En nog erger, die waar je collega’s bij gaat zoenen. De wens
voor de collega, waarmee je al liever niet samen wérkt, laat staan dat je die
wilt zoenen. Ik heb mijn moeder nog nooit gezoend, en dat doen we ook nu nog
niet met oud en nieuw of met verjaardagen, of als we de dood ontmoeten, waarom moet ik die collega’s dan wel zoenen?
Waarom die collega dat trouwens wel wil, is mij meestal een groot raadsel, maar als je hem
of haar in de verte ziet aankomen, weet je het al: dat wordt nattigheid!
Ik heb al diverse strategieën ontwikkeld. Bij voorkeur kom
ik heel vroeg. Als ik als eerste ben, moeten de anderen bij mij langs komen, en
kan ik doen alsof ik al druk aan het werk ben. Maar ook veel later komen is een optie of thuis werken, één
van de mooie verworvenheden van de digitale samenleving.
Als ik niet wil zoenen houd ik mijn arm een beetje stijf,
maar als zij echt wil, is er geen houden aan. Soms vind ik het wel prettig om
te zoenen, maar ik neem nooit het initiatief. Ik wacht wat zij doet. Met de ‘hijen’
die willen zoenen weet ik als man al helemaal niet wat ik aan moet.
Al met al kan ik maar één echte wens bedenken voor u als
lezer: Ik wens u veel welgemeende wensen toe!
Labels:
Kijk op de wereld,
Nieuwjaarswens,
Verbeelding
zaterdag 10 november 2012
Niet zeuren
De eerste auto van mijn ouders was een Skoda. Ik vertel het met tegenzin. Het was niet bepaald iets waaraan wij als kinderen veel status konden ontlenen, zeker niet aan de Skoda van 1970. Die Skoda moest regelmatig naar de garage. Want dat had je met een Skoda. En de garage vond het geen probleem.
Nog steeds niet trouwens.
Inmiddels heeft mijn vader een VW Bora. En nog steeds gaat hij naar dezelfde garage. En nog steeds werkt daar dezelfde monteur. Bijna met pensioen. De Bora van nu lijkt in niets op de Skoda van toen. Toch blijkt het repararen van het nieuwe vehikel voor de monteur op leeftijd geen enkel probleem. Hij schoolt zich bij, en hij heeft lol in z'n vak. Van 's morgens acht tot 's avonds 6. En zonder ooit langer dan een week met vakantie te gaan. Nooit zeurt hij over de uren die hij moet maken. Als je 's morgens om 08.00 uur komt is hij er al. En als je 's middags om vijf voor zes komt wil hij je nog steeds helpen. Zonder één spoor van ergernis. Met altijd een glimlach. Wat een feest!
Het wordt hoog tijd dat ik het eens heb over het onderwijs. Onderwijs is in Nederland het allerbelangrijkste wat er is. Dat blijkt uit het feit dat het het enige is waar in een tijd van crisis niet op wordt bezuinigd. Nou ja, het enige waarvan wordt gezegd dat er niet op wordt bezuinigd. Van andere dingen kun je dat wel luidop zeggen. Je kijkt er een beetje ernstig bij en zegt dan iets als:
'-"In tijden van crisis blijft natuurlijk niemand en niets gespaard, iedereen gaat het merken".
En vervolgens pak je een miljard af van de armsten op de wereld, je laat zieken en gehandicapten hun eigen euthanasie betalen, vrijwillig of je geeft ze gewoon geen medicijnen meer, je pakt de mensen met de middeninkomens al hun pleziertjes af en je verwacht luid gejuich. Want het is immers crisis. En in tijden van crisis is alles geoorloofd. Maar van het onderwijs blijf je af.
Het heeft allemaal mijn sympathie, als er ook iets voor zou worden terug verwacht vanuit het onderwijs. Bijv. iets meer openheid over de werkdruk. En de redenen van het gepraat (sommigen zegen: gezeur) daar over. Heeft u enig idee hoe druk onderwijzers het hebben? Ik zal het u uitleggen.
Een onderwijzer heeft een 36 urige werkweek en in totaal 6 weken vakantie alles mee gerekend. Daar kijkt u van op he? Zes weken vakantie. Geen twaalf. In de CAO van iedere onderwijzer staat dat zij (want mannen zijn er niet meer in het basisonderwijs) 1659 uur moet werken per jaar. Dat is een belangrijk getal. Onthoud dat: 1659 uur per jaar. 46 weken van ruim 36 uur dat is 1659 uur. De meesten van ons werken iets meer uren, 1750 of nog meer, maar onderwijzer is een zwaar vak. Dus 1659 in het onderwijs is echt afzien. Niemand van ons misgunt de mensen die de toekomst van het land iedere dag kneden, hun vrije tijd.
De kinderen komen ongeveer 1000 uur naar school. Iets minder nog. Een onderwijzer heeft dus ongeveer 650 uur tijd voor het voorbereiden van de lessen, voor gesprekken met u en mij over onze kinderen, voor bijscholing en voor het mee doen aan de avondvierdaagse of de kerstviering of het schoonwassen van het kleutermateriaal. Waar zit dan het probleem? Dat zit in het de manier waarop scholen dit werk organiseren. De kinderen komen 1000 uur naar school verdeeld over ongeveer 40 weken. En onderwijzers willen graag vrij zijn in de weken dat de kinderen niet naar school komen. Dat zijn die 12 weken per jaar. En dus plannen ze al hun werk in die 40 weken dat de kinderen komen. Ook de extra dingen die gemakkelijk in die andere weken zouden kunnen als verplichte nascholing.
Even een hoofdrekenopgave. Hoeveel is 1659 gedeeld door 40? Ook als je niet zo goed bent in hoofdrekenen, weet je meteen dat daar minstens 40 uit komt en de meesten van ons zien zelfs dat dat meer dan 41 is. Om dus de 36 urige werkweek te maken in 40 weken moet je 41 uur per week werken. Nog een keer: Om alle uren van 46 weken met een 36 urige werkweek te kunnen maken in 40 weken (de weken dat de kinderen naar school komen) moet je 41 uur per week werken in die 40 weken. Voor een parttimer is de situatie nog moeilijker. Als je zestiende werkt moet je 4 dagen beschikbaar zijn. Dus niet drie wat veel parttimers denken: zestiende van 5 dagen is immers 3 dagen.
Onderwijzeres is het belangrijkste vak in onze maatschappij. Iedereen kan nog wel iets vertellen over een juf, meester, leraar of lerares die hij heeft gehad. Mooie verhalen over vormend gedrag van vakbekwame pedagogen. Daar moeten we vooral niet op bezuinigen. Die gunnen we hun 12 weken vakantie. Maar alleen als ze tussendoor hard werken en niet zeuren. Dat hoort ook bij de crisis. Dat weet de monteur van mijn vader. Daar kan het onderwijs nog wat van leren.
Nog steeds niet trouwens.
Inmiddels heeft mijn vader een VW Bora. En nog steeds gaat hij naar dezelfde garage. En nog steeds werkt daar dezelfde monteur. Bijna met pensioen. De Bora van nu lijkt in niets op de Skoda van toen. Toch blijkt het repararen van het nieuwe vehikel voor de monteur op leeftijd geen enkel probleem. Hij schoolt zich bij, en hij heeft lol in z'n vak. Van 's morgens acht tot 's avonds 6. En zonder ooit langer dan een week met vakantie te gaan. Nooit zeurt hij over de uren die hij moet maken. Als je 's morgens om 08.00 uur komt is hij er al. En als je 's middags om vijf voor zes komt wil hij je nog steeds helpen. Zonder één spoor van ergernis. Met altijd een glimlach. Wat een feest!
Het wordt hoog tijd dat ik het eens heb over het onderwijs. Onderwijs is in Nederland het allerbelangrijkste wat er is. Dat blijkt uit het feit dat het het enige is waar in een tijd van crisis niet op wordt bezuinigd. Nou ja, het enige waarvan wordt gezegd dat er niet op wordt bezuinigd. Van andere dingen kun je dat wel luidop zeggen. Je kijkt er een beetje ernstig bij en zegt dan iets als:
'-"In tijden van crisis blijft natuurlijk niemand en niets gespaard, iedereen gaat het merken".
En vervolgens pak je een miljard af van de armsten op de wereld, je laat zieken en gehandicapten hun eigen euthanasie betalen, vrijwillig of je geeft ze gewoon geen medicijnen meer, je pakt de mensen met de middeninkomens al hun pleziertjes af en je verwacht luid gejuich. Want het is immers crisis. En in tijden van crisis is alles geoorloofd. Maar van het onderwijs blijf je af.
Het heeft allemaal mijn sympathie, als er ook iets voor zou worden terug verwacht vanuit het onderwijs. Bijv. iets meer openheid over de werkdruk. En de redenen van het gepraat (sommigen zegen: gezeur) daar over. Heeft u enig idee hoe druk onderwijzers het hebben? Ik zal het u uitleggen.
Een onderwijzer heeft een 36 urige werkweek en in totaal 6 weken vakantie alles mee gerekend. Daar kijkt u van op he? Zes weken vakantie. Geen twaalf. In de CAO van iedere onderwijzer staat dat zij (want mannen zijn er niet meer in het basisonderwijs) 1659 uur moet werken per jaar. Dat is een belangrijk getal. Onthoud dat: 1659 uur per jaar. 46 weken van ruim 36 uur dat is 1659 uur. De meesten van ons werken iets meer uren, 1750 of nog meer, maar onderwijzer is een zwaar vak. Dus 1659 in het onderwijs is echt afzien. Niemand van ons misgunt de mensen die de toekomst van het land iedere dag kneden, hun vrije tijd.
