Posts tonen met het label leeuwarden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label leeuwarden. Alle posts tonen

zaterdag 22 september 2012

Bronnen van de geschiedenis

Het is 1976. Nog acht weken, dan heb ik eindelijk en definitief vakantie. Nog acht weken naar school, dan zit het er op. We hebben inmiddels de hele geschiedenis van de wereld behandeld, van de steentijd tot het heden, van de jagers tot de kabinetsformaties. Ik kan me niet voorstellen dat er nog iets komt. We zijn klaar! Maar ik heb me vergist. Er blijkt nog een zwaar onderwerp op de lerarenagenda te staan.

- "Hoe weten we eigenlijk zoveel over de geschiedenis?", slist en buldert onze leraar, de in onze school legendarische heer Middelink.
Wij weten het niet. Wij zijn elke week weer vol bewondering over wat hij allemaal weet. Maar we hebben ons nog nooit afgevraagd hoe hij aan zijn kennis komt. Waarschijnlijk geschiedenis gestudeerd, een beeld dat voor ons nog ver weg is, al zijn sommigen naar de studievoorlichting van geschiedenis geweest. Gortdroog,  niemand van ons overweegt een dergelijke carrière.
-"Uit de bronnen van de geschiedenis!", buldert hij.
Het voegt weinig toe aan onze kennis. Wij weten niet wat de bronnen van de geschiedenis zouden kunnen zijn. En we weten niet of het ons interesseert.

In de daarop volgende acht laatste weken van het schooljaar leren we alles over opgravingen, gevonden dode zee-rollen, de dagboeken van Che-Guevara,  fossielen, mondelinge overlevering, onvermoede boeken in het Vaticaan en nog veel meer: We leren over de bronnen van de geschiedenis.

Als ik acht weken later het geschiedenislokaal binnen kom voor mijn mondeling examen geschiedenis, ben ik dat allemaal  vergeten. Nadat ik op geen enkele wijze een lijn heb weten te ontdekken in de vijf oorlogen tussen Engeland en Japan, zelfs het aantal is nieuw voor mij, vraagt Middelink:
-  "Hoe weten we eigenlijk zoveel over Che Guevara? "
Ik weet iets over zijn dagboeken te melden.
- "Kun je nog meer bronnen van de geschiedenis noemen?"
De moed zinkt mij in de schoenen. Juist dit onderdeel van de stof is me volledig ontschoten tijdens de voorbereiding. Ik weet het niet. Uiteindelijk sluip ik het lokaal uit met een 6-. Mijn scriptie over Leonardo da Vinci sleept me er door.

Juist deze week blijkt dat al deze gemiste kennis van levensbelang kan zijn. In Limburg is een fossiel gevonden van een mosasaurus, een zwemmende roofdinosaurus van 13 meter lang. Hij is anderhalf miljoen jaar ouder dan de oudste tot nu toe gevonden Mosasaurus. En hij vult de leemte in kennis van een lange periode. Ik zou hem zelf willen uitgraven en omhelzen. Maar ik heb geen geschiedenis gestudeerd,

Ook deze week werd een snippertje perkament gevonden, waaruit blijkt dat Jezus gewoon getrouwd was. Net als alle joden van zijn leeftijd. Op het papiertje de zin: "Jezus zei tot zijn leerlingen: Mijn vrouw.........."
En dan niks meer. Maar het is wel een echte bron. Papyrus uit de derde of de vierde eeuw. Jezus citeert zijn vrouw. Jezus was dus getrouwd! Met Maria. Maria Magdalena, een prostituee. In de bijbel en in de noordoostpolder zeggen ze ook wel: een hoer! Dat maakt Jezus trouwens alleen maar sympathieker wat mij betreft. Maar er zijn mensen die daar anders over denken.

Uit het onvolprezen boek van Paul Verhoeven over Jezus van Nazareth, weten we inmiddels ook al lang hoe de vader van Jezus heette: Pantherus. Dat is weer ontdekt door de theologe Jane Schaberg, die dat al in 1990 wereldkundig maakte. Pantherus was een Romeinse soldaat uit een gebied dat nu Duitsland heet. Niks maagd. Maria werd tijdens een opstand van Palestina tegen de Romeinen verkracht door een Romeinse soldaat en opgevangen door de goedzak Jozef. Voor mij als voormalig gereformeerde, zelfbenoemde atheïst, bijna een reden om weer godsdienstig te worden. Wat een romantiek! Wat een held! Trouwens, ook Dhr. van de Staay moet van deze, hem onwelgevallige theorie hebben geweten. Want ik neem aan dat hij, net als alle andere mensen, alles leest over zijn idool. Misschien dat juist deze wetenschap hem wel bracht tot zijn bijzondere uitspraken.

Waarom denken sommigen van ons dat Jezus is geboren uit een maagd? De apostel Paulus, de ontembare evangelist voor Jezus in het oude Rome, was een groot diplomaat. Om het christendom een beetje kans te geven in het brede palet van godsdiensten in het oude Rome, was een maagdelijke geboorte een pré. Er waren er wel meer, maar niet heel veel. Ook voor deze wetenschap zijn heel veel bronnen. Het meest toegankelijk geschreven daarover is het boekje van Kees Hendrikse: "God bestaat niet en Jezus is zijn zoon". Mooie verhalen. Lezen, juist als je het er niet me eens denkt te zijn. Het besef dat je het er niet mee eens kunt zijn is al een winst. We mogen in Nederland geloven wat we willen. Tenminste van de heidenen. Voor sommige godsdienstigen ligt dat ingewikkelder. Zo mogen we niet vinden dat Mohammed maar een wredaard was en daar zeker geen film over maken. Dan gaan mensen de straat op om met dat wat ze geloven de wereld kort en klein te slaan. Ook al is er via allerlei bronnen informatie, die duidelijk maakt dat ze ongelijk hebben. Maar, zo leerde ik kort geleden, verwachten dat iemand van mening verandert op basis van hem onwelgevallige feiten, is hetzelfde als verwachten dat als je de staart van een hond beweegt die hond dat zal beleven als kwispelen.

