Dit is mijn laatste column voor radio Noordoostpolder. Daar waar de vorige keren de column bedoeld was als reflectie en overweging voor twee weken, moet deze column denkstof opleveren voor de rest van het leven van de luisteraars. Als die bestaan. Welk onderwerp leent zich beter voor een dergelijke opdracht dan de dood.
Gisteren heb ik één van mijn beste vrienden begraven. Hij was nog jong, en viel wandelend in het bos zo dood neer, zonder enige vooraankondiging. Ik ben verdrietig. Hanny Michaelis dichtte al eens:
Kohalzend wakker worden
Tussen de gestolde feiten
van gisteren en eergisteren
Opstaan, het licht trotserend
onder het oorverdovend
carrillon van herinneringen
Optornen tegen een geheugen
dat geen duimbreed wijkt
zo voelt het ongeveer. Hij was een vrolijk mens en leefde bij de dag. Hij genoot van ieder moment. En nu is hij er niet meer. Bij het nadenken over zijn verscheiden, moest ik denken aan de Chinese wijsgeer ZHuang Zi, die leefde rond 350 voor Christus.
Zhuang Zi's vrouw is overleden. Hui Zi komt hem condoleren. Zhuang Zi zat op de grond met gespreide benen op een vat te trommelen en te zingen. Hui Zi zei: "Zij heeft met je geleefd, je kinderen grootgebracht en is met je oud geworden. Nu haar lichaam gestorven is en je niet huilt, is dat tot daar aan toe. Maar op een vat trommelen en zingen, is dat niet een beetje teveel?"
Zo is het niet, zei Zhuang Zi. Toen ze stierf was ik natuurlijk verdrietig, net als ieder ander. Maar toen dacht ik na over haar begin, en hoe er oorspronkelijk geen geboorte bestaat en ook geen lichaam en ook geen levensenergie. In de duisternis (de aarde was toen nog woest en ledig) was alles verenigd. Eerst ontstond de levensenergie, van daaruit het lichaam en daarna werd ze geboren.
Nu is ze weer veranderd en is ze gestorven. Het is net als de lente, de zomer, de herfst en de winter, de cyclus van de jaargetijden. Nu slaapt ze rustig in de grote kamer van hemel en aarde. Stel dat ik haar nu achtervolg met misbaar en tranen, dan zou ze vinden dat ik niets heb begrepen van het lot. Dus ben ik daarmee opgehouden (Vrij naar Kristoffer Schipper).
Ik ken mensen die een kamer hebben ingericht voor iemand die is gestorven. Ze gaan er iedere dag kijken. Ze zijn bang de gestorvene te vergeten. Lichaam en geest van de achterblijvers dwingt hen om door te gaan. En dat zou in hun ogen respectloos zijn. Kijk daar eens anders naar: "Het leven gaat door", is geen cliché maar een lot waartoe ons lichaam, onze geest en ons bestaan ons dwingt, het is iets dat behoort tot de natuurlijke gang van zaken. Je kunt alleen je leven stil zetten, als je jezelf daartoe dwingt, als je je lichaam en geest daar toe dwingt. Het is tegennatuurlijk. Je hoeft niet bang te zijn dat je iemand die dood is vergeet, hij wordt onderdeel van je leven en je levende herinnering, tenzij je je leven stil zet.
Gisteren leefde hij nog. Toen was het goed. Vandaag is hij dood. Vandaag is het ook goed. De dagen zijn in zichzelf goed. Vandaag is niet slecht in zichzelf. Vandaag is alleen niet goed, als ik wil dat vandaag net zo is als gisteren. Dan heb ik een leven lang verdriet.
Deze column gaat verdwijnen. De Noordoostpolder wordt van een kans op nadenken beroofd. Het leven was goed met een column. Het leven is goed zonder column. Ik weet het zeker.
NB. Citaten uit het verzameld werk van Zhuang Zi, vertaald en toegelicht door Kristofer Schipper.
Cultuur is het verlangen iets te delen wat in wezen buiten jezelf staat, maar gevoelsmatig zo dicht bij je komt dat je het wilt verdedigen alsof het van jezelf is. (Hans den Hartog Jager in "Dit is Nederland").
Posts tonen met het label Radio NOP. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Radio NOP. Alle posts tonen
zaterdag 2 februari 2013
zaterdag 22 december 2012
Tijd om te geven
Het is een spannende tijd. Sinterklaas is nog maar net terug naar Spanje, opgelucht dat hij iedereen weer ter wille heeft kunnen zijn. Op 'n krent zitten tot een nieuwe missie hem naar Nederland roept. De Kerstman lost hem af. Had mijn moeder dat maar geweten, dat er een kerstman bestond. Want bij ons kwam die nooit. Mijn moeder had zich waarschijnlijk niet aangemeld. En Sinterklaas kwam hooguit één keer bij ons thuis. Nicolaas is een druk man. Hij had echt geen tijd om twee keer per week langs Terwispel te komen om mijn schoentje te voorzien van pepernoten, marsepein en ander ongezond en onnodig voedsel. Als we geluk hadden kwam hij na zijn aankomst in één of andere haven in Nederland één keer voor 5 december langs met een mandarijntje en een drietal pepernoten. Meer niet. Hij nam wel altijd het hooi mee en de wortel, die wij klaar hadden gelegd voor het paard. Meestal kon de ruil niet uit. En dat zei mijn moeder ook:
- "Dit kan niet uit".
- "Wij hebben het al niet breed en als die oude Nicolaas nou ook nog mijn goede winterwortels mee neemt wordt het helemaal moeilijk de eindjes aan elkaar te knopen".
En dus zetten wij geen schoen. Om mijn moeder te beschermen.
Alleen op 5 december. Dan mochten we de schoen zetten en ook de trui en de broek. Gek genoeg niet thuis, maar bij de buren. De overburen. Die woonden in een 'onbewoonbaar verklaarde woning'. Die hadden zelf geen kinderen. Waarschijnlijk kon Nicolaas daar gemakkelijker naar binnen. Want ze hadden geen slot op de deur. De deur kon niet eens goed dicht. Maar daar zaten wij niet mee. Want wij wisten niet beter.
En als je op vijf december 's avonds je schoen zet, en je trui, en je broek, dan vind je pas zes december 's morgens je cadeautje. Of cadeautjes. Meestal een letter. En iets van speelgoed. Al weet ik niet meer wat. Maar er kwam vooral ook een preek van de buurvrouw. Dat Sinterklaas ons wel erg aardig moest vinden, en dat hij blijkbaar niet gezien had hoe stout wij soms waren. Onze jaarlijkse evaluatie. Zij lachte er heel lief bij. En wij knikten dankbaar.
En dan begon kerst. Met de barmhartige Samaritaan. Stel je voor je bent in elkaar geslagen en je ligt langs de weg. Het bijbelse verhaal. Of je bent zwart en dakloos en je woont in Amerika. De werkelijkheid van vandaag. Zal het nog ooit goed met je komen? Er komt een dominee langs. Je ziet hem en je weet: hij heeft geleerd dat hij de zwakkeren moet helpen, en de armen, en de vertrapten, de daklozen, .. hoop je. Maar hij zegt dat op zondag liever tegen zijn gemeenteleden. Want zelf heeft hij geen tijd.
Of je ziet een priester, een goede katholiek die zich het lot van de medemens aantrekt. Maar die ziet je niet eens, want hij brengt net een klein jongetje naar school, tenminste die loopt met hem mee.
Of er passeert en aardige meneer, die je groet en die 50 eurocent in je bakje laat vallen. HIj kijkt de andere kant op en jouw voeten blijven koud.