De kinderen komen ongeveer 1000 uur naar school. Iets minder nog. Een onderwijzer heeft dus ongeveer 650 uur tijd voor het voorbereiden van de lessen, voor gesprekken met u en mij over onze kinderen, voor bijscholing en voor het mee doen aan de avondvierdaagse of de kerstviering of het schoonwassen van het kleutermateriaal. Waar zit dan het probleem? Dat zit in het de manier waarop scholen dit werk organiseren. De kinderen komen 1000 uur naar school verdeeld over ongeveer 40 weken. En onderwijzers willen graag vrij zijn in de weken dat de kinderen niet naar school komen. Dat zijn die 12 weken per jaar. En dus plannen ze al hun werk in die 40 weken dat de kinderen komen. Ook de extra dingen die gemakkelijk in die andere weken zouden kunnen als verplichte nascholing.
Even een hoofdrekenopgave. Hoeveel is 1659 gedeeld door 40? Ook als je niet zo goed bent in hoofdrekenen, weet je meteen dat daar minstens 40 uit komt en de meesten van ons zien zelfs dat dat meer dan 41 is. Om dus de 36 urige werkweek te maken in 40 weken moet je 41 uur per week werken. Nog een keer: Om alle uren van 46 weken met een 36 urige werkweek te kunnen maken in 40 weken (de weken dat de kinderen naar school komen) moet je 41 uur per week werken in die 40 weken. Voor een parttimer is de situatie nog moeilijker. Als je zestiende werkt moet je 4 dagen beschikbaar zijn. Dus niet drie wat veel parttimers denken: zestiende van 5 dagen is immers 3 dagen.
Onderwijzeres is het belangrijkste vak in onze maatschappij. Iedereen kan nog wel iets vertellen over een juf, meester, leraar of lerares die hij heeft gehad. Mooie verhalen over vormend gedrag van vakbekwame pedagogen. Daar moeten we vooral niet op bezuinigen. Die gunnen we hun 12 weken vakantie. Maar alleen als ze tussendoor hard werken en niet zeuren. Dat hoort ook bij de crisis. Dat weet de monteur van mijn vader. Daar kan het onderwijs nog wat van leren.
vrijdag 5 oktober 2012
Dierendag
Toen ik klein was hadden wij thuis een kat. En een hond. En koeien en schapen. En een paard. De koeien en de schapen waren belangrijk. Want dat was ons inkomen. En het paard. Want dat was onze tractor. De kat en de hond waren minder belangrijk. Dat was óns speelgoed. Dat waren mee-eters. En dat deden ze ook. Ze kregen de restjes van wat wij over lieten. Wij zorgden dat we wat over lieten. Zo was alles goed geregeld.
Op een dag was de kat ziek. 'Kattenziekte'. Het woord had bij ons thuis de onvermijdelijke klank van de dood. Kattenziekte, dat kwam nooit meer goed. Ik was acht. Ik had geen idee wat kattenziekte was. Maar het concept van een bijna dode kat was helder. Maar niet dramatisch. We hadden soms dode kalfjes en dode koeien. Nu een bijna dode kat.
Er was nog één kans. Samen met mijn vader gingen we naar de stal. Ik moest de kat beet houden. Mijn vader droeg de bijl. Mijn broertje moest ook mee helpen. Die hield de staart vast. Met een ferme zwaai hakte mijn vader ongeveer 5 centimeter van de staart.
- 'Het moet wel in het leven', placht mijn vader te zeggen.
Wij wisten niet wat dat was: 'het leven'. Maar het was belangrijk: in 'het leven'.
Wij konden de kat niet meer houden. Die verdween met een kreet door de staldeur naar buiten.
- "Misschien wordt hij beter" zei mijn vader.
We hadden goed gedaan. Het beste voor de kat. En de kat mocht best blijven leven.
Verder werd er niet gesproken.
Drie dagen later was de kat terug. Hongerig maar gezond.
Achteraf weet ik nu dat dat 'aderlaten' heet.
Ik zit in de kantine. Het is 4 oktober.
- 'Wat heeft jouw hond gehad voor dierendag', lispelt een collega.
- 'Een kat' riposteert een niet aangesproken bijzitter.
- 'Toch niet voor die kat een muis had gehad' lolt een derde.
Langzaam wordt de kringloop der natuur met meer dieren verder gesloten.
Op dezelfde dierendag wordt bekend dat er 10 miljoen extra subsidie beschikbaar komt voor megastallen. De bio-industrie verzorgt haar eigen groei. Dankzij die 10 miljoen kan iedere kip ipv 12 vierkante centimeter er nu 14 krijgen. Dat komt het dierenwelzijn enorm ten goede. En maakt de bio-industrie enorm diervriendelijk. Zegt een kippenhouder.
Op de radio zeurt ene Erno Eskens over dierenrechten. Hij stelt notabene voor in de tweede kamer iemand aan te stellen die de rechten van de dieren komt vertegenwoordigen. De filosoof Coen Simon heeft er in zijn boek: "En toen wisten wij alles', terecht op gewezen dat het geven van rechten aan dieren volkomen onzinnig is. De dier is natuur. Netjes omgaan met de natuur is de verantwoordelijkheid van de mens. Het dier is een spiegel van de mooie en minder mooie kanten van de mens. Soms is het verschil tussen dier en baasje niet te zien.
Sinds de mens rechtop is gaan lopen, kan het dierenrijk alleen nog bestaan als de mens zichzelf en zijn omgeving reguleert. Dat blijkt ook als er deze week wat dierendilemma's worden aangedragen:
- Ganzen bij Schiphol: vergassen of niet? Hoeveel doden zijn de ganzen waard?
- Vanaf 3 miljoen ganzen kunnen boeren in Nederland niet meer bestaan. Waar is de grens?
- Zielige zeehonden hoeven niet meer in Pieterburen te worden beschermd, de natuur kan haar gang gaan.
- Wolven terug in Nederland: schapen en honden opgepast!
- Grote grazers in de Oostvaardersplassen, er zijn er veel te veel: afschieten of laten verhongeren?
- Of misschien wat mensen afschieten voor een groter leefgebied?
Stadsmensen hebben een andere opvatting dan plattelanders als het gaat om zaken van de natuur.
De dierenambulance in Zwolle opende deze week een rouwcentrum. Wethouder van As verrichte de officiële opening. Op een foto in het plaatselijke suffertje huilt een mevrouw bij een pluchen beer, naast het kistje van haar Cavia. Mijn suffertje kan nog net dienst doen als kotsbakje.
Mijn biefstuk suddert in de pan. Ik weet het zeker: De mens is ieder gevoel voor verhouding met de natuur en in de omgang met het dier kwijt geraakt.
NB. Deze column was in sterk verkorte vorm te horen op radio Noordoostpolder op zaterdag 6 oktober in het programma 'On the radio'.
Op een dag was de kat ziek. 'Kattenziekte'. Het woord had bij ons thuis de onvermijdelijke klank van de dood. Kattenziekte, dat kwam nooit meer goed. Ik was acht. Ik had geen idee wat kattenziekte was. Maar het concept van een bijna dode kat was helder. Maar niet dramatisch. We hadden soms dode kalfjes en dode koeien. Nu een bijna dode kat.
Er was nog één kans. Samen met mijn vader gingen we naar de stal. Ik moest de kat beet houden. Mijn vader droeg de bijl. Mijn broertje moest ook mee helpen. Die hield de staart vast. Met een ferme zwaai hakte mijn vader ongeveer 5 centimeter van de staart.
- 'Het moet wel in het leven', placht mijn vader te zeggen.
Wij wisten niet wat dat was: 'het leven'. Maar het was belangrijk: in 'het leven'.
Wij konden de kat niet meer houden. Die verdween met een kreet door de staldeur naar buiten.
- "Misschien wordt hij beter" zei mijn vader.
We hadden goed gedaan. Het beste voor de kat. En de kat mocht best blijven leven.
Verder werd er niet gesproken.
Drie dagen later was de kat terug. Hongerig maar gezond.
Achteraf weet ik nu dat dat 'aderlaten' heet.
Ik zit in de kantine. Het is 4 oktober.
- 'Wat heeft jouw hond gehad voor dierendag', lispelt een collega.
- 'Een kat' riposteert een niet aangesproken bijzitter.
- 'Toch niet voor die kat een muis had gehad' lolt een derde.
Langzaam wordt de kringloop der natuur met meer dieren verder gesloten.
Op dezelfde dierendag wordt bekend dat er 10 miljoen extra subsidie beschikbaar komt voor megastallen. De bio-industrie verzorgt haar eigen groei. Dankzij die 10 miljoen kan iedere kip ipv 12 vierkante centimeter er nu 14 krijgen. Dat komt het dierenwelzijn enorm ten goede. En maakt de bio-industrie enorm diervriendelijk. Zegt een kippenhouder.
Op de radio zeurt ene Erno Eskens over dierenrechten. Hij stelt notabene voor in de tweede kamer iemand aan te stellen die de rechten van de dieren komt vertegenwoordigen. De filosoof Coen Simon heeft er in zijn boek: "En toen wisten wij alles', terecht op gewezen dat het geven van rechten aan dieren volkomen onzinnig is. De dier is natuur. Netjes omgaan met de natuur is de verantwoordelijkheid van de mens. Het dier is een spiegel van de mooie en minder mooie kanten van de mens. Soms is het verschil tussen dier en baasje niet te zien.