Als ik alles samenvat leveren de bronnen van de geschiedenis deze week het volgende beeld: Jezus was een Duitser was, getrouwd met een dame van lichte zeden. Hij leefde miljoenen jaren na een roofdinosauris, die volgens de bijbelse jaartelling niet kan hebben bestaan. Het lijkt me al met al nieuws dat in de Noordoostpolder en Urk en nog veel meer plaatsen moet zijn ingeslagen als een bom. Maar alleen als je gelooft in bronnen van de geschiedenis. Je kunt de geschiedenis ook zelf bedenken.

NB. Deze column was in sterk verkorte vorm te horen op radio Noordoostpolder op zaterdag 22 september in het programma On the radio.

zaterdag 10 maart 2012

Friezen geven gas, begrepen!?

De perswereld is in de war. Een voetbaltrainer heeft een vierde official uitgescholden. Dat hoort niet. Zeker niet als die voetbaltrainer  in de eredivisie werkt. Nota bene bij de club die bijna bovenaan staat in de eredivisie. Wat denkt die trainer wel. Hij moet een voorbeeld zijn

Een voetbaltrainer is boos. Hij is van het veld gestuurd. Door de vierde official. Hoe onbelangrijk kun je zijn! Vierde! In de sport de meest uitgekotste plek die er is! Official: in de sport de plek voor iedereen die iets niet kan! Middenmoter zonder zelfkennis!

De vierde official voelt zich belangrijk. Hij moet in de gaten houden of de trainer tussen de lijntjes blijft. Hij oefent vaak met z'n zoontje van drie op het treinstation. Die mag dan vrij rond lopen, maar tot aan de streep. Want nog verder is gevaarlijk. Dan kun je zomaar worden mee gezogen door een trein.

De wedstrijd loopt niet naar wens. De trainer schreeuwt. De vierde official vindt dat eng. Z'n zoontje schreeuwt soms ook. Hij loopt naar de trainer.
- 'Trainer niet zo schreeuwen'.
Maar de trainer hoort het niet, die let op het veld.
- 'Trainer niet zo schreeuwen'.
De trainer kijkt naar de vierde official. Hij gaat rechter op staan. Z'n lichaam is groot en sterk. De vierde official is bang. Bang dat hij onder de trein zal komen.

De scheidsrechter hoort iemand in z'n oor roepen. Iemand in doodsnood. Het moet een official zijn (de vierde waarschijnlijk), want anderen kunnen hem niet bereiken. Keepers die in elkaar getrapt worden mogen geen zendapparatuur hebben. De scheidsrechter rent naar de kant, naar de man in doodsnood.
'"Hij duwde mij!".
"Je liegt!"
"Nietus!".
"Wellus".

Er is een man in een auto. Er staat een bordje: Leeuwarden rechtsaf. Omdat de chauffeur z'n doel in Leeuwarden zoekt, slaat hij rechtsaf. Maar de straat loopt dood. Erg dood. Een blinde muur doemt op. Fout bordje. Foute bocht. Te vroeg afgeslagen. Toch geeft de man gas. Hij is Fries. Misschien gaat de muur wel aan de kant.

De trainer zit op de tribune. Stuurs kijkt hij voor zich uit. Hij is verongelijkt, boos, machteloos, aangetast in z'n eer. Maar bovenal teleurgesteld, teleurgesteld in het falen van het recht. Omdat de waarheid niet is vastgesteld. Soms is er maar één waarheid, zoals hier. Er is niet geduwd. Het is niet waar. De vierde official liegt! Nooit zal de trainer genoegen nemen met deze belachelijke onrechtvaardige behandeling! Daarom geeft hij gas.

Zoals het een Fries betaamt. Thuis begrijpen ze dat.

maandag 31 oktober 2011

Reünie

Ik heb me afgevraagd of ik wel moet gaan. Wat heb je nou aan een reünie? Oude koeien uit de sloot halen. Bovendien, zo'n leuke middelbare schooltijd heb ik nou ook weer niet gehad. Als boerenzoon uit een buitendorp hoorde je er net niet helemaal bij. Uitgaan was een Utopie. Maar goed ook trouwens, want ik zou niet weten wat ik zou moeten doen bij 'uit'.

Bij de vorige reünie was ze er niet. Het meisje van nog een dorp verder. Het meisje waar ik op bezoek ging. Het meisje waarvoor ik smoesjes verzon om er 's avonds even langs te gaan: huiswerk dat ik was vergeten, een boek dat ik wilde lenen, een uittreksel dat ik wilde overnemen omdat zij het boek al had gelezen. Gelukkig bestond er geen internet. Hadden we geen mobiele telefoon.
Ik fietste naar haar huis zodat ik even 5 minuten bij haar op de bank kon zitten, want langer durfde ik niet. Zo had ik haar heel even voor mezelf, tenminste, hoefde ik haar niet te delen met de andere jongens. Want haar ouders waren er ook bij natuurlijk.

Nooit heb ik iets van mijn verwarde en verwarrende gevoelens met haar gedeeld. Ook niet toen ze mee was naar Taizé en Annecy op mijn eerste buitenlandse reis. Georganiseerd door de school. Ik durfde niet, was te bleu, te bescheiden, te groen, te on-ïngelicht, te pukkelig, te laf. Ik zag haar overal en was tevreden met het feit dat ze er was. Ik ben benieuwd wat er van haar is geworden.

Er zijn niet veel mensen van mijn examenjaar. Negentienvijfenzeventig is ook al even geleden. Omdat ik ben blijven zitten, zoek ik in twee lokalen naar bekenden. En al staat zij op de inschrijflijst, ik zie haar niet meteen.