En dan kom er een agent aan. En je mag hier niet zitten, hier in het winkelcentrum, waar het nog een beetje warm is en waar je blote voeten niet meteen het risico van vuiligheid en glasgerinkel lopen. Je maakt je zo onzichtbaar mogelijk, maar de agent komt toch naar je toe en geeft je een paar laarzen voor je maat 50, en je kunt je ogen niet geloven. En de agent verdwijnt.
Ik was op een school. De ouders bij het hek zijn boos. Voor de Sinterklaasviering op school moeten hun kinderen, hun oogappeltjes, hun toekomst, een cadeautje kopen voor een klasgenoot. En het mag niet meer kosten dan twee euro.
-" Dat kan niet ", roept een boze moeder.
Ik vraag hoe ze daar bij komt.
-" Ik heb gisteren net een trein gekocht voor mijn zoon, de goedkoopste die er is, maar die startset is altijd nog minstens 40 euro".
Ze heeft dus gelijk. Twee euro is niets vergeleken bij 40 euro. Het cadeautje dat je kunt kopen voor je klasgenoot stelt niets voor, vergeleken bij die treinset, hoe klein en ontoereikend die ook is.
Ik denk aan de preken van vroeger. Aan de preken over dankbaarheid van mijn buurvrouw op 6 december, aan de preken in de kerk over de barmhartige Samaritaan. En plotseling weet ik het. Dit gaat helemaal niet over het cadeau! Deze moeder is zwaar in de war. Ze weet helemaal niet waar Sinterklaas over gaat!
Ik denk aan de Sinterklaasvieringen als meester met mijn klas. Hoe ik altijd lette op de enorme spanning van de gever, als de ontvanger het cadeautje uitpakte. Ik denk aan de Sinterklaasvieringen van de afgelopen jaren met mijn eigen grote kinderen. Hoe ik alleen maar let op hun reactie, op hun gezichten, op hun gedrag, op het moment dat de anderen de door hen gegeven cadeautjes uitpakken. En het valt me op dat ze blijer zijn met de reacties van hun doelwit dan met hun eigen cadeaus. Als ze iets geven lijken ze meer te genieten dan op het moment dat ze iets krijgen! Ik denk aan de Samaritaan, aan mijn buurvrouw, aan de agent in het winkelcentrum.
Het gaat in deze dagen niet over iets krijgen. Sinterklaas en kerst gaan over geven. Over het plezier van het geven. Thuis en op school. Over kinderen leren dat geven leuker kan zijn dan te krijgen. De krijger evalueert de gever en niet andersom.
Geniet daar alvast van als je vanavond Sinterklaas viert, of als je de laatste cadeautjes gaat kopen deze week. Dan zul je van de crisis niets merken.
- "Dit kan niet uit".
- "Wij hebben het al niet breed en als die oude Nicolaas nou ook nog mijn goede winterwortels mee neemt wordt het helemaal moeilijk de eindjes aan elkaar te knopen".
En dus zetten wij geen schoen. Om mijn moeder te beschermen.
Alleen op 5 december. Dan mochten we de schoen zetten en ook de trui en de broek. Gek genoeg niet thuis, maar bij de buren. De overburen. Die woonden in een 'onbewoonbaar verklaarde woning'. Die hadden zelf geen kinderen. Waarschijnlijk kon Nicolaas daar gemakkelijker naar binnen. Want ze hadden geen slot op de deur. De deur kon niet eens goed dicht. Maar daar zaten wij niet mee. Want wij wisten niet beter.
En als je op vijf december 's avonds je schoen zet, en je trui, en je broek, dan vind je pas zes december 's morgens je cadeautje. Of cadeautjes. Meestal een letter. En iets van speelgoed. Al weet ik niet meer wat. Maar er kwam vooral ook een preek van de buurvrouw. Dat Sinterklaas ons wel erg aardig moest vinden, en dat hij blijkbaar niet gezien had hoe stout wij soms waren. Onze jaarlijkse evaluatie. Zij lachte er heel lief bij. En wij knikten dankbaar.
En dan begon kerst. Met de barmhartige Samaritaan. Stel je voor je bent in elkaar geslagen en je ligt langs de weg. Het bijbelse verhaal. Of je bent zwart en dakloos en je woont in Amerika. De werkelijkheid van vandaag. Zal het nog ooit goed met je komen? Er komt een dominee langs. Je ziet hem en je weet: hij heeft geleerd dat hij de zwakkeren moet helpen, en de armen, en de vertrapten, de daklozen, .. hoop je. Maar hij zegt dat op zondag liever tegen zijn gemeenteleden. Want zelf heeft hij geen tijd.
Of je ziet een priester, een goede katholiek die zich het lot van de medemens aantrekt. Maar die ziet je niet eens, want hij brengt net een klein jongetje naar school, tenminste die loopt met hem mee.
Of er passeert en aardige meneer, die je groet en die 50 eurocent in je bakje laat vallen. HIj kijkt de andere kant op en jouw voeten blijven koud.
En dan kom er een agent aan. En je mag hier niet zitten, hier in het winkelcentrum, waar het nog een beetje warm is en waar je blote voeten niet meteen het risico van vuiligheid en glasgerinkel lopen. Je maakt je zo onzichtbaar mogelijk, maar de agent komt toch naar je toe en geeft je een paar laarzen voor je maat 50, en je kunt je ogen niet geloven. En de agent verdwijnt.
Ik was op een school. De ouders bij het hek zijn boos. Voor de Sinterklaasviering op school moeten hun kinderen, hun oogappeltjes, hun toekomst, een cadeautje kopen voor een klasgenoot. En het mag niet meer kosten dan twee euro.
-" Dat kan niet ", roept een boze moeder.
Ik vraag hoe ze daar bij komt.
-" Ik heb gisteren net een trein gekocht voor mijn zoon, de goedkoopste die er is, maar die startset is altijd nog minstens 40 euro".
Ze heeft dus gelijk. Twee euro is niets vergeleken bij 40 euro. Het cadeautje dat je kunt kopen voor je klasgenoot stelt niets voor, vergeleken bij die treinset, hoe klein en ontoereikend die ook is.
Ik denk aan de preken van vroeger. Aan de preken over dankbaarheid van mijn buurvrouw op 6 december, aan de preken in de kerk over de barmhartige Samaritaan. En plotseling weet ik het. Dit gaat helemaal niet over het cadeau! Deze moeder is zwaar in de war. Ze weet helemaal niet waar Sinterklaas over gaat!
Ik denk aan de Sinterklaasvieringen als meester met mijn klas. Hoe ik altijd lette op de enorme spanning van de gever, als de ontvanger het cadeautje uitpakte. Ik denk aan de Sinterklaasvieringen van de afgelopen jaren met mijn eigen grote kinderen. Hoe ik alleen maar let op hun reactie, op hun gezichten, op hun gedrag, op het moment dat de anderen de door hen gegeven cadeautjes uitpakken. En het valt me op dat ze blijer zijn met de reacties van hun doelwit dan met hun eigen cadeaus. Als ze iets geven lijken ze meer te genieten dan op het moment dat ze iets krijgen! Ik denk aan de Samaritaan, aan mijn buurvrouw, aan de agent in het winkelcentrum.
Het gaat in deze dagen niet over iets krijgen. Sinterklaas en kerst gaan over geven. Over het plezier van het geven. Thuis en op school. Over kinderen leren dat geven leuker kan zijn dan te krijgen. De krijger evalueert de gever en niet andersom.