Sinds de mens rechtop is gaan lopen, kan het dierenrijk alleen nog bestaan als de mens zichzelf en zijn omgeving reguleert. Dat blijkt ook als er deze week wat dierendilemma's worden aangedragen:
- Ganzen bij Schiphol: vergassen of niet? Hoeveel doden zijn de ganzen waard?
- Vanaf 3 miljoen ganzen kunnen boeren in Nederland niet meer bestaan. Waar is de grens?
- Zielige zeehonden hoeven niet meer in Pieterburen te worden beschermd, de natuur kan haar gang gaan.
- Wolven terug in Nederland: schapen en honden opgepast!
- Grote grazers in de Oostvaardersplassen, er zijn er veel te veel: afschieten of laten verhongeren?
- Of misschien wat mensen afschieten voor een groter leefgebied?
Stadsmensen hebben een andere opvatting dan plattelanders als het gaat om zaken van de natuur.
De dierenambulance in Zwolle opende deze week een rouwcentrum. Wethouder van As verrichte de officiële opening. Op een foto in het plaatselijke suffertje huilt een mevrouw bij een pluchen beer, naast het kistje van haar Cavia. Mijn suffertje kan nog net dienst doen als kotsbakje.
Mijn biefstuk suddert in de pan. Ik weet het zeker: De mens is ieder gevoel voor verhouding met de natuur en in de omgang met het dier kwijt geraakt.
NB. Deze column was in sterk verkorte vorm te horen op radio Noordoostpolder op zaterdag 6 oktober in het programma 'On the radio'.
vrijdag 27 juli 2012
Eventuele overlijdensdatum: ..............
Mijn dochter belde. In een formulier dat ze moet invullen, wordt gevraagd naar het sociaal verzekeringsnummer van haar ouders, en hun 'eventuele overlijdensdatum'. Omdat ik in de stad loop, en niet meteen het antwoord weet, beloof ik haar terug te bellen of z.s.m. te mailen. Als ze heeft opgehangen, realiseer ik mij pas ten volle het bizarre van haar vraag. Al lopend probeer ik een antwoord te vinden.
Mijn vrouw is ziek. Ze heeft een virusinfectie. Kenmerk van dat virus is dat het gepaard kan gaan met leverfalen. 'Hetgeen de dood ten gevolge kan hebben', vermeldt de zelfdiagnosesite op internet vrolijk. Omdat het virus ook 'zeer besmettelijk' is, moet het mij niet al te veel moeite kosten dat virus ook op de doen. Onze gezamenlijke overlijdensdata kunnen dan worden voorzien, waarschijnlijk ergens in januari.
Het hele scenario heeft wel meerdere zwakke kanten. Allereerst gaat het met mijn vrouw al weer wat beter en lijkt haar dood nog ver weg. Daarnaast vraagt de hele opzet dat ik min of meer actief onderdeel ga uitmaken van deze gang van zaken, waar ik nog niet aan toe ben, alleen om een formulier ter wille te zijn. Ook veronderstelt het dat mijn weerstand zodanig afneemt dat het virus ook bij mij een kans krijgt, één van de voorwaarden voor het actief worden van de ziektekiemen.
Nee, ik denk dat ik op zoek moet naar een moment waarop mijn vrouw en ik samen iets gevaarlijks gaan ondernemen. Helaas zijn we net veilig terug van een weekje Rome. Twee kansen om bij de landing van het vliegtuig neer te storten zijn daarmee in rook opgegaan. Een volgende vliegreis is nog niet gepland. Ook onze vakantieplannen herbergen, naast deelname aan het verkeer, geen levensbedreigende activiteiten.
In dat verkeer ligt natuurlijk de onzekere factor. Elke dag de laatste zijn. Ik denk dat ik dat maar ga mailen.
zondag 8 juli 2012
Discriminatie
Het jaarlijks buurtfeest is dit jaar aanleiding voor een zaterdagse kanotocht. Met de goede buur in plaats van de verre vriend in een bootje. Kanoën of kajakken. Kajakken dus. Gelukkig staat het verschil net op tijd in mijn zaterdagkrant. "Hoe overleef ik een kanotocht". Toeval? Als God knipoogt moet je wel omhoog kijken.
Als we na een rondje Weerribben weer op het terras van de kajakverhuurder zijn aangeland is het zoet rusten. Tot een speedbootachtig vaartuig met teveel mensen aan boord, ook aanlegt aan ons grasterrasje. Zo'n nummerbord met een Y er in. Mensen uit mijn allergiezone. Een veel te dikke dame probeert over de RVS reling van boord te komen. Wat niet lukt natuurlijk.
- "Zou iemand mij niet eens helpen?"
- "Zou jij niet eens een uitweg nemen die je aan kunt!"
De mannen weten dat ze niet hard kan lopen.
Eenmaal toch op de kant en met een veel te groot ijsje om af te vallen, nemen de zes plaats op het terras. Te weinig stoelen voor iedereen. Wij zitten er ook met de zeven sportieve buurtbewoners die niet in een fluisterboot plaats hebben genomen.
Gelukkig blijkt de buitengewoon aardige eigenaresse van het terras bereid haar privé-tuinbankje aan het gezelschap uit te lenen. De dikke dame haalt opgelucht adem. Ze had al gezien dat ze niet had gepast tussen de leuningen van de stoelen.
En het gebeurt. De echte wereld laat je nooit in de steek. Het beschikbaar gestelde, vorige week nog groen geverfde, knus ogende tuinbankje, zucht ineen onder het onverwachte geweld. De dikke dame laat het gilletje. De buurtbewoners lachen ongegeneerd. En ik onttrek me daar niet aan. Niet lachen omdat het niet hoort, dat zou pas discriminatie zijn.
Het is zondag. Eindelijk is er een plaatsje vrij in 'Les Intouchables'. Wat een film! Wat een plot! Een zwarte man uit een achterstandswijk wordt de verzorger van een puissant rijke man, verlamd vanaf z'n kin. Alleen mobiel via de mondbediening en z'n elektrische rolstoel.
- "Zou je deze man wel aannemen, dat soort kent geen medelijden".
- "Dat is precies wat ik wil: "geen medelijden"".
Als de verzorger een nieuwe vriendin voor zijn broodheer zoekt, eist hij dat die een foto zal vragen.
- "Misschien lijkt ze wel op een trol".
- "Misschien is ze wel gehandicapt!".
- "Vergeet niet te vragen hoeveel ze weegt".
Nee als je door een bankje zakt word je uitgelachen. Moet je maar niet zo dik worden. Of het kan je niet schelen. Je bent intouchable. Het zal je gebeuren dat je niet wordt uitgelachen, dat is pas erg. Discriminatie!
Als we na een rondje Weerribben weer op het terras van de kajakverhuurder zijn aangeland is het zoet rusten. Tot een speedbootachtig vaartuig met teveel mensen aan boord, ook aanlegt aan ons grasterrasje. Zo'n nummerbord met een Y er in. Mensen uit mijn allergiezone. Een veel te dikke dame probeert over de RVS reling van boord te komen. Wat niet lukt natuurlijk.
- "Zou iemand mij niet eens helpen?"
- "Zou jij niet eens een uitweg nemen die je aan kunt!"
De mannen weten dat ze niet hard kan lopen.
Eenmaal toch op de kant en met een veel te groot ijsje om af te vallen, nemen de zes plaats op het terras. Te weinig stoelen voor iedereen. Wij zitten er ook met de zeven sportieve buurtbewoners die niet in een fluisterboot plaats hebben genomen.
Gelukkig blijkt de buitengewoon aardige eigenaresse van het terras bereid haar privé-tuinbankje aan het gezelschap uit te lenen. De dikke dame haalt opgelucht adem. Ze had al gezien dat ze niet had gepast tussen de leuningen van de stoelen.
En het gebeurt. De echte wereld laat je nooit in de steek. Het beschikbaar gestelde, vorige week nog groen geverfde, knus ogende tuinbankje, zucht ineen onder het onverwachte geweld. De dikke dame laat het gilletje. De buurtbewoners lachen ongegeneerd. En ik onttrek me daar niet aan. Niet lachen omdat het niet hoort, dat zou pas discriminatie zijn.
Het is zondag. Eindelijk is er een plaatsje vrij in 'Les Intouchables'. Wat een film! Wat een plot! Een zwarte man uit een achterstandswijk wordt de verzorger van een puissant rijke man, verlamd vanaf z'n kin. Alleen mobiel via de mondbediening en z'n elektrische rolstoel.
- "Zou je deze man wel aannemen, dat soort kent geen medelijden".
- "Dat is precies wat ik wil: "geen medelijden"".
Als de verzorger een nieuwe vriendin voor zijn broodheer zoekt, eist hij dat die een foto zal vragen.
- "Misschien lijkt ze wel op een trol".
- "Misschien is ze wel gehandicapt!".
- "Vergeet niet te vragen hoeveel ze weegt".