Dan is ze daar. Ik herken haar meteen. Hoe kan het ook anders, ze is in al die 35 jaar natuurlijk bijna niet veranderd. En zij ziet mij. In het enthousiasme waarmee ze naar me toe rent en mij innig omhelst meen ik haar positie op de bank te kunnen lezen. Van destijds. Een siddering van zesendertig jaar verstilt in vijf seconden. Schuurt de ziel. Ze voelt warm en stevig. Ze kijkt me aan.
- "Wat ben ik blij jóu te zien".

We verkennen de dag. We blijven bij elkaar. We wisselen gezinnen uit. We zeggen niets.
We benoemen niets. Het zou kunnen breken, kapot kunnen vallen, ons kunnen beschadigen.
Bij het afscheid dezelfde warme omhelzing. De lichaamstaal van de gedeelde ervaring, woordeloos, maar daarom niet minder duidelijk.

Als ik naar huis rijdt zet ik de radio aan. Radio 4 natuurlijk, 'Pianistenuur'. Een derde deel over het leven van Liszt begint met Liebestraum 1 en 3. Hoe pathetisch kan het echte leven zijn! Als God knipoogt moet je wel omhoog kijken.

Misschien komt er nog een reünie, voordat de eeuwigheid ons op slokt.

zaterdag 29 oktober 2011

Dagsluiting

Als we de klas binnen komen bij de franse les, kunnen we merken dat er iets anders is. Onze leraar is er al. Tegen zijn gewoonte in. Hij is zenuwachtig. We hebben les over een een boek dat we samen lezen. Het telt mee voor de boekenlijst van 15 Franse boeken, die we voor het eindexamen moeten lezen. In het verhaal gaat het over een kar met twee wielen, waar een paard voor moet worden gespannen. Om het paard ervoor te krijgen moet het paard 'reculer', althans in het boek. Eén van mijn klasgenoten vindt dat maar onzin. Thuis hebben ze paarden voor een sulky, en je kunt best de kar om het paard trekken. Nergens voor nodig, dat 'reculer'.

De anders altijd goedlachse leraar blijkt niet bevattelijk voor grapjes. Of voor een discussie in het Frans. Hij is er niet bij. Lijkt het einde te vrezen. Als de les bijna afgelopen is, komt de aap uit de mouw.
-"Is het jullie laatste les vandaag?"
We knikken, "gelukkig wel!"
- "Het is de bedoeling dat aan het eind van de dag door de leraar wordt voorgegaan in gebed".
Hij deelt het mee, als was het een extra opdracht in ons huiswerk.
We zijn verbaasd. De afgelopen jaren is er nooit voorgegaan in gebed, niet aan het begin van de dag en ook niet aan het eind. Alleen bij het overblijven is er een moment stilte. De conciërge tikt met een mes op een etensbord, er volgt een razandsnelle minuut stilte, en na het verlichtende "Eet smakelijk" werken we onze 14 beterhammen naar binnen, om daarna een potje te kunnen schaken.Maar ook daar geen afsluiting.

"De  nieuwe rector heeft het zo bepaald", zucht hij, en hij neemt een devote houding aan met gesloten ogen, de gevouwen handen voor zijn kruis. Het is duidelijk zijn nieuwe huiswerkopdracht.
We doen mee. Als leerlingen van een christelijke school kennen de meesten van ons dit ritueel van thuis, de kerk of van bij opa en oma.

Hij begint een klein dankgebed. Het duurt maar even.
"Heer wij danken u, dat wij vandaag weer naar school mochten komen"
Wij vinden het best. Beter leek: "Dat we eindelijk naar huis mogen, maar we zeggen natuurlijk niets.
Hij lijkt niet echt te hebben nagedacht over het vervolg, want even wordt het stil. Dan vervolgt hij:
- "Ook danken wij u voor het mooie weer vandaag".

Nog voor het eind van de zin tikt de regen tegen het raam.
God laat zich niet paaien door een rechtlerige rector. De Franse leraar ook niet.
- "Oh nee, toch niet", zegt hij zonder aarzeling.
- "Amen".

Wij kijken nergens van op. De echte wereld lonkt, en zonder commentaar dringen we naar buiten. Op zoek naar een regenpak.  God heeft met niemand mededogen.

vrijdag 8 juli 2011

Mondelinge overhoring

We hebben geschiedenis. Middelink zit op zijn platform en overziet de klas.
- "Wie heeft het geleeeerd?" slist hij.
Iedereen steekt z'n vinger op. Dat hebben we inmiddels wel geleerd. Als je je vinger niet op steekt zal zijn onvermijdelijke commentaar zijn:
- "De Boer, een paaaal".
Het woord 'paal' kan alleen hij uitspreken op een manier, die maakt dat je niet protesteert tegen een zo onredelijke bejegening, zonder de kans op enige toelichting. Omdat je ook niet beslist weet of hij het meent of niet. Maar het risico nog een keer nemen, dat doet niemand.
Als je geluk (of pech) hebt, is er een andere straf adequaat:
- "Dat wordt 20 kaarsen extra verkopen voor de Surinamezending".
Want hij is voor ons onplaatsbaar geobsedeerd door de Surinamezending.
We hebben trouwens geen idee wat dat is, Surinamezending. En waarom dat nodig is. Maar iedere week komt het wel een keer aan de orde.

Vandaag is het tijd voor een mondelinge overhoring. Iedere week krijgen drie leerlingen een beurt om voor de klas enkele vragen over de les te beantwoorden. Het cijfer telt mee als een SO (Schriftelijke overhoring). Als je er slecht voor staat kun je een extra keer aanvragen.
- "Zo, wil je verder sparen voor een hekwerkje? ", is dan het commentaar dat je zult moeten trotseren.  