Geniet daar alvast van als je vanavond Sinterklaas viert, of als je de laatste cadeautjes gaat kopen deze week. Dan zul je van de crisis niets merken.
zaterdag 27 oktober 2012
Jondeeres
Ergens in de polder zag ik een John Deere. De groene tractor past in het regenachtige en weidse landschap als een fietser worstelend tegen de wind. Omdat het te ver weg is kan ik niet precies zien wat de functie van de tractor op dit moment is, maar hij doet vast iets nuttigs. De grond slepen. Of iets ploegen. De druilerige regen geeft het tafereel de mistige gloed, die past bij de herfst. Ik ben jaloers op de ongeremde vrijheid, die de berijder moet voelen, en die ik ken van toen ik zelf nog een klein jongetje was.
Het is de derde John Deere die ik zie deze week. Thuis bij mijn ouders zag ik mijn neefje spelen met de groene tractor, die vroeger bij mijn oma thuis ons grootste vakantieplezier was. Mijn broer en ik logeerden iedere zomervakantie bij mijn oma. Meestal drie weken lang. Zonder heimwee. En zonder contact met thuis, want wij hadden thuis geen telefoon.
Ik herinner me een keer dat oma net terug was uit Canada. Eén van mijn ooms had in de jaren 50 zijn heil gezocht in Lynden, en was boer geworden in die Hollandes enclave, dicht bij de Amerikaanse grens. Terug van haar eerste bezoek aan haar zoon had ze twee tractors meegebracht voor ons, haar logees. Twee jondeeres. Want zo spraken wij dat uit. En zij sprak ons niet tegen.
De jondeeres hadden twee voorwielen, die dicht bij elkaar zaten. Belachelijk. Zo zagen de tractors in Nederland er niet uit, en wij konden het weten, want oma woonde naast een loonbedrijf.
- "Zien de echte tractors in Amerika er ook zo uit?" vroegen wij.
Dat bleek niet het geval. Nog belachelijker. Dit waren geen echte tractors. Dit was speelgoed. Gemaakt door een grapjas. Maar ze konden wel 'echt' sturen en er konden 'echte' wagens achter. En wij speelden er graag mee. Maar het waren geen echte tractors!
Wat is dat trouwens, 'echt'? Iedereen weet wat een lepel is, of een schoen, of een kunstgebit. Maar als je een voorwerp ziet, hoe weet je dan dat het een schoen of een kunstgebit is? Waaruit bestaat het 'echte' van een voorwerp? De filosoof Heidegger zei dat het allemaal in ons hoofd zit. Een voorwerp is nooit 'echt'. Een voorwerp bestaat alleen bij de gratie van z'n functie. Als ik soep eet is mijn lepel een lepel, maar als ik die lepel langs de weg vind, is het dan nog wel een lepel? Is een kunstgebit bij de gevonden voorwerpen op het politiebureau wel een kunstgebit? Is een schoen langs de weg wel een schoen?
Eén van de meest omstreden kunstwerken van de vorige eeuw is 'The Fountain', van Marcel Duchamp. Duchamp was één van de bestuursleden van een galerie voor moderne kunst in New York. Hij werkte volgens een bijzonder concept: Iedere kunstenaar kon bij hem zijn kunstwerken ten toon stellen. Voorwaarde was dat hij lid werd van de galerie (kosten 1 dollar) en daarnaast per kunstwerk 5 dollar betaalde. Duchamp kocht in New York in een badmeubelwinkel een urinoir en geeft het ding een naam: Fountain. Hij zette het op z'n kop en signeerde het. Daarna bood hij het onder het pseudoniem R. Mutt aan, aan z'n eigen galerie, compleet met de 6 dollar voor lidmaatschap en tentoonstellingskosten. Hij noemde het 'readymade art'. Kunst die al klaar was.
Zijn medebestuursleden, die geen idee hadden van de werkelijke aanbieder, waren furieus en weigerden het ding tentoon te stellen. Dit was geen kunst! En zo is één van de meest beroemde kunstwerken uit de geschiedenis nooit tentoongesteld geweest! Er is alleen een foto bewaard gebleven. Maar was was het aangeboden voorwerp? Op de kop en niet verbonden aan een waterafvoer? Een urinoir of een kunstwerk, of nog iets anders? Volgend de definitie van Heidegger was het in ieder geval geen urinoir meer.
Was de jondeere bij mijn oma wel een tractor? Dat laatste is nu overduidelijk: Nee! Het is speelgoed in de vorm van een tractor. Het zal nooit de functie van de poldertractor over kunnen nemen.


Vorige week liep ik de kunstroute in De Wijk en IJhorst. Op één van de locaties stuit ik op een levensgrote jondeere. Dit keer niet groen maar herkenbaar gemaakt van karton. Ook deze jondeere heeft smalle wieltjes. In de achterkant van het vehikel is een beeldscherm gemonteerd waarop een film wordt getoond van een man, die in een hotelkamer in New York deze kartonnen tractor bouwt, omdat hij zich eenzaam voelt en wil vluchten in een wereld die hem meer aanstaat, de wereld van de natuur, de wereld van de weidse polder.
En zo komt het allemaal weer bij elkaar: mijn jeugd, de kunst, de filosofie en de noordoostpolder. Maar of het ook een functie heeft, daar ben ik nog niet uit. Als we een voorwerp definiëren aan de hand van zijn functie, en als het voorwerp zijn functie verliest, als het dan dat voorwerp niet meer is, wat is dan een mens? Wat is tenslotte de functie van een mens? Of van een column?
Deze column was te horen op radio Noordoostpolder op 27 oktober om 19.40 uur in het programma 'On the radio', en is tot een week daarna nog terug te luisteren op de site van radio Noordoostpolder.
Het is de derde John Deere die ik zie deze week. Thuis bij mijn ouders zag ik mijn neefje spelen met de groene tractor, die vroeger bij mijn oma thuis ons grootste vakantieplezier was. Mijn broer en ik logeerden iedere zomervakantie bij mijn oma. Meestal drie weken lang. Zonder heimwee. En zonder contact met thuis, want wij hadden thuis geen telefoon.
Ik herinner me een keer dat oma net terug was uit Canada. Eén van mijn ooms had in de jaren 50 zijn heil gezocht in Lynden, en was boer geworden in die Hollandes enclave, dicht bij de Amerikaanse grens. Terug van haar eerste bezoek aan haar zoon had ze twee tractors meegebracht voor ons, haar logees. Twee jondeeres. Want zo spraken wij dat uit. En zij sprak ons niet tegen.
De jondeeres hadden twee voorwielen, die dicht bij elkaar zaten. Belachelijk. Zo zagen de tractors in Nederland er niet uit, en wij konden het weten, want oma woonde naast een loonbedrijf.
- "Zien de echte tractors in Amerika er ook zo uit?" vroegen wij.
Dat bleek niet het geval. Nog belachelijker. Dit waren geen echte tractors. Dit was speelgoed. Gemaakt door een grapjas. Maar ze konden wel 'echt' sturen en er konden 'echte' wagens achter. En wij speelden er graag mee. Maar het waren geen echte tractors!
Wat is dat trouwens, 'echt'? Iedereen weet wat een lepel is, of een schoen, of een kunstgebit. Maar als je een voorwerp ziet, hoe weet je dan dat het een schoen of een kunstgebit is? Waaruit bestaat het 'echte' van een voorwerp? De filosoof Heidegger zei dat het allemaal in ons hoofd zit. Een voorwerp is nooit 'echt'. Een voorwerp bestaat alleen bij de gratie van z'n functie. Als ik soep eet is mijn lepel een lepel, maar als ik die lepel langs de weg vind, is het dan nog wel een lepel? Is een kunstgebit bij de gevonden voorwerpen op het politiebureau wel een kunstgebit? Is een schoen langs de weg wel een schoen?