Nee als je door een bankje zakt word je uitgelachen. Moet je maar niet zo dik worden. Of het kan je niet schelen. Je bent intouchable. Het zal je gebeuren dat je niet wordt uitgelachen, dat is pas erg. Discriminatie!
woensdag 21 maart 2012
Groene golf
Op weg naar Hoogeveen, via Ommen kom ik door Oudleusen. Een klein plaatsje in de schaduw van de doorgaande weg. Als je er langs snort kun je je bijna niet voorstellen dat er links van je enkele honderden mensen moeten wonen. Verscholen achter lommerrijke bomen en achter een grote kerk. Meer was Oudleusen ook niet: Een voetnoot langs de N340. Een stil bestaan in de palm van het Vechtdal.
Tot enkele maanden geleden. Toen is er in Oudleusen een stoplicht geplaatst! Ik weet wel dat je verkeerslicht moet zeggen, maar in de praktijk betekent dat, dat ik nu moet stoppen in Oudleusen als een locale bewoner zich buiten zijn reservaat begeeft. Als diens auto vanaf de parallelweg de Hessenweg op draait, moet de rest van mobielend en doorgaand Salland een pas op de plaats maken. Oudleusen eist zijn ruimte op! Ach, de vooruitgang eist zijn tol, ook in Oudleusen.
Het zou een druppel in de eeuwigheid zijn geweest als vorige week de zo ontstane, en voor een plattelander al uiterst gecompliceerde verkeerssituatie in Oudleusen niet opnieuw was veranderd. Naderend vanuit de richting Dalfsen zie ik tot mijn grote verbazing een elektronisch groen oplichten, een volautomatisch aanschietend bord, waarop staat aangegeven dat ik mij in een zone bevind, waarin een groene golf van toepassing is. Een groene bewegende sinus ondersteunt dit bericht. Als ik niet te hard ga, zullen alle stoplichten op groen staan als ik er langs kom, hoe onmetelijk aantrekkelijk!
In mijn euforie vergeet ik heel even dat er in de verre omtrek maar één stoplicht te vinden is: het stoplicht dat ik op dit moment al kan zien en dat 50 meter voorbij het groene golf teken staat. Ik herken een 'rose legging'-moment *. Iemand in de gemeentelijk apparaat van de gemeente Dalfsen heeft in nauw overleg met de bewoners van Oudleusen ontdekt dat het handig zou zijn als je al 50 meter voor het stoplicht weet of je wel of niet zult moeten stoppen. Bovendien zal dit Oudleusen definitief op de kaart zetten, net als bijv. Maastricht waar het groene golftraject enorm gemak heeft gebracht aan passerende automobilisten.
Ik zoek naar een passende metafoor. Het is alsof twee elkaar één maal per jaar passerende handelaren in kamelen tot de conclusie komen dat op de plaats waar zij elkaar nu al drie jaar lang ontmoeten, op de derde maandag in mei, een rotonde moet worden aangelegd. Of het is alsof .........
Nee geen enkele metafoor kan de werkelijkheid zelfs maar benaderen. Ik denk dat de beide koopmannen in de Sahara hun rotonde zullen aanleggen, en dat hun hoofdschuddende collega's , samen met de de koning van Egypte, Oudleusen als hun metafoor zullen gebruiken.
PS *. Een rose-leggingmoment: Een van Jan-Jaap van der Wal gepikte uitdrukking die mijs inziens opname in onze taal verdient, een beetje als de paarse krokodil. Ik parafraseer:
Het maakt mij niet uit dat een hele dikke vrouw op straat loopt in een kort rokje met een rose legging.
Ik vraag me alleen af: hoe gaat dat 's morgens vroeg?
Zo'n vrouw staat voor de spiegel en ziet al dat lillend vet.
En dan denkt ze: "vandaag echt een dag voor een rose legging".
Dat moment intrigeert me.
Tot enkele maanden geleden. Toen is er in Oudleusen een stoplicht geplaatst! Ik weet wel dat je verkeerslicht moet zeggen, maar in de praktijk betekent dat, dat ik nu moet stoppen in Oudleusen als een locale bewoner zich buiten zijn reservaat begeeft. Als diens auto vanaf de parallelweg de Hessenweg op draait, moet de rest van mobielend en doorgaand Salland een pas op de plaats maken. Oudleusen eist zijn ruimte op! Ach, de vooruitgang eist zijn tol, ook in Oudleusen.
Het zou een druppel in de eeuwigheid zijn geweest als vorige week de zo ontstane, en voor een plattelander al uiterst gecompliceerde verkeerssituatie in Oudleusen niet opnieuw was veranderd. Naderend vanuit de richting Dalfsen zie ik tot mijn grote verbazing een elektronisch groen oplichten, een volautomatisch aanschietend bord, waarop staat aangegeven dat ik mij in een zone bevind, waarin een groene golf van toepassing is. Een groene bewegende sinus ondersteunt dit bericht. Als ik niet te hard ga, zullen alle stoplichten op groen staan als ik er langs kom, hoe onmetelijk aantrekkelijk!
In mijn euforie vergeet ik heel even dat er in de verre omtrek maar één stoplicht te vinden is: het stoplicht dat ik op dit moment al kan zien en dat 50 meter voorbij het groene golf teken staat. Ik herken een 'rose legging'-moment *. Iemand in de gemeentelijk apparaat van de gemeente Dalfsen heeft in nauw overleg met de bewoners van Oudleusen ontdekt dat het handig zou zijn als je al 50 meter voor het stoplicht weet of je wel of niet zult moeten stoppen. Bovendien zal dit Oudleusen definitief op de kaart zetten, net als bijv. Maastricht waar het groene golftraject enorm gemak heeft gebracht aan passerende automobilisten.
Ik zoek naar een passende metafoor. Het is alsof twee elkaar één maal per jaar passerende handelaren in kamelen tot de conclusie komen dat op de plaats waar zij elkaar nu al drie jaar lang ontmoeten, op de derde maandag in mei, een rotonde moet worden aangelegd. Of het is alsof .........
Nee geen enkele metafoor kan de werkelijkheid zelfs maar benaderen. Ik denk dat de beide koopmannen in de Sahara hun rotonde zullen aanleggen, en dat hun hoofdschuddende collega's , samen met de de koning van Egypte, Oudleusen als hun metafoor zullen gebruiken.
PS *. Een rose-leggingmoment: Een van Jan-Jaap van der Wal gepikte uitdrukking die mijs inziens opname in onze taal verdient, een beetje als de paarse krokodil. Ik parafraseer:
Het maakt mij niet uit dat een hele dikke vrouw op straat loopt in een kort rokje met een rose legging.
Ik vraag me alleen af: hoe gaat dat 's morgens vroeg?
Zo'n vrouw staat voor de spiegel en ziet al dat lillend vet.
En dan denkt ze: "vandaag echt een dag voor een rose legging".
Dat moment intrigeert me.
zaterdag 10 maart 2012
Friezen geven gas, begrepen!?
De perswereld is in de war. Een voetbaltrainer heeft een vierde official uitgescholden. Dat hoort niet. Zeker niet als die voetbaltrainer in de eredivisie werkt. Nota bene bij de club die bijna bovenaan staat in de eredivisie. Wat denkt die trainer wel. Hij moet een voorbeeld zijn
Een voetbaltrainer is boos. Hij is van het veld gestuurd. Door de vierde official. Hoe onbelangrijk kun je zijn! Vierde! In de sport de meest uitgekotste plek die er is! Official: in de sport de plek voor iedereen die iets niet kan! Middenmoter zonder zelfkennis!
De vierde official voelt zich belangrijk. Hij moet in de gaten houden of de trainer tussen de lijntjes blijft. Hij oefent vaak met z'n zoontje van drie op het treinstation. Die mag dan vrij rond lopen, maar tot aan de streep. Want nog verder is gevaarlijk. Dan kun je zomaar worden mee gezogen door een trein.
De wedstrijd loopt niet naar wens. De trainer schreeuwt. De vierde official vindt dat eng. Z'n zoontje schreeuwt soms ook. Hij loopt naar de trainer.
- 'Trainer niet zo schreeuwen'.
Maar de trainer hoort het niet, die let op het veld.
- 'Trainer niet zo schreeuwen'.
De trainer kijkt naar de vierde official. Hij gaat rechter op staan. Z'n lichaam is groot en sterk. De vierde official is bang. Bang dat hij onder de trein zal komen.
De scheidsrechter hoort iemand in z'n oor roepen. Iemand in doodsnood. Het moet een official zijn (de vierde waarschijnlijk), want anderen kunnen hem niet bereiken. Keepers die in elkaar getrapt worden mogen geen zendapparatuur hebben. De scheidsrechter rent naar de kant, naar de man in doodsnood.
'"Hij duwde mij!".
"Je liegt!"
"Nietus!".
"Wellus".
Er is een man in een auto. Er staat een bordje: Leeuwarden rechtsaf. Omdat de chauffeur z'n doel in Leeuwarden zoekt, slaat hij rechtsaf. Maar de straat loopt dood. Erg dood. Een blinde muur doemt op. Fout bordje. Foute bocht. Te vroeg afgeslagen. Toch geeft de man gas. Hij is Fries. Misschien gaat de muur wel aan de kant.
De trainer zit op de tribune. Stuurs kijkt hij voor zich uit. Hij is verongelijkt, boos, machteloos, aangetast in z'n eer. Maar bovenal teleurgesteld, teleurgesteld in het falen van het recht. Omdat de waarheid niet is vastgesteld. Soms is er maar één waarheid, zoals hier. Er is niet geduwd. Het is niet waar. De vierde official liegt! Nooit zal de trainer genoegen nemen met deze belachelijke onrechtvaardige behandeling! Daarom geeft hij gas.