Vandaag is Henny Bustra aan de beurt. Haar oranje naveltruitje, haar hotpants en haar laarzen lijken hem volkomen te ontgaan. Als ze haar vragen heeft gehad en wil gaan zitten, verandert zijn houding:
- "Blijf even staaan", is zijn slepende en dwingende bevel.
- "Wat heb je daar op je ooooogen?"
Henny lijkt verrast. Dan antwoord ze:
- "Oogschaduw meneer.
Middelink wacht even. Dan is zijn dodelijke commentaar:
-'t Spijt me kind, net een spook".

Het is doodstil. In één klap staat ze ter discussie. Plotseling hebben wij de kans haar flirterige uiterlijk te zien. Kunnen we weten, dat hij, Middelink, onze favoriete leraar, het door heeft.
Maar wij houden van kijken naar Henny. En zijn nog niet in staat de psychologie van deze actie te duiden. Hij vindt het niets! Hij houdt ons een spiegel voor.
De les begint. We praten er niet over. Onderling niet. Met Henny niet. Want dat durven we niet.

Henny heeft bij geschiedenis nooit meer oogschaduw op.
Middelinks populariteit is altijd onaangetast gebleven.
Ik vraag me achteraf af waarom hij zo populair was.

dinsdag 5 juli 2011

Henny Bustra

Het is eng. Heel eng. Vandaag is mijn eerste dag op de middelbare school. Ik ben nog nooit buiten Tietjerk geweest. Tenminste, niet alleen. Niet op een plaats waar ik zelf moet bepalen wat ik doe of waar ik heen loop. Mijn grootste avonturen tot nu toe bestonden uit de wedstrijden met mijn korfbalteam en de daarbij behorende 'seriedagen':  Samen met je teamgenoten in de zon liggen. Wachten op de volgende wedstrijd bij het luisteren naar 'de Clown' van Ben Cramer. En 'Kom uit de bedstee mijn liefste'.

Vandaag is het zover. Ik ben vooral bang dat ik de deur niet kan vinden. Want dat heb ik gedroomd: dat er zoveel deuren zijn, dat je niet weet waar je naar binnen moet. De school is groot hebben ze me verteld. Wel 2000 leerlingen. Een leerfabriek. Angstaanjagend. Het is de grote stad. Het is Amsterdam. Ook al ligt de school in Leeuwarden.

In onze klas zitten 30 kinderen. Ongeveer de helft van de kinderen is van boerenkomaf. Uit Sint Annaparochie, Oude Bildtzijl, Morra, Marssum. Plaatsen waarvan ik gehoord heb bij aardrijkskunde.
De school is niet eng. De kinderen wel. De meisjes vooral. Ze zijn groot. En mooi, heel mooi. Ik durf bijna niet te kijken. De meeste dragen hotpants. Eén valt er extra op. Ze heeft grote borsten en een strak shirtje. Ze draagt zwarte laarzen tot boven haar knieën en ze is erg opgemaakt. Alleen haar haar is een beetje gek. Ze is blond, haar haarlijn is erg rafelig, slonzig bijna. Vlasachtig.

Ik durf niet bij haar in de buurt te komen of tegen haar te praten. Ze is blijven zitten. Haar naam is kenmerkend voor het meest kenmerkende deel van haar uiterlijk. Zeggen ze. De jongens van mijn klas. Ik snap het niet. Bustra heet ze. De jongens spreken het anders uit.

donderdag 23 juni 2011

Proefwerk

Als we de klas binnen komen zit Middelink al op zijn verhoging. Zijn dampende sigaar als fallus van zijn autoriteit. We hebben geschiedenis. Terwijl wij onze plaatsen opzoeken slist hij:
- "Zo kindertjes, heeft mamma jullie weer laten gaan"?
Zijn spraakgebrek is onderdeel van zijn overwicht, iets waar weinig andere leraren hem in kunnen volgen.
"- Pak je boek!", roept hij als we bijna allemaal zitten.

Onzekerheid alom. Een enkele leerling steekt een vinger op, een andere zoekt een boek. Dan roept er één door de klas:
- "Maar meneer, we hadden vandaag toch een proefwerk?"
- "Is dat zo?", riposteert hij, niet in het minst uit het veld geslagen.
- "Pak dan je proefwerkblok maar".
Achter mij moppert een klasgenoot tegen de verklikker: "Hou toch je mond man".
Maar die zucht: "Anders moet ik het volgende week weer leren".
Meer tijd is er niet, omdat de eerste vraag al door de klas schalt:
-"Hoe heette de gezant van de keizer Wilhelm de tweede, die de eerste wereldoorlog aankondigde?"
-"Schrijf alleen het antwoord op".
Ik weet het antwoord: Benedetti.
"Werd thuis altijd Detti met de benen genoemd, omdat hij zo hard kon rennen", was in de les het bijbehorende grapje met ezelsbrug-eigenschappen geweest.

Als hij na 20 vragen kort pauzeert, vraagt een Joke de Jong, die nooit één van de snelste is,
- "Meneer, wat was vraag 12?"
Enigszins verstoord kijkt hij op.
-"Dacht je dat ik dat nog weet, sloom wicht", slist hij, onder hilarisch gelach.
Dan volgt vraag 21.

Als er 30 vragen zijn geweest, mag ik de proefwerken innemen en naar hem toe brengen. Zelf steekt Middelink een nieuwe sigaar op. Dan legt hij vier proefwerken naast elkaar op z'n bureau. Het antwoord dat het meeste voor komt stelt hij vast als het goede. Twee fouten een punt.
"Je kunt zelf je cijfer uitrekenen".
Een voor één mogen we ons cijfer zeggen dat hij in de agenda noteert. Niemand komt op het idee een ander cijfer te noemen dan hij daadwerkelijk heeft verdient.