Eén van de meest omstreden kunstwerken van de vorige eeuw is 'The Fountain', van Marcel Duchamp. Duchamp was één van de bestuursleden van een galerie voor moderne kunst in New York. Hij werkte volgens een bijzonder concept: Iedere kunstenaar kon bij hem zijn kunstwerken ten toon stellen. Voorwaarde was dat hij lid werd van de galerie (kosten 1 dollar) en daarnaast per kunstwerk 5 dollar betaalde. Duchamp kocht in New York in een badmeubelwinkel een urinoir en geeft het ding een naam: Fountain. Hij zette het op z'n kop en signeerde het. Daarna bood hij het onder het pseudoniem R. Mutt aan, aan z'n eigen galerie, compleet met de 6 dollar voor lidmaatschap en tentoonstellingskosten. Hij noemde het 'readymade art'. Kunst die al klaar was.
Zijn medebestuursleden, die geen idee hadden van de werkelijke aanbieder, waren furieus en weigerden het ding tentoon te stellen. Dit was geen kunst! En zo is één van de meest beroemde kunstwerken uit de geschiedenis nooit tentoongesteld geweest! Er is alleen een foto bewaard gebleven. Maar was was het aangeboden voorwerp? Op de kop en niet verbonden aan een waterafvoer? Een urinoir of een kunstwerk, of nog iets anders? Volgend de definitie van Heidegger was het in ieder geval geen urinoir meer.
Was de jondeere bij mijn oma wel een tractor? Dat laatste is nu overduidelijk: Nee! Het is speelgoed in de vorm van een tractor. Het zal nooit de functie van de poldertractor over kunnen nemen.
En zo komt het allemaal weer bij elkaar: mijn jeugd, de kunst, de filosofie en de noordoostpolder. Maar of het ook een functie heeft, daar ben ik nog niet uit. Als we een voorwerp definiëren aan de hand van zijn functie, en als het voorwerp zijn functie verliest, als het dan dat voorwerp niet meer is, wat is dan een mens? Wat is tenslotte de functie van een mens? Of van een column?
Deze column was te horen op radio Noordoostpolder op 27 oktober om 19.40 uur in het programma 'On the radio', en is tot een week daarna nog terug te luisteren op de site van radio Noordoostpolder.
Labels:
Autobiografisch perspectief,
Bloggen,
Filosofie?,
Radio NOP
zondag 21 oktober 2012
Hallucinaties
Ik heb nog nooit drugs gebruikt. Daarvoor biedt ik vandaag mijn excuses aan. Moet ik dat uitleggen?
Ik ben opgegroeid in de jaren 60 en 70. Je bent toch een beetje een watje, als je kans ziet die hele periode door te komen zonder één keer te blowen, of buiten jezelf te treden, te hallucineren of te trippen. Nou ja, één keer heb ik spacecake gegeten, zonder het zelf te weten. En daar ben ik toen vooral ziek van geweest. Mijn eerste hoofdpijn is mijn grootste existentiële jaren 60 ervaring.
Ik vraag mij af of dat nog ooit in te halen is. Zonder iets te gebruiken toch een beetje 'high'. Om mij heen zie ik dat soms. Een buurvrouw die depressief is, en daarvoor medicijnen slikt blijkt alleen maar met die medicijnen te hoeven stoppen om hele werelden te zien, waarvan ik geen weet heb. In de tijd van haar zwangerschap rent ze gillend over straat, getuigend van een wereld, die zo bijzonder is, dat wij allemaal mee moeten genieten en er bang van worden op hetzelfde moment. Als ze even bij ons zit, huilend en shakend, vertelt ze van beesten, kleuren en vormen, waarvan wij geen weet hebben. De bevalling en de terugkerende medicijnen verdrijven uiteindelijk deze, voor de meesten van ons verborgen, kosmos weer.
Ik blijk het aan te trekken. Jaren later als ik thuis kom van mijn werk, in een andere tijd in een andere stad zit de dan actuele buurvrouw op de oprit te huilen. Ook zij heeft depressieve trekjes weet ik. En omdat ze een koptelefoon op heeft en de ogen dicht; en ik geen zin heb in haar wereld, probeer ik onopvallend mijn huis binnen te sluipen. Zonder succes. Ze heeft mij gezien en wenkt. Ik blijf een watje en kan haar tranende ogen niet weerstaan. Zonder woorden overhandigt ze mij de koptelefoon.
De daarop volgende minuten zijn hallucinerend. Ik ken de stem en de muziek niet. Maar het dringt diep in mijn ziel door. Schurend en zagend. Ik blijk te luisteren naar vrouwen van de eeuwigheid. 'Eternal Women'. Kleine biografietjes van de doodsstrijd van Mata Hari, Marie Antoinette, Mary Queen of Schots, Sissi, Maria Magdalena, Jeanne d'Arc en Cleopatra. Op muziek van klassieke componisten, ook al een wereld die ik niet ken.
Ik realiseer me vandaag dat drugs en hallucinaties 'in' zijn.
"Vroeger, weten we uit te geschiedenis, verliet de ziel het lichaam wanneer het hart stil bleef staan.
Mijn ziel gedraagt zich anders en verlaat zijn lichaam al tijdens mijn leven", dichte mijn oma op weg naar haar dementie. Voor mijn oma was haar dementie een hallucinatie, Voor Lance Armstrong zijn zeven Tour de France- zeges één lange hallucinatie geweest. En voor Sylvia Kristel was Emanuelle haar levenslange uittreding.
Ik blijf op zoek naar mijn hallucinatie. Eergisteren was het zover. Bijna iedereen weet dat je kunt hallucineren van muziek. Heilzaam en ongeremd. Gisteren heb ik mijn koptelefoonhallucinatie in levende lijve gezien. Petra Berger. Opeens was ze daar. Als een vanzelfsprekende legende. Het was alsof ik thuis kwam. Alsof ik naar de radio luisterde en een goede vriend een column voor hoorde lezen. Al na twee nummers liepen de tranen over mijn wangen.
Ik wil vanaf vandaag anderen laten hallucineren. Iemand zet zijn leven in voor psychiatrisch patiënten. Ik zoek een cadeau voor hem. Ik stuit op de grootste neuroloog en psychiater aller tijden, Oliver Sachs, auteur van het boek "de man die zijn vrouw voor een hoed hield", een hallucinatie, die je iedere man gunt. Oliver heeft een grote hoeveelheid hallucinerende middelen ingenomen en daar een boek over geschreven: 'Hallucinaties'. Puur voor de wetenschap natuurlijk. Cogito ergo sum. Mijn rede stuurt mijn ziel. Hij wil weten wat zijn patiënten mee maken en dus roept hij hallucinaties op. Waarom niet!
Ik ben opgegroeid in de jaren 60 en 70. Je bent toch een beetje een watje, als je kans ziet die hele periode door te komen zonder één keer te blowen, of buiten jezelf te treden, te hallucineren of te trippen. Nou ja, één keer heb ik spacecake gegeten, zonder het zelf te weten. En daar ben ik toen vooral ziek van geweest. Mijn eerste hoofdpijn is mijn grootste existentiële jaren 60 ervaring.