Zoals het een Fries betaamt. Thuis begrijpen ze dat.
Een voetbaltrainer is boos. Hij is van het veld gestuurd. Door de vierde official. Hoe onbelangrijk kun je zijn! Vierde! In de sport de meest uitgekotste plek die er is! Official: in de sport de plek voor iedereen die iets niet kan! Middenmoter zonder zelfkennis!
De vierde official voelt zich belangrijk. Hij moet in de gaten houden of de trainer tussen de lijntjes blijft. Hij oefent vaak met z'n zoontje van drie op het treinstation. Die mag dan vrij rond lopen, maar tot aan de streep. Want nog verder is gevaarlijk. Dan kun je zomaar worden mee gezogen door een trein.
De wedstrijd loopt niet naar wens. De trainer schreeuwt. De vierde official vindt dat eng. Z'n zoontje schreeuwt soms ook. Hij loopt naar de trainer.
- 'Trainer niet zo schreeuwen'.
Maar de trainer hoort het niet, die let op het veld.
- 'Trainer niet zo schreeuwen'.
De trainer kijkt naar de vierde official. Hij gaat rechter op staan. Z'n lichaam is groot en sterk. De vierde official is bang. Bang dat hij onder de trein zal komen.
De scheidsrechter hoort iemand in z'n oor roepen. Iemand in doodsnood. Het moet een official zijn (de vierde waarschijnlijk), want anderen kunnen hem niet bereiken. Keepers die in elkaar getrapt worden mogen geen zendapparatuur hebben. De scheidsrechter rent naar de kant, naar de man in doodsnood.
'"Hij duwde mij!".
"Je liegt!"
"Nietus!".
"Wellus".
Er is een man in een auto. Er staat een bordje: Leeuwarden rechtsaf. Omdat de chauffeur z'n doel in Leeuwarden zoekt, slaat hij rechtsaf. Maar de straat loopt dood. Erg dood. Een blinde muur doemt op. Fout bordje. Foute bocht. Te vroeg afgeslagen. Toch geeft de man gas. Hij is Fries. Misschien gaat de muur wel aan de kant.
De trainer zit op de tribune. Stuurs kijkt hij voor zich uit. Hij is verongelijkt, boos, machteloos, aangetast in z'n eer. Maar bovenal teleurgesteld, teleurgesteld in het falen van het recht. Omdat de waarheid niet is vastgesteld. Soms is er maar één waarheid, zoals hier. Er is niet geduwd. Het is niet waar. De vierde official liegt! Nooit zal de trainer genoegen nemen met deze belachelijke onrechtvaardige behandeling! Daarom geeft hij gas.
Zoals het een Fries betaamt. Thuis begrijpen ze dat.
donderdag 2 februari 2012
Maar is het kunst, daar in Dalfsen?
Uit de verte zijn het twee steigerende paarden, of lijkt het een landbouwmachine. Maar het is kunst. Dat weet je als je er voor staat: het dient nergens toe, het is gekleurd en het stelt niets concreets voor. Dan weet je als burger zonder opleiding: dit is kunst. Als het later wordt opgenomen in de 'kunstroute' weet je het zeker. Dan kun je het ook zeggen: "zie je wel, kunst!"
Als je je er wat verder in verdiept kom je meer aan de weet: Er is ruzie over gemaakt. Iemand heeft besloten dat er ergens in het landschap een kunstwerk moet komen. De gemeente of zo. Of een actieve groep burgers met hart voor de zaak. Hart voor de gemeente. Hart voor de andere burgers, die nog niets van kunst weten. Mensen, die iedereen graag in aanraking willen brengen met Kunst. Of willen confronteren met kunst. Die hun medemens willen opstoten in de vaart der volkeren. Willen bijdragen aan hun ontwikkeling. Want Pierre Bourdieu toonde al aan, dat kunstwaardering een sociologische component heeft: hoe lager iemands sociale status, hoe duidelijker het moet zijn wat een kunstwerk voorstelt.
Maar er zijn mensen tegen. Want er zijn altijd mensen tegen. Niet tegen kunst, want niemand is tegen kunst. Nee, de tegenstanders zijn tegen die rommel, die anderen kunst noémen. Terwijl het helemaal geen kunst ís! Want zeggen ze: ik kan zoiets ook maken. En het stelt niks voor. Of, zoals Guus Kuijer ooit optekende uit de mond van een man die in een museum naar een schilderij stond te kijken: Dat kan mijn dochter van drie ook! Een blijk van minachting, zo bleek, en daarmee de titel van Kuijers latere boek: "Het geminachte kind".
Praten helpt. Er blijken duizenden argumenten te bestaan waarom iets kunst is.
Het moet iets voorstellen.
Het moet de uitdrukking zijn van gevoelens van de kunstenaar.
Het moet mooi zijn.
Het moet vernieuwend zijn.
Het moet mensen uit hun evenwicht brengen.
Het mag geen landschap zijn.
Daarmee blijken de deelnemers aan de discussie zes kunstfilosofische stromingen te vertegenwoordigen. Vertegenwoordigd door Plato, Kant, Hegel, Tolstoi en andere grootheden. Maar ze weten dat niet. Ze praten over kunst en vinden er iets van. En daarmee wordt het op zichzelf al weer kunst. Tenminste, volgens al weer een andere stroming.
En ik? Ik vind het mooi. Landbouwmachinekleuren, in de vorm van abstracte paarden, die de plattelandsgemeenschap verbinden met de natuur. Passend bij een dorp waarin natuur, arbeid, inkomen en cultuur nauw verbonden en van elkaar afhankelijk zijn. Ik blijk een symbolist. Nog een stroming.
- "Natuur zo mooi als in Dalfsen heeft geen kunstwerk nodig", werpt de buurman tegen.
- "Dalfsen wel" zeg ik, "want iedereen is nu kunstfilosoof. En dat is goed voor de vaart der volkeren".
Binnenkort de Overijsselse kunstroute. Ik hoop dat iedereen mee doet.
Als je je er wat verder in verdiept kom je meer aan de weet: Er is ruzie over gemaakt. Iemand heeft besloten dat er ergens in het landschap een kunstwerk moet komen. De gemeente of zo. Of een actieve groep burgers met hart voor de zaak. Hart voor de gemeente. Hart voor de andere burgers, die nog niets van kunst weten. Mensen, die iedereen graag in aanraking willen brengen met Kunst. Of willen confronteren met kunst. Die hun medemens willen opstoten in de vaart der volkeren. Willen bijdragen aan hun ontwikkeling. Want Pierre Bourdieu toonde al aan, dat kunstwaardering een sociologische component heeft: hoe lager iemands sociale status, hoe duidelijker het moet zijn wat een kunstwerk voorstelt.
Maar er zijn mensen tegen. Want er zijn altijd mensen tegen. Niet tegen kunst, want niemand is tegen kunst. Nee, de tegenstanders zijn tegen die rommel, die anderen kunst noémen. Terwijl het helemaal geen kunst ís! Want zeggen ze: ik kan zoiets ook maken. En het stelt niks voor. Of, zoals Guus Kuijer ooit optekende uit de mond van een man die in een museum naar een schilderij stond te kijken: Dat kan mijn dochter van drie ook! Een blijk van minachting, zo bleek, en daarmee de titel van Kuijers latere boek: "Het geminachte kind".
Praten helpt. Er blijken duizenden argumenten te bestaan waarom iets kunst is.
Het moet iets voorstellen.
Het moet de uitdrukking zijn van gevoelens van de kunstenaar.
Het moet mooi zijn.
Het moet vernieuwend zijn.
Het moet mensen uit hun evenwicht brengen.
Het mag geen landschap zijn.
Daarmee blijken de deelnemers aan de discussie zes kunstfilosofische stromingen te vertegenwoordigen. Vertegenwoordigd door Plato, Kant, Hegel, Tolstoi en andere grootheden. Maar ze weten dat niet. Ze praten over kunst en vinden er iets van. En daarmee wordt het op zichzelf al weer kunst. Tenminste, volgens al weer een andere stroming.
En ik? Ik vind het mooi. Landbouwmachinekleuren, in de vorm van abstracte paarden, die de plattelandsgemeenschap verbinden met de natuur. Passend bij een dorp waarin natuur, arbeid, inkomen en cultuur nauw verbonden en van elkaar afhankelijk zijn. Ik blijk een symbolist. Nog een stroming.
- "Natuur zo mooi als in Dalfsen heeft geen kunstwerk nodig", werpt de buurman tegen.
- "Dalfsen wel" zeg ik, "want iedereen is nu kunstfilosoof. En dat is goed voor de vaart der volkeren".
Binnenkort de Overijsselse kunstroute. Ik hoop dat iedereen mee doet.
Labels:
Filosofie?,
Kijk op de wereld,
Kunst en Beeld
dinsdag 31 januari 2012
Vrij!
Een crimineel is vrijgelaten. Dat is een goede zaak. We gaan zorgvuldig met onze criminelen om. Daar hoort vrijlaten ook bij. Meestal. Als ze geen levenslang hebben gekregen. En als ze geen levenslang hebben, horen ze te worden vrijgelaten. Want dan hebben ze hun straf uitgezeten. Zo denken wij!