Dan zoeken we de gang op, een ervaring rijker.
Wie zegt daar dat het onderwijs slechter is geworden?

maandag 6 december 2010

Vergeetboek

In het weekend werd ik tot twee keer toe geconfronteerd met de dood. De eerste keer was toen ik in een opwelling het boek "Koning van de kist" van Pieter Jouke en Michiel Peereboom kocht van boekenbonnen, die ik nog had van een klant, die zo z'n waardering uitsprak voor mijn werk. Altijd prettig als je die van je baas niet krijgt. Het boek heeft als ondertitel 'een humoristische voorbereiding op het onvermijdelijke', een oproep, die ik goed kan gebruiken en bovendien altijd tot mijn repertoire heeft gehoord. Zwarte humor dicht bij de werkelijkheid. Grappen maken over de dood als hij niet al te dichtbij is. Want zodra dat het geval is, bij jezelf of iemand in de omgeving, vergaat je het lachen al weer snel om de één of andere reden.

De tweede keer was toen ik het laatste hoofdstuk las van het 'Vergeetboek' van Douwe Draaisma. Douwe is nog een jaargenoot van mij. Dat is een volstrekt onbelangrijk en irrelevant detail, maar op de één of andere manier straalt zijn roem daarmee weer op mij af. Ook al is hij mij waarschijnlijk al lang vergeten, aangenomen dat hij mij al ooit heeft gekend of herrinnerd. Want hoe kun je iets vergeten, wat je nooit hebt geweten of gekend?
Douwe schrijft over de periode zomer 1793 en zomer 1794, een periode waarin in Frankrijk 1370 mensen werden geëxecuteerd. Vlak voor de onthoofding mochten zij een afscheidsbrief schrijven aan hun dierbaren, een brief die daarna door de revolutionaire raad gelezen en gescreend op informatie, waarmee weer anderen konden worden onthoofd; en daarna opgeslagen in het gevangenisarchief. De brieven zijn dus nooit bij de dierbaren aangekomen. Het lezen van deze brieven moet een vreemde gewaarwording zijn. Het lezen van de citaten in het boek van Douwe is dat al.

In het hoofdstuk wordt ook een verbinding gemaakt met Marcel Proust, iemand die me onmiddelijk doet denken aan Gerrit Krol. Omdat ik op de middelbare school wel eens gedichten schreef, die mijn leraar Nederlands deden denken aan de Gerrit Krol, de Nederlandse Marcel Proust, vooral omdat het proza van Proust en Krol volgens diezelfde leraar volkomen onbegrijpeljk was, hetgeen weer weinig goeds beloofde voor het oordeel over mijn puberpoezie.
Ik verwar Gerrit Krol overigens steeds met Sybren Polet, die ik trouwens niet ken en waarvan ik nooit iets heb gelezen, maar die blijkbaar in hetzelfde namenlaadje in mijn geheugen zit als Krol. Dat namenlaadje is in mijn herinnering weer een uitvinding van taalpsycholoog Noam Chomsky, maar als je dat nazoekt blijkt daar weer niets van te kloppen.

Proust kwam ik trouwens het weekend ook tegen in het boek van Joke Hermsen, 'Stil de tijd', dat al een tijdje op mijn (niet Sinterklaasgerelateerde) verlanglijstje stond, en dat ik in dezelfde opwelling meenam als het dodenboek, van de andere helft van de boekenbonnen. 'A la recherche du temps perdu, een boek waarin voor het eerste de chronologie van het verhaal wordt verlaten, al kan ik dat natuurlijk niet controleren. Ik snap echter nu wel mijn Nederlandse leraar.

En al mijmerend kom je dan weer terug bij Douwe Draaisma en zijn prachtige boek, geschreven als professor in een vak, de geschiedenis van de psychologie, waar ik destijds een enorme hekel aan had omdat het zo saai was, en dat ik alleen maar heb gehaald doordat op de dag voor het tentamen plotseling alle vragen circuleerden, iets waar volgens mij na afloop nog wel onderzoek naar is gedaan, maar of ik dat tentamen later nog een keer heb moeten over doen, dat weet ik niet meer.

Misschien deed Douwe wel aan hetzelfde tentamen mee. En had hij het wel geleerd.
Ik kan niet in zijn schaduw staan.

zondag 31 oktober 2010

Mulisch

Mulisch is dood. Het zat er aan te komen. Iederen wist het, maar niemand wilde het toegeven. Ik heb er een gemakkelijk verdiend punt mee gescoord. In het kerstspel. Het is zondag. Natuurlijk is het zondag. Ook in z'n dood is Mulisch groots. Zodat het journaal de hele dag helemaal aan hem gewijd kan worden. En zo hoort het ook.

Mulisch was een vriend van Donner. Mijn held. De man die overleed op de dag dat mijn zoon werd geboren. Die Donner was de hoofdpersoon in de ontdekking van de hemel. Stephen Fry, de vertolker van Donner, was de belichaming van de wereld, of beter het wereldbeeld, dat ik kende uit mijn jeugd.
Mulisch was gelieerd aan Cuba. Het socialistisch paradijs. De verbeterde versie van Rusland. Daar waar het wel goed zou gaan. Castro als voorvechter voor de armen. Tegen het analfabetisme. Samen met Che Guevara. Ikonen van een tijd. Was die Cubaconnectie een vergissing? Mulisch vond dat wel, maar had er geen spijt van. "Je moet niet spugen in de bron waaruit je hebt gedronken".

Mulisch was een ijdel mens. Of iemand die z'n eigen PR goed verzorgde. Iets waar Jan Cremer om werd geprezen. Op mijn middelbare school was er een vast verhaal over Mulisch. Zittend in de lobby van Krasnapolsky werd er ieder uur omgeroepen:
-"Telefoon voor de Heer Mulisch".
- "Dat ben ik"

Maar hij ging niet opnemen. Het was een door hem zelf geënsceneerd toneeltje. Een demonstratie van bewuste grootheid. En van sterfelijkheid.

zondag 3 oktober 2010

Bekentenis

Het is heel, heel heet. Het is mijn eerste dag als bakker. Ik ben 17 jaar en heb een vakantiebaantje, waar anderen van dromen. Met mijn mechanische hond langs de deuren in Leeuwarden. Hoge flats, het Cambuurstadion, de Bankastraat.