Ik vraag mij af of dat nog ooit in te halen is. Zonder iets te gebruiken toch een beetje 'high'. Om mij heen zie ik dat soms. Een buurvrouw die depressief is, en daarvoor medicijnen slikt blijkt alleen maar met die medicijnen te hoeven stoppen om hele werelden te zien, waarvan ik geen weet heb. In de tijd van haar zwangerschap rent ze gillend over straat, getuigend van een wereld, die zo bijzonder is, dat wij allemaal mee moeten genieten en er bang van worden op hetzelfde moment. Als ze even bij ons zit, huilend en shakend, vertelt ze van beesten, kleuren en vormen, waarvan wij geen weet hebben. De bevalling en de terugkerende medicijnen verdrijven uiteindelijk deze, voor de meesten van ons verborgen, kosmos weer.
Ik blijk het aan te trekken. Jaren later als ik thuis kom van mijn werk, in een andere tijd in een andere stad zit de dan actuele buurvrouw op de oprit te huilen. Ook zij heeft depressieve trekjes weet ik. En omdat ze een koptelefoon op heeft en de ogen dicht; en ik geen zin heb in haar wereld, probeer ik onopvallend mijn huis binnen te sluipen. Zonder succes. Ze heeft mij gezien en wenkt. Ik blijf een watje en kan haar tranende ogen niet weerstaan. Zonder woorden overhandigt ze mij de koptelefoon.
De daarop volgende minuten zijn hallucinerend. Ik ken de stem en de muziek niet. Maar het dringt diep in mijn ziel door. Schurend en zagend. Ik blijk te luisteren naar vrouwen van de eeuwigheid. 'Eternal Women'. Kleine biografietjes van de doodsstrijd van Mata Hari, Marie Antoinette, Mary Queen of Schots, Sissi, Maria Magdalena, Jeanne d'Arc en Cleopatra. Op muziek van klassieke componisten, ook al een wereld die ik niet ken.
Ik realiseer me vandaag dat drugs en hallucinaties 'in' zijn.
"Vroeger, weten we uit te geschiedenis, verliet de ziel het lichaam wanneer het hart stil bleef staan.
Mijn ziel gedraagt zich anders en verlaat zijn lichaam al tijdens mijn leven", dichte mijn oma op weg naar haar dementie. Voor mijn oma was haar dementie een hallucinatie, Voor Lance Armstrong zijn zeven Tour de France- zeges één lange hallucinatie geweest. En voor Sylvia Kristel was Emanuelle haar levenslange uittreding.
Ik blijf op zoek naar mijn hallucinatie. Eergisteren was het zover. Bijna iedereen weet dat je kunt hallucineren van muziek. Heilzaam en ongeremd. Gisteren heb ik mijn koptelefoonhallucinatie in levende lijve gezien. Petra Berger. Opeens was ze daar. Als een vanzelfsprekende legende. Het was alsof ik thuis kwam. Alsof ik naar de radio luisterde en een goede vriend een column voor hoorde lezen. Al na twee nummers liepen de tranen over mijn wangen.
Ik wil vanaf vandaag anderen laten hallucineren. Iemand zet zijn leven in voor psychiatrisch patiënten. Ik zoek een cadeau voor hem. Ik stuit op de grootste neuroloog en psychiater aller tijden, Oliver Sachs, auteur van het boek "de man die zijn vrouw voor een hoed hield", een hallucinatie, die je iedere man gunt. Oliver heeft een grote hoeveelheid hallucinerende middelen ingenomen en daar een boek over geschreven: 'Hallucinaties'. Puur voor de wetenschap natuurlijk. Cogito ergo sum. Mijn rede stuurt mijn ziel. Hij wil weten wat zijn patiënten mee maken en dus roept hij hallucinaties op. Waarom niet!
Ik blijf doorgaan. Noordoostpolder: Pak je kansen. Verdrijf je depressie. Hallucineer. Lees Oliver Sachs, Luister naar Petra berger. Het leven kan één serie gloedvolle hallucinaties zijn, met én zonder drugs.
Deze column was te horen op radio Noordoostpolder op 20 oktober 2012 om 19.40 uur in het programma 'On the radio'. .
vrijdag 5 oktober 2012
Dierendag
Toen ik klein was hadden wij thuis een kat. En een hond. En koeien en schapen. En een paard. De koeien en de schapen waren belangrijk. Want dat was ons inkomen. En het paard. Want dat was onze tractor. De kat en de hond waren minder belangrijk. Dat was óns speelgoed. Dat waren mee-eters. En dat deden ze ook. Ze kregen de restjes van wat wij over lieten. Wij zorgden dat we wat over lieten. Zo was alles goed geregeld.
Op een dag was de kat ziek. 'Kattenziekte'. Het woord had bij ons thuis de onvermijdelijke klank van de dood. Kattenziekte, dat kwam nooit meer goed. Ik was acht. Ik had geen idee wat kattenziekte was. Maar het concept van een bijna dode kat was helder. Maar niet dramatisch. We hadden soms dode kalfjes en dode koeien. Nu een bijna dode kat.
Er was nog één kans. Samen met mijn vader gingen we naar de stal. Ik moest de kat beet houden. Mijn vader droeg de bijl. Mijn broertje moest ook mee helpen. Die hield de staart vast. Met een ferme zwaai hakte mijn vader ongeveer 5 centimeter van de staart.
- 'Het moet wel in het leven', placht mijn vader te zeggen.
Wij wisten niet wat dat was: 'het leven'. Maar het was belangrijk: in 'het leven'.
Wij konden de kat niet meer houden. Die verdween met een kreet door de staldeur naar buiten.
- "Misschien wordt hij beter" zei mijn vader.
We hadden goed gedaan. Het beste voor de kat. En de kat mocht best blijven leven.
Verder werd er niet gesproken.
Drie dagen later was de kat terug. Hongerig maar gezond.
Achteraf weet ik nu dat dat 'aderlaten' heet.
Ik zit in de kantine. Het is 4 oktober.
- 'Wat heeft jouw hond gehad voor dierendag', lispelt een collega.
- 'Een kat' riposteert een niet aangesproken bijzitter.
- 'Toch niet voor die kat een muis had gehad' lolt een derde.
Langzaam wordt de kringloop der natuur met meer dieren verder gesloten.
Op dezelfde dierendag wordt bekend dat er 10 miljoen extra subsidie beschikbaar komt voor megastallen. De bio-industrie verzorgt haar eigen groei. Dankzij die 10 miljoen kan iedere kip ipv 12 vierkante centimeter er nu 14 krijgen. Dat komt het dierenwelzijn enorm ten goede. En maakt de bio-industrie enorm diervriendelijk. Zegt een kippenhouder.
Op de radio zeurt ene Erno Eskens over dierenrechten. Hij stelt notabene voor in de tweede kamer iemand aan te stellen die de rechten van de dieren komt vertegenwoordigen. De filosoof Coen Simon heeft er in zijn boek: "En toen wisten wij alles', terecht op gewezen dat het geven van rechten aan dieren volkomen onzinnig is. De dier is natuur. Netjes omgaan met de natuur is de verantwoordelijkheid van de mens. Het dier is een spiegel van de mooie en minder mooie kanten van de mens. Soms is het verschil tussen dier en baasje niet te zien.
Sinds de mens rechtop is gaan lopen, kan het dierenrijk alleen nog bestaan als de mens zichzelf en zijn omgeving reguleert. Dat blijkt ook als er deze week wat dierendilemma's worden aangedragen:
- Ganzen bij Schiphol: vergassen of niet? Hoeveel doden zijn de ganzen waard?
- Vanaf 3 miljoen ganzen kunnen boeren in Nederland niet meer bestaan. Waar is de grens?