Waarom zetten we eigenlijk mensen gevangen? Wat is de gedachte achter ons rechtssysteem? Op TV zie ik mannen in oranje pakken met handboeien om en ijzeren kettingen tussen de enkels. Ze kunnen maar kleine stapjes zetten. Dat is omdat het criminelen zijn natuurlijk. Anders lopen ze weg. En dat willen we niet.
Ik zie dat ze de mannen in oranje pakken in een kooi stoppen. Misschien zijn het recente afstammelingen van apen. Recente primaten. Gevonden in een ghetto. Een pas ontdekt primatenghetto. Geen mensen, dat is zeker. Ik kan het niet aan zien.
Gelukkig blijken die mannen in Amerika in de gevangenis te zitten. Ik heb met ze te doen. Ik kijk de andere kant uit. Want wij denken anders. Die mannen in oranje pakken hebben trouwens levenslang. Ook als ze onverhoopt vrij mochten komen. Want dan krijgt de hele buurt een briefje in de bus met daarop een grijnzende boeventronie en het strafblad. Want hij zal zeker opnieuw in de fout gaan. Misselijk vinden wij dat stigmatiseren. In ons rechtssysteem. Wij zijn beschaafd.
Wij weten wel beter. Als een crimineel vrij komt hebben wij hem heropgevoed. Dat is namelijk één van de functies van onze gevangenissen. Daarom behandelen wij gevangenen ook alsof het mensen zijn. En niet als dieren. Terwijl ze worden heropgevoed beschermen wij onze maatschappij tegen deze doerakken. De tweede functie van ons rechtssysteem. En als ze straks zijn heropgevoed, kunnen ze de vrijheid aan. En is onze wraak voorbij. We spreken liever van vergelding. Dat is beschaafder. De drieslag is compleet. Maatschappij beschermen, vergelding als wraak, heropvoeden. Daarna krijgen ze een nieuwe kans.
Soms. Of zijn we van mening veranderd?
Waarom zetten we eigenlijk mensen gevangen? Wat is de gedachte achter ons rechtssysteem? Op TV zie ik mannen in oranje pakken met handboeien om en ijzeren kettingen tussen de enkels. Ze kunnen maar kleine stapjes zetten. Dat is omdat het criminelen zijn natuurlijk. Anders lopen ze weg. En dat willen we niet.
Ik zie dat ze de mannen in oranje pakken in een kooi stoppen. Misschien zijn het recente afstammelingen van apen. Recente primaten. Gevonden in een ghetto. Een pas ontdekt primatenghetto. Geen mensen, dat is zeker. Ik kan het niet aan zien.
Gelukkig blijken die mannen in Amerika in de gevangenis te zitten. Ik heb met ze te doen. Ik kijk de andere kant uit. Want wij denken anders. Die mannen in oranje pakken hebben trouwens levenslang. Ook als ze onverhoopt vrij mochten komen. Want dan krijgt de hele buurt een briefje in de bus met daarop een grijnzende boeventronie en het strafblad. Want hij zal zeker opnieuw in de fout gaan. Misselijk vinden wij dat stigmatiseren. In ons rechtssysteem. Wij zijn beschaafd.
Wij weten wel beter. Als een crimineel vrij komt hebben wij hem heropgevoed. Dat is namelijk één van de functies van onze gevangenissen. Daarom behandelen wij gevangenen ook alsof het mensen zijn. En niet als dieren. Terwijl ze worden heropgevoed beschermen wij onze maatschappij tegen deze doerakken. De tweede functie van ons rechtssysteem. En als ze straks zijn heropgevoed, kunnen ze de vrijheid aan. En is onze wraak voorbij. We spreken liever van vergelding. Dat is beschaafder. De drieslag is compleet. Maatschappij beschermen, vergelding als wraak, heropvoeden. Daarna krijgen ze een nieuwe kans.
Soms. Of zijn we van mening veranderd?
donderdag 5 januari 2012
Depressie
Na de euforie komt de depressie. Het citaat van Egel uit mijn vorige blog bewijst dat. Trouwens, de gedachte die Toon egel in de mond legt was ook al niet origineel. Die had ik ook al wel eens gedacht of gelezen. En daarna geïncorporeerd als mijn eigen idee, wat weer verklaarbaar is vanuit de psychologie en onderzocht door Douwe Draaisma. Ik heb zelfs in zijn 'vergeetboek' een bladwijzer op pagina 104 over onbewust plagiaat. 'Cryptomnesie' heet het dan. Hilarisch beschreven trouwens.
Niets is de moeite waard. Nadenken en lezen al zeker niet. Als je je al uniek wilt voelen, moet je dat zeker niet proberen door een mening te ontwikkelen. Alles wat ik vind is al gevonden of kan ik al ergens vinden. Elke keer als ik een boek lees kom ik wel een deel van mijn mening tegen. Over alles wat ik vind bestaan al duizenden pagina's. Waarom nog bloggen?
En zeg wat je vindt maar eens kort en aansprekend. Ik voel een enorme machteloze woede als ik niet in twee zinnen kan overbrengen wat ik vind. Het is frustrerend en onredelijk dat alle in mijn hoofd aanwezige argumenten niet meteen mee komen in de tekst, die door mijn mond naar buiten komt. Sterker nog: het is enorm stom, dat mensen niet begrijpen wat ik bedoel, nog voordat ik ben begonnen met praten. Ik ben al moe voordat ik mijn mond open doe. Om het nog één keer uit te leggen. En van die moeheid word ik boos.
Bij de eerste voorzichtige tegenwerpingen weet ik al dat ik niet meteen uit mijn geheugen de relevante gelezen passages zal kunnen opdiepen, hetgeen ik ervaar als het bewijs dat ik e.e.a. nog niet helemaal heb doorleefd, wat weer en bewijs is voor mijn voortdurende en herhaalde falen, wat weer leidt tot enorme zelfhaat en depressie. Ook al omdat ik weet hoe buitengewoon onredelijk mijn eigen gevoelens en gedachten zijn. Wat trouwens weer een reden is om te zwijgen en het maar niet meer te proberen.
Om de wereld te verbeteren moet je
- een denkproces doormaken
- kennis en argumenten paraat hebben
- tegenargumenten voorzien
- de duur van de discussie, die je bij voorbaat tegenstaat en verveelt, inschatten
- omgaan met de ergernis aan en over jezelf, omdat je weet dat je opnieuw niets gaat bijdragen aan de wereld.
Het is allemaal zo dodelijk vermoeiend, dat de meeste mensen er maar niet aan beginnen. Ik ook niet?
Niets is de moeite waard. Nadenken en lezen al zeker niet. Als je je al uniek wilt voelen, moet je dat zeker niet proberen door een mening te ontwikkelen. Alles wat ik vind is al gevonden of kan ik al ergens vinden. Elke keer als ik een boek lees kom ik wel een deel van mijn mening tegen. Over alles wat ik vind bestaan al duizenden pagina's. Waarom nog bloggen?
En zeg wat je vindt maar eens kort en aansprekend. Ik voel een enorme machteloze woede als ik niet in twee zinnen kan overbrengen wat ik vind. Het is frustrerend en onredelijk dat alle in mijn hoofd aanwezige argumenten niet meteen mee komen in de tekst, die door mijn mond naar buiten komt. Sterker nog: het is enorm stom, dat mensen niet begrijpen wat ik bedoel, nog voordat ik ben begonnen met praten. Ik ben al moe voordat ik mijn mond open doe. Om het nog één keer uit te leggen. En van die moeheid word ik boos.
Bij de eerste voorzichtige tegenwerpingen weet ik al dat ik niet meteen uit mijn geheugen de relevante gelezen passages zal kunnen opdiepen, hetgeen ik ervaar als het bewijs dat ik e.e.a. nog niet helemaal heb doorleefd, wat weer en bewijs is voor mijn voortdurende en herhaalde falen, wat weer leidt tot enorme zelfhaat en depressie. Ook al omdat ik weet hoe buitengewoon onredelijk mijn eigen gevoelens en gedachten zijn. Wat trouwens weer een reden is om te zwijgen en het maar niet meer te proberen.
Om de wereld te verbeteren moet je
- een denkproces doormaken
- kennis en argumenten paraat hebben
- tegenargumenten voorzien
- de duur van de discussie, die je bij voorbaat tegenstaat en verveelt, inschatten
- omgaan met de ergernis aan en over jezelf, omdat je weet dat je opnieuw niets gaat bijdragen aan de wereld.
Het is allemaal zo dodelijk vermoeiend, dat de meeste mensen er maar niet aan beginnen. Ik ook niet?
donderdag 29 december 2011
Verkeerd bezorgd
Mijn schoonmoeder heeft een envelop gekregen van een bedrijf. Op de envelop staat een naam, een adres en een postcode van iemand anders, maar toch is hij bij haar in de bus geland. Mijn schoonmoeder is 87. Ze is volkomen van streek. Ze heeft deze zelfde brief, of althans een brief van dit zelfde bedrijf, nl. vorige week ook in de bus gekregen. Toen heeft ze de brief bij haar tweedaagse uitje naar de Albert Heijn in de daar aanwezige brievenbus gedaan. En nu is hij weer bij haar terecht gekomen! Ze verdenkt het bedrijf van opzet.
Ik ben geen post-o-loog. Ik begrijp ook niet zo goed hoe een brief, met toch een duidelijk ander adres, zo fout bezorgd kan worden. Het enige wat ik kan bedenken is dat de code die op de brief is geprint er iets mee te maken heeft. Waarschijnlijk wordt de post machinaal gesorteerd, en wordt er daarbij een code op de brief geprint. In een tweede sorteerronde zal een apparaat dezelfde fout maken, of leest hij (of zij?!) de geprinte code en komt de brief in dezelfde (foute) stapel.