Als ik de Hertoginnelaan in rijdt is het één uur. De warmte trilt boven het asfalt. Ik moet in één van de flats zijn, al weet ik niet meer precies welke. Ik meen de tweede. Als ik langs de stoep stop,om op mijn lijstje met klanten te kijken, blijk ik het huisnummer al voorbij. Toch de eerste flat. Voorzichtig rijdt ik achteruit. En achteruit. En achteruit. Best lastig met zo'n hond, maar ik kan het wel. We hebben thuis een trekker, daar kan ik het ook mee. Vol zelfvertrouwen geef ik gas.

Plotseling gaat het niet meer zo hard. Ik geef wat meer gas. Ik hoor geschuur. Als ik een beetje vooruit ben gereden en daarna uitgestapt , sta ik oog in oog met een klein jongetje. Hij draagt alleen een luier. Hij heeft de duim in z'n mond. Net als ik staart hij naar een donkerrode Ford Cortina, waarvan het portier zwaar is beschadigd. Eigenlijk is zwaar beschadigd een eufemisme, er zit een scheur in de deur.

Voorzichtig pak ik de mand met brood uit de zijdeur van de hond, en loop naar de flat van mijn klant. Even nadenken. Het zweet breekt me uit. Op de eerste dag en nu al schade! Weliswaar zijn de woorden 'ongeluk' en 'verzekering' gevallen bij het sollicitatiegesprek, maar ik weet eigenlijk niet wat 'verzekering' betekent. Ik weet wel dat mijn vader niet blij zou zijn met een dergelijke schade.

Als ik terug kom bij mijn mechanische hond is het nog steeds doodstil in de straat. Ook het luierjongetje is verdwenen. Ik stap in, en en rijd naar de volgende klant. En de volgende, en de volgende. De straat uit. Als ik twee straten verder ben lijkt er niets gebeurd. De volgende dag, als ik weer door de Hertoginnelaan kom, staat de auto er nog. Ik parkeer zo ver mogelijk uit de buurt. Woensdag is er geen bakker. Donderdag is de auto verdwenen. Gelukkig!

Als ik vier weken later in mijn laatste bakkersweek met klotsende oksels weer de straat in rijd, staat hij er weer. Met een cremekleurige deur. Ik voel me merkwaardig opgelucht. En schuldig. En beschaamd. Tot op de dag van vandaag.

zaterdag 2 oktober 2010

Mechanische hond


Het is 1973. Ik werk bij Vonks Bakkerijen. Een vakantie-baantje met potentie. Elke dag om 08.00 uur laad ik mijn mechanische hond vol met King Korn- en Tarvo broden, roggebrood en Prince fourrees, en trek Leeuwarden in, als vervanger van de vaste bakker.

Zo'n mechanische hond is een wonder van techniek en duurzaamheid. Elke avond als ik terug keer van mijn ronde, steek ik hem in het stopcontact, en de volgende dag is hij weer vol. Opgeladen, stil en schoon.
De 'mechanische- hond- oplader' kent twee standen: snel laden en langzaam laden. Snel laden is voor de dagen dat er de volgende dag weer verkocht moet worden, langzaam laden is voor na de zaterdag en na de dinsdag. Want woensdag ben ik vrij. De bakker komt maar 5 dagen per week.
Je moet er wel aan denken om de knop van langzaam laden naar snel laden om te zetten iedere maandag en donderdag. Anders haal je de dag daarna de bakkerij niet. Een nacht langzaam laden is (net) niet afdoende om je route helemaal af te maken.
Soms kom je er mee weg, maar meestal niet. Vlak bij de bakkerij is namelijk een tunneltje, waar je als bakker door moet, alsvorens je hond te parkeren in de gestekkerde garage. En met een lege batterij kom je de helling niet op. Dan blijf je op vrijdag steken onder in de tunnel. Dan moeten ze je komen halen met een sleepauto. En ben je het onderwerp van een niet aflatende stroom bakkersgrappen. Het overkomt elke week minstens één collega.

Vonk bestaat niet meer. Bakkers komen niet meer langs de deur. Jammer. Maar 'donderdagstand' of vrijdagstress. Bakkers van Vonk dromen daar nog wel eens van.

maandag 12 juli 2010

Wereldkampioen

Ik kon niet voetballen, tenminste dat zeiden de anderen. Er waren trouwens ook wel aanwijzingen: ik schopte wel eens naast de bal, ongeveer net als Matthijsen in de WK finale van 2010 tegen Spanje. En dan word je geen wereldkampioen.

Zelf had ik een optimistischer kijk op mijn talenten. Ik kon best hard rennen, legde veel kilometers af, in diverse en waarschijnlijk relatief willekeurige richtingen, en was bloedfanatiek. En anderen waren bang voor mij op het veld. Dat helpt.
Soms, heel soms, mocht ik mee doen. Bijv. in de eerste klas van de middelbare school, in het schoolvoetbalteam. Als keeper. Want daar konden ze echt niemand voor vinden.

Ik was een keeper met grote handschoenen. Die waren weliswaar nooit gemaakt om mee te keepen, maar ik had op TV gezien dat keepers handsschoenen dragen. En daarom had ik de bruine wollen handschoenen van mijn vader uit de kast gezocht. Hij miste ze toch niet zo rond de pasen, de traditionele periode voor het schoolvoetbaltoernooi. Nadeel van die handschoenen was, dat mijn vingers maar halverwege de vingers van de wollen monsters kwamen, hetgeen mijn gevoel voor de bal niet bevorderde, voor zover het al aanwezig was.