- Zielige zeehonden hoeven niet meer in Pieterburen te worden beschermd, de natuur kan haar gang gaan.
- Wolven terug in Nederland: schapen en honden opgepast!
- Grote grazers in de Oostvaardersplassen, er zijn er veel te veel: afschieten of laten verhongeren?
- Of misschien wat mensen afschieten voor een groter leefgebied?
Stadsmensen hebben een andere opvatting dan plattelanders als het gaat om zaken van de natuur.
De dierenambulance in Zwolle opende deze week een rouwcentrum. Wethouder van As verrichte de officiële opening. Op een foto in het plaatselijke suffertje huilt een mevrouw bij een pluchen beer, naast het kistje van haar Cavia. Mijn suffertje kan nog net dienst doen als kotsbakje.
Mijn biefstuk suddert in de pan. Ik weet het zeker: De mens is ieder gevoel voor verhouding met de natuur en in de omgang met het dier kwijt geraakt.
NB. Deze column was in sterk verkorte vorm te horen op radio Noordoostpolder op zaterdag 6 oktober in het programma 'On the radio'.
Op een dag was de kat ziek. 'Kattenziekte'. Het woord had bij ons thuis de onvermijdelijke klank van de dood. Kattenziekte, dat kwam nooit meer goed. Ik was acht. Ik had geen idee wat kattenziekte was. Maar het concept van een bijna dode kat was helder. Maar niet dramatisch. We hadden soms dode kalfjes en dode koeien. Nu een bijna dode kat.
Er was nog één kans. Samen met mijn vader gingen we naar de stal. Ik moest de kat beet houden. Mijn vader droeg de bijl. Mijn broertje moest ook mee helpen. Die hield de staart vast. Met een ferme zwaai hakte mijn vader ongeveer 5 centimeter van de staart.
- 'Het moet wel in het leven', placht mijn vader te zeggen.
Wij wisten niet wat dat was: 'het leven'. Maar het was belangrijk: in 'het leven'.
Wij konden de kat niet meer houden. Die verdween met een kreet door de staldeur naar buiten.
- "Misschien wordt hij beter" zei mijn vader.
We hadden goed gedaan. Het beste voor de kat. En de kat mocht best blijven leven.
Verder werd er niet gesproken.
Drie dagen later was de kat terug. Hongerig maar gezond.
Achteraf weet ik nu dat dat 'aderlaten' heet.
Ik zit in de kantine. Het is 4 oktober.
- 'Wat heeft jouw hond gehad voor dierendag', lispelt een collega.
- 'Een kat' riposteert een niet aangesproken bijzitter.
- 'Toch niet voor die kat een muis had gehad' lolt een derde.
Langzaam wordt de kringloop der natuur met meer dieren verder gesloten.
Op dezelfde dierendag wordt bekend dat er 10 miljoen extra subsidie beschikbaar komt voor megastallen. De bio-industrie verzorgt haar eigen groei. Dankzij die 10 miljoen kan iedere kip ipv 12 vierkante centimeter er nu 14 krijgen. Dat komt het dierenwelzijn enorm ten goede. En maakt de bio-industrie enorm diervriendelijk. Zegt een kippenhouder.
Op de radio zeurt ene Erno Eskens over dierenrechten. Hij stelt notabene voor in de tweede kamer iemand aan te stellen die de rechten van de dieren komt vertegenwoordigen. De filosoof Coen Simon heeft er in zijn boek: "En toen wisten wij alles', terecht op gewezen dat het geven van rechten aan dieren volkomen onzinnig is. De dier is natuur. Netjes omgaan met de natuur is de verantwoordelijkheid van de mens. Het dier is een spiegel van de mooie en minder mooie kanten van de mens. Soms is het verschil tussen dier en baasje niet te zien.
Sinds de mens rechtop is gaan lopen, kan het dierenrijk alleen nog bestaan als de mens zichzelf en zijn omgeving reguleert. Dat blijkt ook als er deze week wat dierendilemma's worden aangedragen:
- Ganzen bij Schiphol: vergassen of niet? Hoeveel doden zijn de ganzen waard?
- Vanaf 3 miljoen ganzen kunnen boeren in Nederland niet meer bestaan. Waar is de grens?
- Zielige zeehonden hoeven niet meer in Pieterburen te worden beschermd, de natuur kan haar gang gaan.
- Wolven terug in Nederland: schapen en honden opgepast!
- Grote grazers in de Oostvaardersplassen, er zijn er veel te veel: afschieten of laten verhongeren?
- Of misschien wat mensen afschieten voor een groter leefgebied?
Stadsmensen hebben een andere opvatting dan plattelanders als het gaat om zaken van de natuur.
De dierenambulance in Zwolle opende deze week een rouwcentrum. Wethouder van As verrichte de officiële opening. Op een foto in het plaatselijke suffertje huilt een mevrouw bij een pluchen beer, naast het kistje van haar Cavia. Mijn suffertje kan nog net dienst doen als kotsbakje.
Mijn biefstuk suddert in de pan. Ik weet het zeker: De mens is ieder gevoel voor verhouding met de natuur en in de omgang met het dier kwijt geraakt.
NB. Deze column was in sterk verkorte vorm te horen op radio Noordoostpolder op zaterdag 6 oktober in het programma 'On the radio'.
zaterdag 22 september 2012
Bronnen van de geschiedenis
Het is 1976. Nog acht weken, dan heb ik eindelijk en definitief vakantie. Nog acht weken naar school, dan zit het er op. We hebben inmiddels de hele geschiedenis van de wereld behandeld, van de steentijd tot het heden, van de jagers tot de kabinetsformaties. Ik kan me niet voorstellen dat er nog iets komt. We zijn klaar! Maar ik heb me vergist. Er blijkt nog een zwaar onderwerp op de lerarenagenda te staan.
- "Hoe weten we eigenlijk zoveel over de geschiedenis?", slist en buldert onze leraar, de in onze school legendarische heer Middelink.
Wij weten het niet. Wij zijn elke week weer vol bewondering over wat hij allemaal weet. Maar we hebben ons nog nooit afgevraagd hoe hij aan zijn kennis komt. Waarschijnlijk geschiedenis gestudeerd, een beeld dat voor ons nog ver weg is, al zijn sommigen naar de studievoorlichting van geschiedenis geweest. Gortdroog, niemand van ons overweegt een dergelijke carrière.
-"Uit de bronnen van de geschiedenis!", buldert hij.
Het voegt weinig toe aan onze kennis. Wij weten niet wat de bronnen van de geschiedenis zouden kunnen zijn. En we weten niet of het ons interesseert.
In de daarop volgende acht laatste weken van het schooljaar leren we alles over opgravingen, gevonden dode zee-rollen, de dagboeken van Che-Guevara, fossielen, mondelinge overlevering, onvermoede boeken in het Vaticaan en nog veel meer: We leren over de bronnen van de geschiedenis.
Als ik acht weken later het geschiedenislokaal binnen kom voor mijn mondeling examen geschiedenis, ben ik dat allemaal vergeten. Nadat ik op geen enkele wijze een lijn heb weten te ontdekken in de vijf oorlogen tussen Engeland en Japan, zelfs het aantal is nieuw voor mij, vraagt Middelink:
- "Hoe weten we eigenlijk zoveel over Che Guevara? "
Ik weet iets over zijn dagboeken te melden.
- "Kun je nog meer bronnen van de geschiedenis noemen?"