Ik denk met weemoed aan de tijd dat een postbode er nog op lette, voor wie de te bezorgen post was bedoeld. Hij (bijna altijd hij!) constateerde dan, dat er hier een foutje moest zijn gemaakt. En hij corrigeerde dat. Dus op de één of andere manier, is de postbode mede schuldig. In mijn ogen.
Inmiddels resten mijn schoonmoeder in mijn optiek drie opties, die ik haar uit de doeken doe:
1. De fout bezorgde brief opnieuw in de brievenbus bij Albert Heijn deponeren. In dat geval zou ik een kruisje op de brief zetten om te kijken of hij over een week weer bij mij in de brievenbus ligt. Als dat het geval is, zou ik de DHL, of hoe de postbedrijven tegenwoordig ook mogen heten, een brief schrijven. Als je 87 bent heb je zo je eigen mogelijkheden op interessant en experimenteel tijdverdrijf.
2. De brief in de brievenbus doen bij Albert Heijn, maar nu met grote lettters daarop vermeld: VERKEERD BEZORGD! In dat geval doet zich volgens mijn schoonmoeder, het dilemma voor, of je dan ook het adres moet vermelden, waar de brief oorspronkelijk fout was bezorgd. Om de verdiende dank in ontvangst te nemen, of om te voorkomen dat de brief opnieuw op hetzelfde adres, fout wordt bezorgd. Met als verborgen boodschap: Er zijn in Den Haag veel meer adressen waar de brief ook nog kan worden aangeboden. Liever niet weer bij mij! Deze optie blijkt echter zeer bedreigend, aangezien mijn schoonmoeder nadrukkelijk de optie 'opzet, gepaard gaand met poging tot opvolgende inbraak', in gedachten blijkt te hebben.
Op mijn weerwoord welke rol een verkeerd bezorgde brief dan zou kunnen spelen, blijkt ze van verregaande slimheid en doortraptheid van het potentiële dieven- en inbrekersgilde uit te gaan. Die zouden bijv. met deze brief de assertiviteit van bejaarden kunnen proberen te meten.
3. Blijft over de optie om de brief zelf te bezorgen op het beoogde adres. Dat kan in dit geval gemakkelijk, omdat dat adres boven de Albert Heijn blijkt te liggen. Dit zal het probleem wellicht vanzelf doen verdwijnen. Of de machine maakt later weer dezelfde leesfout, waarna opnieuw de keuze moet worden gemaakt tussen 1 of 2.
Tot mijn verbazing blijken er nog heel andere opties te overwegen. Het slachtoffer denkt aan:
a. het bellen van het afzendende bedrijf.
b. het bellen of bezoeken van de geadresseerde.
c. het bellen of bezoeken van de postbezorgende instantie.
Op mijn suggestie dat geen van deze instanties waarschijnlijk weet wat er aan de hand is, blijkt dat ze twee doelen heeft.
Het eerste is puur ideologisch van aard: dit moet stoppen. Een kruistocht tegen deze misstand kan de wereld fundamenteel verbeteren. Honderden, zo niet duizenden mensen, zullen door het doortastende optreden van mijn schoonmoeder, in de toekomst worden gespaard voor dergelijke foute overlastpost.
Haar tweede drijfveer blijkt veel minder altruïstisch van aard. Ze wil complimenten en dank van één van deze, of beter nog van alle drie, betrokkenen.
-"Ze zullen me dankbaar zijn".
Zo ging dat vroeger. Mensen waren dankbaar. Dat er nu processen bestaan, waar niemand invloed op lijkt te hebben, is haar even onvoorstelbaar als gruwelijk.
Nog even, dan is deze generatie helemaal verdwenen.
Een sombere gedachte bij weer een oud jaar.
Ik ben geen post-o-loog. Ik begrijp ook niet zo goed hoe een brief, met toch een duidelijk ander adres, zo fout bezorgd kan worden. Het enige wat ik kan bedenken is dat de code die op de brief is geprint er iets mee te maken heeft. Waarschijnlijk wordt de post machinaal gesorteerd, en wordt er daarbij een code op de brief geprint. In een tweede sorteerronde zal een apparaat dezelfde fout maken, of leest hij (of zij?!) de geprinte code en komt de brief in dezelfde (foute) stapel.
Ik denk met weemoed aan de tijd dat een postbode er nog op lette, voor wie de te bezorgen post was bedoeld. Hij (bijna altijd hij!) constateerde dan, dat er hier een foutje moest zijn gemaakt. En hij corrigeerde dat. Dus op de één of andere manier, is de postbode mede schuldig. In mijn ogen.
Inmiddels resten mijn schoonmoeder in mijn optiek drie opties, die ik haar uit de doeken doe:
1. De fout bezorgde brief opnieuw in de brievenbus bij Albert Heijn deponeren. In dat geval zou ik een kruisje op de brief zetten om te kijken of hij over een week weer bij mij in de brievenbus ligt. Als dat het geval is, zou ik de DHL, of hoe de postbedrijven tegenwoordig ook mogen heten, een brief schrijven. Als je 87 bent heb je zo je eigen mogelijkheden op interessant en experimenteel tijdverdrijf.
2. De brief in de brievenbus doen bij Albert Heijn, maar nu met grote lettters daarop vermeld: VERKEERD BEZORGD! In dat geval doet zich volgens mijn schoonmoeder, het dilemma voor, of je dan ook het adres moet vermelden, waar de brief oorspronkelijk fout was bezorgd. Om de verdiende dank in ontvangst te nemen, of om te voorkomen dat de brief opnieuw op hetzelfde adres, fout wordt bezorgd. Met als verborgen boodschap: Er zijn in Den Haag veel meer adressen waar de brief ook nog kan worden aangeboden. Liever niet weer bij mij! Deze optie blijkt echter zeer bedreigend, aangezien mijn schoonmoeder nadrukkelijk de optie 'opzet, gepaard gaand met poging tot opvolgende inbraak', in gedachten blijkt te hebben.
Op mijn weerwoord welke rol een verkeerd bezorgde brief dan zou kunnen spelen, blijkt ze van verregaande slimheid en doortraptheid van het potentiële dieven- en inbrekersgilde uit te gaan. Die zouden bijv. met deze brief de assertiviteit van bejaarden kunnen proberen te meten.
3. Blijft over de optie om de brief zelf te bezorgen op het beoogde adres. Dat kan in dit geval gemakkelijk, omdat dat adres boven de Albert Heijn blijkt te liggen. Dit zal het probleem wellicht vanzelf doen verdwijnen. Of de machine maakt later weer dezelfde leesfout, waarna opnieuw de keuze moet worden gemaakt tussen 1 of 2.
Tot mijn verbazing blijken er nog heel andere opties te overwegen. Het slachtoffer denkt aan:
a. het bellen van het afzendende bedrijf.
b. het bellen of bezoeken van de geadresseerde.
c. het bellen of bezoeken van de postbezorgende instantie.
Op mijn suggestie dat geen van deze instanties waarschijnlijk weet wat er aan de hand is, blijkt dat ze twee doelen heeft.
Het eerste is puur ideologisch van aard: dit moet stoppen. Een kruistocht tegen deze misstand kan de wereld fundamenteel verbeteren. Honderden, zo niet duizenden mensen, zullen door het doortastende optreden van mijn schoonmoeder, in de toekomst worden gespaard voor dergelijke foute overlastpost.
Haar tweede drijfveer blijkt veel minder altruïstisch van aard. Ze wil complimenten en dank van één van deze, of beter nog van alle drie, betrokkenen.
-"Ze zullen me dankbaar zijn".
Zo ging dat vroeger. Mensen waren dankbaar. Dat er nu processen bestaan, waar niemand invloed op lijkt te hebben, is haar even onvoorstelbaar als gruwelijk.
Nog even, dan is deze generatie helemaal verdwenen.
Een sombere gedachte bij weer een oud jaar.
zaterdag 22 oktober 2011
Zelfobservatie: Ik ben mijn brein niet!
Het is nog maar net geleden, dat ik een boekje las van Joachim Bauer over spiegelneuronen. En daarna van Dijksterhuis over het slimme onbewuste. Zij leerden mij dat ik in veel dingen mijn krokodillenbrein volg, en dat bewustzijn is, dat mijn onderbewuste mij meedeelt wat ie nu weer heeft besloten. Ik heb geen vrije wil.
Het is een hype geworden. Dick Schwaab heeft kans gezien heel Nederland te overtuigen van het feit dat wij slechts ons brein zijn. Sindsdien ziet het er slecht voor de mensheid uit. De enige openstaande vraag is nog of ik wel of niet verantwoordelijk ben voor mijn daden, en of ik eigenlijk wel moet worden opgesloten als ik een willekeurige voorbijganger naar de eeuwige jachtvelden zou helpen. Over dat dilemma heeft inmiddels Jan Verplaetse een boekje geschreven: "Leven zonder vrije wil". Daarmee is het vraagstuk uit-en-tena besproken zou je zeggen. Al zullen de conclusies van Jan vooralsnog wel geen wetgeving opleveren.