Gelukkig hadden we goede voetballers en kwam de bal bijna nooit in mijn buurt. Tot in de finale. Een bal werd zachtjes door een verdediger op mij terug gespeeld. Ik probeerde de bal op te pakken. Dat mocht toen nog. Helaas, doordat ik met de te grote handschoenen weinig gevoel had voor de afstand tot de bal, stuitte de bal tegen mijn vingers en weer het veld in. Alwaar het kleinste jongetje van de tegenpartij, type 'ik mag anders ook nooit mee doen', klaar stond om de bal in het doel achter mij te schieten.

De verdedigers waren niet blij. Nog meer werd de bal uit mijn buurt gehouden, en gegeven aan onze stervoetballer: Piet Wildschut. Piet speelde in het nationale jeugdteam. Maar Piet had één zwak punt, hij speelde steeds over. Liever zagen wij dat Piet de bal pakte en langs de tegenstanders slalomde, om de bal in het vijandelijke doel te schieten. Maar dat deed hij alleen als we niet voor stonden en het al tegen het einde van de wedstrijd liep.

Mijn blunder maakte dat Piet wel moest. Even later was het al 1-1. En vlak voor tijd deed Piet z'n plicht, door een zelf verdiende strafschop in de bovenhoek te schieten. Ik had het beste in Piet boven gehaald. Ik voelde me wereldkampioen.

Acht jaar later verloor Piet de finale van het WK in Argentinië.
Ik ben benieuwd welke herinneringen er bij hem boven komen.

dinsdag 12 januari 2010

Roll over Beethoven

De voorronde van het NK schaken voor de jeugd was in 1975 in Doetinchem. Omdat ik tweede was geworden in Friesland, mocht ik mijn 'Heitelan' daar vertegenwoordigen. Nog nooit was ik buiten Friesland geweest, en Doetinchem is dan een mooi begin. De avond voor de laatste ronde, was er een afsluitend feestje. Omdat het schaaktoernooi alleen maar jongens als deelnemer had, waren ook de meisjes van de plaatselijke meisjes-MAVO uitgenodigd die avond de feestlocatie te komen bezoeken.

Voor de meeste jongens waren deze meisjes wezens van een andere planeet, waarschijnlijk Venus, al wisten we dat toen zeker niet. De meisjes drapeerden zich langs de kale grijze en betonnen muren, al denk ik achteraf, dat die muren noch kaal, noch grijs, noch van beton waren. Of alleen het laatste, zoals het muren natuurlijk ook betaamt.

De jongens keken vanuit de verte naar deze curiositeit. De meeste zaten in een hoekje met een zakschaakspelletje de partij van die dag nog maar eens door te nemen. Er speelde harde muziek. Maar één nummer is mij bij gebleven. Het triggerde deze blog. Ik hoorde het afgelopen zaterdag weer op een feestje van iemand die Abraham had gezien, in een gelegenheid met kale muren en dansende meisjes.

Juist nu je weet waar de mosterd wordt gehaald, is een dergelijke confrontatie elke keer weer even schrikken.

zondag 3 januari 2010

Schaken en naakt

Schakers zijn vreemde mensen. Het beeld bestaat al heel lang. En is bevestigd door Jannes van der Wal, die overigens geen schaker was, maar een dammer. Althans in de tijd dat hij bekend werd en was.

Ooit spijbelde ik van school om bij het nationaal schaakkampioenschap in Leeuwarden 'bordenjongen' te kunnen zijn. Taak van de bordenjongen is om de zetten, die de (groot-)meesters op hun bord spelen, over te brengen op de grote borden voor het publiek. Zelf heb ik aan menig schaaktoernooi mee gedaan. En al schaak ik (bijna) niet meer, je houdt er altijd een tik van over.

Schakers hechten niet erg aan kleren, of hoe ze er uit zien. Een Finse schaker waar ik tegen speelde, nam ooit deel aan een schaaktoernooi in Gausdal terwijl hij maar één shirt bij zich had. Iedere dag kon je daaraan zien wat hij de vorige dag had gegeten. Zijn shirt was een, voor zich sprekende, eet-biografie.
Ook een Roemeense schaker begon ooit een toernooi in Narbonne, waaraan ik deel nam in een smetteloos zalmkleurig shirt, dat hij de gehele week tijdens zijn partijen bleef dragen. Opvallend in dat shirt waren de dagen daarop, de cirkels rondom zijn oksels. Elke dag kwam er één bij, als jaarringen in een boom. De vochtplek werd iedere dag groter. Zijn inspanningen vormden steeds een nieuwe ring, hetgeen ook wetenschappelijk interessante speculaties opleverde. Nemen delen van een overhemd, die al eens nat zijn geweest, minder vocht op?

Het is misschien relevante kennis als je in het Groninger Museum de tentoonsteling over Duitse expressionisten gaat bekijken en uiteindelijk stuit op het schilderij:


"Erich Heckel und Otto Mueller beim Schach" uit 1913 van Ernst Ludwig Kirchner.

Twee mannen schaken, terwijl de, volgens de beschrijving 'net nieuwe vriendin van één van de schakers', naakt achter één van hen ligt. Volgens de brochure bij de tentoonstelling is het "een portret van vriendschap, maar verwijst ook naar het intellectuele karakter van de Brücke en hun serieuze zoektocht naar vernieuwing in de kunst".

Ik weet wel beter. Ze zijn aan het schaken en zijn alle belangstelling voor hun omgeving verloren. Kleding doet er niet toe. De omgeving is verdwenen.

Je bent schaker. Je bent schilder.
Het schilderij spreekt voor zich en is volkomen vanzelfsprekend.

donderdag 31 december 2009

Kansarme kunstenaar

Ik ben naar de Duitse expressionisten geweest in Groningen. Waar leren mensen toch om zo te schilderen? Zelf haalde ik op de middelbare school alleen een voldoende voor tekenen omdat je geen onvoldoende kon krijgen, als je daadwerkelijk een tekening produceerde. Dus het papier min of meer had gevuld. Dhr Lakke, onze tekenleraar, moedigde mij aan om de A3 vellen vooral vol te schilderen en veel verf te gebruiken. Ik snapte niet wat hij bedoelde en uiteindelijk negeerde hij mij. Gelukkig!