De moed zinkt mij in de schoenen. Juist dit onderdeel van de stof is me volledig ontschoten tijdens de voorbereiding. Ik weet het niet. Uiteindelijk sluip ik het lokaal uit met een 6-. Mijn scriptie over Leonardo da Vinci sleept me er door.
Juist deze week blijkt dat al deze gemiste kennis van levensbelang kan zijn. In Limburg is een fossiel gevonden van een mosasaurus, een zwemmende roofdinosaurus van 13 meter lang. Hij is anderhalf miljoen jaar ouder dan de oudste tot nu toe gevonden Mosasaurus. En hij vult de leemte in kennis van een lange periode. Ik zou hem zelf willen uitgraven en omhelzen. Maar ik heb geen geschiedenis gestudeerd,
Ook deze week werd een snippertje perkament gevonden, waaruit blijkt dat Jezus gewoon getrouwd was. Net als alle joden van zijn leeftijd. Op het papiertje de zin: "Jezus zei tot zijn leerlingen: Mijn vrouw.........."
En dan niks meer. Maar het is wel een echte bron. Papyrus uit de derde of de vierde eeuw. Jezus citeert zijn vrouw. Jezus was dus getrouwd! Met Maria. Maria Magdalena, een prostituee. In de bijbel en in de noordoostpolder zeggen ze ook wel: een hoer! Dat maakt Jezus trouwens alleen maar sympathieker wat mij betreft. Maar er zijn mensen die daar anders over denken.
Uit het onvolprezen boek van Paul Verhoeven over Jezus van Nazareth, weten we inmiddels ook al lang hoe de vader van Jezus heette: Pantherus. Dat is weer ontdekt door de theologe Jane Schaberg, die dat al in 1990 wereldkundig maakte. Pantherus was een Romeinse soldaat uit een gebied dat nu Duitsland heet. Niks maagd. Maria werd tijdens een opstand van Palestina tegen de Romeinen verkracht door een Romeinse soldaat en opgevangen door de goedzak Jozef. Voor mij als voormalig gereformeerde, zelfbenoemde atheïst, bijna een reden om weer godsdienstig te worden. Wat een romantiek! Wat een held! Trouwens, ook Dhr. van de Staay moet van deze, hem onwelgevallige theorie hebben geweten. Want ik neem aan dat hij, net als alle andere mensen, alles leest over zijn idool. Misschien dat juist deze wetenschap hem wel bracht tot zijn bijzondere uitspraken.
Waarom denken sommigen van ons dat Jezus is geboren uit een maagd? De apostel Paulus, de ontembare evangelist voor Jezus in het oude Rome, was een groot diplomaat. Om het christendom een beetje kans te geven in het brede palet van godsdiensten in het oude Rome, was een maagdelijke geboorte een pré. Er waren er wel meer, maar niet heel veel. Ook voor deze wetenschap zijn heel veel bronnen. Het meest toegankelijk geschreven daarover is het boekje van Kees Hendrikse: "God bestaat niet en Jezus is zijn zoon". Mooie verhalen. Lezen, juist als je het er niet me eens denkt te zijn. Het besef dat je het er niet mee eens kunt zijn is al een winst. We mogen in Nederland geloven wat we willen. Tenminste van de heidenen. Voor sommige godsdienstigen ligt dat ingewikkelder. Zo mogen we niet vinden dat Mohammed maar een wredaard was en daar zeker geen film over maken. Dan gaan mensen de straat op om met dat wat ze geloven de wereld kort en klein te slaan. Ook al is er via allerlei bronnen informatie, die duidelijk maakt dat ze ongelijk hebben. Maar, zo leerde ik kort geleden, verwachten dat iemand van mening verandert op basis van hem onwelgevallige feiten, is hetzelfde als verwachten dat als je de staart van een hond beweegt die hond dat zal beleven als kwispelen.
Als ik alles samenvat leveren de bronnen van de geschiedenis deze week het volgende beeld: Jezus was een Duitser was, getrouwd met een dame van lichte zeden. Hij leefde miljoenen jaren na een roofdinosauris, die volgens de bijbelse jaartelling niet kan hebben bestaan. Het lijkt me al met al nieuws dat in de Noordoostpolder en Urk en nog veel meer plaatsen moet zijn ingeslagen als een bom. Maar alleen als je gelooft in bronnen van de geschiedenis. Je kunt de geschiedenis ook zelf bedenken.
NB. Deze column was in sterk verkorte vorm te horen op radio Noordoostpolder op zaterdag 22 september in het programma On the radio.
- "Hoe weten we eigenlijk zoveel over de geschiedenis?", slist en buldert onze leraar, de in onze school legendarische heer Middelink.
Wij weten het niet. Wij zijn elke week weer vol bewondering over wat hij allemaal weet. Maar we hebben ons nog nooit afgevraagd hoe hij aan zijn kennis komt. Waarschijnlijk geschiedenis gestudeerd, een beeld dat voor ons nog ver weg is, al zijn sommigen naar de studievoorlichting van geschiedenis geweest. Gortdroog, niemand van ons overweegt een dergelijke carrière.
-"Uit de bronnen van de geschiedenis!", buldert hij.
Het voegt weinig toe aan onze kennis. Wij weten niet wat de bronnen van de geschiedenis zouden kunnen zijn. En we weten niet of het ons interesseert.
In de daarop volgende acht laatste weken van het schooljaar leren we alles over opgravingen, gevonden dode zee-rollen, de dagboeken van Che-Guevara, fossielen, mondelinge overlevering, onvermoede boeken in het Vaticaan en nog veel meer: We leren over de bronnen van de geschiedenis.
Als ik acht weken later het geschiedenislokaal binnen kom voor mijn mondeling examen geschiedenis, ben ik dat allemaal vergeten. Nadat ik op geen enkele wijze een lijn heb weten te ontdekken in de vijf oorlogen tussen Engeland en Japan, zelfs het aantal is nieuw voor mij, vraagt Middelink:
- "Hoe weten we eigenlijk zoveel over Che Guevara? "
Ik weet iets over zijn dagboeken te melden.
- "Kun je nog meer bronnen van de geschiedenis noemen?"
De moed zinkt mij in de schoenen. Juist dit onderdeel van de stof is me volledig ontschoten tijdens de voorbereiding. Ik weet het niet. Uiteindelijk sluip ik het lokaal uit met een 6-. Mijn scriptie over Leonardo da Vinci sleept me er door.
Juist deze week blijkt dat al deze gemiste kennis van levensbelang kan zijn. In Limburg is een fossiel gevonden van een mosasaurus, een zwemmende roofdinosaurus van 13 meter lang. Hij is anderhalf miljoen jaar ouder dan de oudste tot nu toe gevonden Mosasaurus. En hij vult de leemte in kennis van een lange periode. Ik zou hem zelf willen uitgraven en omhelzen. Maar ik heb geen geschiedenis gestudeerd,
Ook deze week werd een snippertje perkament gevonden, waaruit blijkt dat Jezus gewoon getrouwd was. Net als alle joden van zijn leeftijd. Op het papiertje de zin: "Jezus zei tot zijn leerlingen: Mijn vrouw.........."
En dan niks meer. Maar het is wel een echte bron. Papyrus uit de derde of de vierde eeuw. Jezus citeert zijn vrouw. Jezus was dus getrouwd! Met Maria. Maria Magdalena, een prostituee. In de bijbel en in de noordoostpolder zeggen ze ook wel: een hoer! Dat maakt Jezus trouwens alleen maar sympathieker wat mij betreft. Maar er zijn mensen die daar anders over denken.