Sinds ik literarair in deze brein- en bewustzijnswereld verzeild geraakt, heb ik geen leven meer. Bij alles wat ik doe, denk ik: doe ik dit nu zelf, of wordt ik van afstand bestuurd? Want of er nou een half uur of tweehonderdste seconde tussen aansturing en actie zit, dat maakt natuurlijk niet uit. Ik ben helemaal in de ban van de zelfobservatie. Dat gaan ongeveer zo:
Ik ben iets van plan. Daarna doe ik iets. En vervolgens kijk ik of ik het zelf doe, of dat het me overkomt. Dat levert kolderieke momenten op. Het overkomt me regelmatig dat ik ergens heen loop, en als ik daar dan ben, niet meer weet wat ik daar ging doen. Dat gebeurt niet sporadisch, maar bij herhaling. Met name de badkamer is een geliefd oord van mijn on(der)bewuste. Eenmaal daar aangekomen, weet mijn bewuste deel echter niet meer wat ik daar ook al weer ging doen. Als ik dit aan de kaak stel, blijft het binnenin verdacht stil. Een beetje alsof Kroko (zoals ik hem liefkozend ben gaan noemen) stiekum een vriendinnetje heeft naast mijn op zich toch niet onaantrekkelijke lichaam. Voor een brein dan. Mijn bewuste deel heeft best een aardig IQ, een afwisselend leven, variërend van voetbal tot klassieke muziek, en van detectives lezen en kijken tot gedichten lezen. Dat alles gelardeerd met een snelle analytische blik en een positief zelfbeeld. Maar misschien is het niet genoeg. Misschien zijn witte tegels en een WC pot veel uitdagender kamergenoten voor Kroko.
Als ik ben aangekomen op de uitgekozen plek, mag ik zelf verzinnen wat ik daar ging doen. Na enig nadenken weet mijn bewuste deel de puzzel meestal wel op te lossen. Meestal is het inderdaad iets wat ik enkele minuten eerder van plan was, maar al weer vergeten: mijn portemonnee uit de broek halen die ik gisteren aan had, mijn schoenen zoeken die ik daar gisteren uit heb gedaan maar waarvan ik niet wist dat ze in de badkamer stonden, mijn tanden poetsen, omdat ik dat eerder even heb uitgesteld, de klaar gelegde was meenemen naar de wasmand, dat soort dingen.
Met die was loop ik dan naar beneden, waar ik naar de bijkeuken ga om de was te deponeren en de koffie aan te zetten. Ik laat dat dan graag ook aan Kroko over. Nu ik weet dat ik wordt bestuurd, laat ik me graag verwennen en kan ik ondertussen wat anders nuttigs doen. Maar dat blijkt teveel gevraagd. Kroko kan helemaal niet multitasken. Hij is dan de weg volkomen kwijt. Terwijl ik (of hij?) de oude koffiepads uit de Senseo haal, wordt de was zonder enige waarschuwing in de vuilnisemmer gekieperd. En wie mag de troep opruimen en in de afval gaan vissen: ik zelf! Zodra ik het in de gaten krijg.
Ondertussen roept mijn bewuste deel me toe: Hou toch je kop erbij man! De pot verwijt de ketel.
Nee, ik ben niét mijn brein!
Het is een hype geworden. Dick Schwaab heeft kans gezien heel Nederland te overtuigen van het feit dat wij slechts ons brein zijn. Sindsdien ziet het er slecht voor de mensheid uit. De enige openstaande vraag is nog of ik wel of niet verantwoordelijk ben voor mijn daden, en of ik eigenlijk wel moet worden opgesloten als ik een willekeurige voorbijganger naar de eeuwige jachtvelden zou helpen. Over dat dilemma heeft inmiddels Jan Verplaetse een boekje geschreven: "Leven zonder vrije wil". Daarmee is het vraagstuk uit-en-tena besproken zou je zeggen. Al zullen de conclusies van Jan vooralsnog wel geen wetgeving opleveren.
Sinds ik literarair in deze brein- en bewustzijnswereld verzeild geraakt, heb ik geen leven meer. Bij alles wat ik doe, denk ik: doe ik dit nu zelf, of wordt ik van afstand bestuurd? Want of er nou een half uur of tweehonderdste seconde tussen aansturing en actie zit, dat maakt natuurlijk niet uit. Ik ben helemaal in de ban van de zelfobservatie. Dat gaan ongeveer zo:
Ik ben iets van plan. Daarna doe ik iets. En vervolgens kijk ik of ik het zelf doe, of dat het me overkomt. Dat levert kolderieke momenten op. Het overkomt me regelmatig dat ik ergens heen loop, en als ik daar dan ben, niet meer weet wat ik daar ging doen. Dat gebeurt niet sporadisch, maar bij herhaling. Met name de badkamer is een geliefd oord van mijn on(der)bewuste. Eenmaal daar aangekomen, weet mijn bewuste deel echter niet meer wat ik daar ook al weer ging doen. Als ik dit aan de kaak stel, blijft het binnenin verdacht stil. Een beetje alsof Kroko (zoals ik hem liefkozend ben gaan noemen) stiekum een vriendinnetje heeft naast mijn op zich toch niet onaantrekkelijke lichaam. Voor een brein dan. Mijn bewuste deel heeft best een aardig IQ, een afwisselend leven, variërend van voetbal tot klassieke muziek, en van detectives lezen en kijken tot gedichten lezen. Dat alles gelardeerd met een snelle analytische blik en een positief zelfbeeld. Maar misschien is het niet genoeg. Misschien zijn witte tegels en een WC pot veel uitdagender kamergenoten voor Kroko.
Als ik ben aangekomen op de uitgekozen plek, mag ik zelf verzinnen wat ik daar ging doen. Na enig nadenken weet mijn bewuste deel de puzzel meestal wel op te lossen. Meestal is het inderdaad iets wat ik enkele minuten eerder van plan was, maar al weer vergeten: mijn portemonnee uit de broek halen die ik gisteren aan had, mijn schoenen zoeken die ik daar gisteren uit heb gedaan maar waarvan ik niet wist dat ze in de badkamer stonden, mijn tanden poetsen, omdat ik dat eerder even heb uitgesteld, de klaar gelegde was meenemen naar de wasmand, dat soort dingen.
Met die was loop ik dan naar beneden, waar ik naar de bijkeuken ga om de was te deponeren en de koffie aan te zetten. Ik laat dat dan graag ook aan Kroko over. Nu ik weet dat ik wordt bestuurd, laat ik me graag verwennen en kan ik ondertussen wat anders nuttigs doen. Maar dat blijkt teveel gevraagd. Kroko kan helemaal niet multitasken. Hij is dan de weg volkomen kwijt. Terwijl ik (of hij?) de oude koffiepads uit de Senseo haal, wordt de was zonder enige waarschuwing in de vuilnisemmer gekieperd. En wie mag de troep opruimen en in de afval gaan vissen: ik zelf! Zodra ik het in de gaten krijg.
Ondertussen roept mijn bewuste deel me toe: Hou toch je kop erbij man! De pot verwijt de ketel.
Nee, ik ben niét mijn brein!
maandag 3 oktober 2011
Wervingsprocedure
Als ik binnen kom zit hij al op het bankje. Rechts van de draaideur. Je zit daar een beetje 'te kijk', net als op ieder ander bankje of ontvangstzitje bij ieder ander bedrijf. Alle passanten kunnen je zien en weten: hij komt op bezoek. En soms, als het zo'n dag is: hij komt solliciteren. Vandaag is zo'n dag. Rondstruinende belangrijk doende adviseurs gluren naar hun potentiële nieuwe baas. Want daar is het vandaag voor, voor een manager.
Niemand wil manager genoemd worden. Een manager is een nitwit, een niet-kunner, een omhoog gevallen ijdeltuit, die Peters' principle belichaamt: je stijgt net zo lang tot je een baan krijgt, die je niet aan kunt. Daar blijf je hangen. Iedereen wil graag belangrijk zijn. Baasje, zeker de man'lijke 40-plusser. Even tenminste. Tot hij 50 is. Maar niemand wil manager heten.
Als de sollicitant is opgehaald, komen de secretaresses tevoorschijn.
- "Lekker ding"
- "Mooi pak"
- "Die nemen ze nooit, veel te goed".
- "Zag je die blik, hij kleedde je uit".
Het oordeel is al geveld. Je hoeft eigenlijk niet met sollicitanten te praten. Zet een sollicitant een kwartier op het bankje, en de staf vertelt je wie je gaat nemen. Het spaart geld. Het creëert saamhorigheid.
De staf heeft uiteindelijk altijd gelijk.
Niemand wil manager genoemd worden. Een manager is een nitwit, een niet-kunner, een omhoog gevallen ijdeltuit, die Peters' principle belichaamt: je stijgt net zo lang tot je een baan krijgt, die je niet aan kunt. Daar blijf je hangen. Iedereen wil graag belangrijk zijn. Baasje, zeker de man'lijke 40-plusser. Even tenminste. Tot hij 50 is. Maar niemand wil manager heten.
Als de sollicitant is opgehaald, komen de secretaresses tevoorschijn.
- "Lekker ding"
- "Mooi pak"
- "Die nemen ze nooit, veel te goed".
- "Zag je die blik, hij kleedde je uit".
Het oordeel is al geveld. Je hoeft eigenlijk niet met sollicitanten te praten. Zet een sollicitant een kwartier op het bankje, en de staf vertelt je wie je gaat nemen. Het spaart geld. Het creëert saamhorigheid.
De staf heeft uiteindelijk altijd gelijk.
Abonneren op:
Posts (Atom)