Mijn klasgenoot, Piet Andriessen, schilderde drie tekeningen in ieder tekenuur (ik maximaal één per drie uur). Piet schilderde volstrekt non-figuratief. Geklieder in mijn ogen. In ieder geval iets waarvan ik niets begreep. Ik begreep al helemaal niet hoe Piet voor ieder van die schilderijen een 9 haalde. Nadoen kwam niet in mij op.

Op een dag luidde de opdracht: schilder een Vlaggenwinkel. Het zweet brak mij uit. Het concept 'winkel' impliceerde in mijn beleving minstens een vorm van perspectief, iets waar ik volstrekt niet toe in staat was. Bovendien sluimerden in mijn achterhoofd nog de na-tekenopdrachten, die ik op de lagere school altijd kreeg. Eén van die opdrachten, een boerenwagen met hooi, was mij, na drie tekenlessen en een draai om de oren van de meester, afgepakt met de opmerking:"jij leert het in ieder geval nooit, sufferd!".

Na een half uurtje vlaggenwinkelen, bleek mijn incompetentie inmiddels optimaal. Het ontging Dhr Lakke niet. Hij suggereerde om over de, in naïeve stijl geschilderde, contouren van de vlaggenwinkel maar vlaggen heen te schilderen, zo groot mogelijk. Er leek geen alternatief mogelijk. Oh, had ik toen ooit maar één keer een expressionistisch schilderij gezien!

Bijna een jaar later bestond de school 50 jaar. Onderdeel van de viering was een tentoonstelling van een kleine selectie uit het werk van leerlingen van de school, gemaakt tijdens de tekenlessen. In de gymzaal, met als gevelspreuk "der jongelingen sieraad is hunne kracht", honderden werken, o.a. diverse werken van Piet Andriessen. Tijdens de rondwandeling kreeg ik bijna een hartverzakking. Hoog boven in de gymzaal, gelukkig niet al te opvallend, en zeker niet met een herkenbare naam, hing mijn vlaggenwinkel!

Zelden hebben schaamte en trots zo om voorrang gestreden als die dag.

donderdag 9 april 2009

Gratis CD?

Ik luister naar Klassieke muziek. Dat is heel bijzonder. Ik ben namelijk al 51 jaar en ben daar pas ruim een jaar geleden mee begonnen. Klassieke muziek is tenslotte iets voor bejaarden. Als Maartje van Weegen op radio 4 iedere dag van de week de aubade (= verzoekplaat) aankondigt, is dat meestal een plaat die iemand van 80 gedraaid wil hebben voor zijn moeder die dood is. Tuurlijk! Je bent zelf ook bijna dood man! Maar dit terzijde.

Ik luister naar radio 4. Dat komt omdat ik 's morgens om 8 uur vaak in de auto zit. Ik luisterde naar radio 1 en 2. Maar daar is altijd en lang reclame en verkeersinformatie. En dat interesseert me niet. En toen vond ik radio 4. Geen reclame. Want niemand luistert natuurlijk. Maar sinds kort is er wel reclame. Ik heb dus anderen mee gebracht. Misschien.

En zo is het gekomen. Ik ken nu Lang Lang, ik weet van Ronald Brautigam, ik kan zo 10 dirigenten of orkesten opnoemen. Ik weet van pianotrio's en strijkkwartetten. En ik heb CD's gekocht. Veel CD's. Eerst goedkope, bij Kruidvat en van der Leest. Later ook dure uitvoeringen van Deutsche Grammophon. Ik ben zelfs naar het concertgebouw geweest, helemaal vanuit Dalfsen naar het doodenge Amsterdam. Naar een kindervoorstelling, maar toch. Ik wist dat trouwens vooraf niet, maar wat maakt het uit.

Ik heb plotseling waardering voor meneer de Jonge, mijn muziekleraar van de middelbare school, die rare man met met vet plakhaar. Hij leerde ons over de schilderijententoonstelling van Mousorgski en over de symphonie met de paukenslag.

En nu moet je een verhaal insturen waarom radio 4 je een CD kado zou moeten doen. Ik houd in mijn eentje de hele CD-industrie nog overeind. Meneer Plato in Zwolle buigt al als ik binnen kom. Komop platenindustrie en radio 4. Ik heb wel een CD verdiend dacht ik zo!

maandag 9 maart 2009

Roel Slofstra

Op de middelbare school had ik les van 'meneer Slofstra'. Nederlands, van een echte diepfries. Meneer Slofstra was al oud. Meneer Slofstra was bovenal een fenomeen. Allereerst deed hij z'n naam eer aan en slofte, uiterst langzaam door de klas. Ook was hij bibliothecaris en leende ons als 5 atheneum de leesboeken voor Nederlands. We stonden in de rij, zodat hij onze namen kon noteren. Eenmaal sprak hij daarbij de magische woorden:"En de Boer, wat is de naaaam?" Ik wist niet wat te zeggen. Ondertussen zag hij in de klas alles. Hij kon orde houden als geen ander, al weet ik niet waarom. Wij hadden diep respect voor hem. En hij hield van klassieke muziek.

Toen kwam de dag dat meneer Slofstra werd aangewezen als begeleider bij het schoolconcert. Een underground band zou optreden. Ik herinner me dat ik het alleen maar herrie vond.

Na afloop hadden we Nederlands en gnuifden:"nou meneer Slofstra en wat vond U?"

Nog nooit waren we zo verbijsterd als toe hij zei:
"Ik kon wel een opbouw ontdekken, en er waren zeker enkele thema's die tijdens de stukken terug kwamen. Knap gemaakt, al is het niet helemaal mijn muziek".

Hij had er aanzienlijk meer van gehoord en begrepen dan wij, dat hadden we wel in de gaten.

Een hommage aan hem, door z'n zoon, (altijd een mooi thema op deze blog):