Uit het onvolprezen boek van Paul Verhoeven over Jezus van Nazareth, weten we inmiddels ook al lang hoe de vader van Jezus heette: Pantherus. Dat is weer ontdekt door de theologe Jane Schaberg, die dat al in 1990 wereldkundig maakte. Pantherus was een Romeinse soldaat uit een gebied dat nu Duitsland heet. Niks maagd. Maria werd tijdens een opstand van Palestina tegen de Romeinen verkracht door een Romeinse soldaat en opgevangen door de goedzak Jozef. Voor mij als voormalig gereformeerde, zelfbenoemde atheïst, bijna een reden om weer godsdienstig te worden. Wat een romantiek! Wat een held! Trouwens, ook Dhr. van de Staay moet van deze, hem onwelgevallige theorie hebben geweten. Want ik neem aan dat hij, net als alle andere mensen, alles leest over zijn idool. Misschien dat juist deze wetenschap hem wel bracht tot zijn bijzondere uitspraken.
Waarom denken sommigen van ons dat Jezus is geboren uit een maagd? De apostel Paulus, de ontembare evangelist voor Jezus in het oude Rome, was een groot diplomaat. Om het christendom een beetje kans te geven in het brede palet van godsdiensten in het oude Rome, was een maagdelijke geboorte een pré. Er waren er wel meer, maar niet heel veel. Ook voor deze wetenschap zijn heel veel bronnen. Het meest toegankelijk geschreven daarover is het boekje van Kees Hendrikse: "God bestaat niet en Jezus is zijn zoon". Mooie verhalen. Lezen, juist als je het er niet me eens denkt te zijn. Het besef dat je het er niet mee eens kunt zijn is al een winst. We mogen in Nederland geloven wat we willen. Tenminste van de heidenen. Voor sommige godsdienstigen ligt dat ingewikkelder. Zo mogen we niet vinden dat Mohammed maar een wredaard was en daar zeker geen film over maken. Dan gaan mensen de straat op om met dat wat ze geloven de wereld kort en klein te slaan. Ook al is er via allerlei bronnen informatie, die duidelijk maakt dat ze ongelijk hebben. Maar, zo leerde ik kort geleden, verwachten dat iemand van mening verandert op basis van hem onwelgevallige feiten, is hetzelfde als verwachten dat als je de staart van een hond beweegt die hond dat zal beleven als kwispelen.
Als ik alles samenvat leveren de bronnen van de geschiedenis deze week het volgende beeld: Jezus was een Duitser was, getrouwd met een dame van lichte zeden. Hij leefde miljoenen jaren na een roofdinosauris, die volgens de bijbelse jaartelling niet kan hebben bestaan. Het lijkt me al met al nieuws dat in de Noordoostpolder en Urk en nog veel meer plaatsen moet zijn ingeslagen als een bom. Maar alleen als je gelooft in bronnen van de geschiedenis. Je kunt de geschiedenis ook zelf bedenken.
NB. Deze column was in sterk verkorte vorm te horen op radio Noordoostpolder op zaterdag 22 september in het programma On the radio.
zaterdag 8 september 2012
Pieperfestival
De Olympische Spelen zijn voorbij. Het scheelde niet veel of het was een ramp geworden. Na het EK voetbal, dat iedereen al lang vergeten is, en na de de Tour de France, die natuurlijk weer niet door Gesink werd gewonnen, waren de spelen de laatste kans om iets van dit jaar te maken. Maar wat eigenlijk? Wat zouden de spelen van het jaar kunnen maken? En voor wie?
In de eerste week van de Olympische spelen werd er gejudood. Verschillende judoka's 'gingen voor goud', een Amerikaanse vorm van grootspraak, die bij Nederlanders onherroepelijk tot een enorme mentale depressie en zelfblokkade leidt. Roept een Nederlander dat ie gaat winnen, hoef je niet eens te gaan kijken. Dat wordt zeker niks! De Judoka's werden dan ook op de rug gelegd, in de houdgreep genomen of door de scheidsrechters naar huis gestuurd.
Na een week zonder al te veel succes leek de spirit er uit. De medaillekansen van de sporters die nog moesten komen werden laag ingeschat. De mislukte sportzomer, die onze identiteit definitief naar een nulpunt zou loodsen, diende zich aan.
-" Zou het voor de mensen die nog niet geweest zijn misschien beter zijn als er alvast iets was gewonnen? ", vraagt Mart Smeets aan een deelneemster die nog moet komen. Een interessant punt. Ga je beter presteren als anderen in een andere sport het goed doen, zelfs al ken je die personen niet? Bestaat er zoiets als teamgeest zonder team?
Zelf zit ik in een schaakteam. Het woord op zich is al belachelijk. Acht schakers, die tegen acht schakers van een andere club spelen, zijn geen team. Als je een punt haalt, wordt dat bij de andere punten opgeteld, en zo kun je winnen met 5-3 of verliezen met 8-0. Maar het is geen teamsport. Het is bijv. streng verboden om tijdens het spelen over de partijen te overleggen. En toch heb ik gemerkt dat als je speelt met een vriendenclubje, het team beter presteert, dan een achttal even sterke schakers die niets met elkaar hebben. Teamgeest zonder team.
Ik kwam vandaag in Emmeloord, toevallig. Ik werd opgehouden bij afgesloten wegen. Mensen renden van Urk naar Emmeloord. Ik begreep niet waarom.
-"Vanwege de piepers", deelde een vriendelijke vrijwilliger mij mee.
De wat?
-"De aardappels! Dat hebben wij hier elk jaar!"
Hij leek te verwachten, dat ik meteen begreep waar hij het over had. Ik moest denken aan Freek de Jonge, die in een conference aan een man vraagt : Hoe komt u aan die tulpen? En dat die man zegt: De oorlog!
Ach natuurlijk de oorlog! Dat ik daar niet aan heb gedacht!
Ach natuurlijk, de aardappels, dat ik daar niet aan heb gedacht!
De vrijwiliger keek zo trots, dat ik niets tegen zijn, voor mij bizarre logica, wist in te brengen; maar de omstanders knikten. De aardappels!
Ik weet er nu een beetje van. Van het Pieperfestival.
Ik ben blij dat ook in de Noordoostpolder er iets bestaat dat leidt tot teamgeest zonder team. Naast radio Noordoostpolder is dat de aardappel weet ik nu. Wat de Olympische spelen zijn voor Nederland, is de aardappel voor de Noordoostpolder. Ieder middel is geoorloofd. Als het maar werkt!
Ik heb vanavond een aardappel gegeten. Ik voel me er al een beetje bij horen.
NB. Deze column was te horen op radio Noordoostpolder op zaterdag 8 in het programma On the radio.
In de eerste week van de Olympische spelen werd er gejudood. Verschillende judoka's 'gingen voor goud', een Amerikaanse vorm van grootspraak, die bij Nederlanders onherroepelijk tot een enorme mentale depressie en zelfblokkade leidt. Roept een Nederlander dat ie gaat winnen, hoef je niet eens te gaan kijken. Dat wordt zeker niks! De Judoka's werden dan ook op de rug gelegd, in de houdgreep genomen of door de scheidsrechters naar huis gestuurd.
Na een week zonder al te veel succes leek de spirit er uit. De medaillekansen van de sporters die nog moesten komen werden laag ingeschat. De mislukte sportzomer, die onze identiteit definitief naar een nulpunt zou loodsen, diende zich aan.
-" Zou het voor de mensen die nog niet geweest zijn misschien beter zijn als er alvast iets was gewonnen? ", vraagt Mart Smeets aan een deelneemster die nog moet komen. Een interessant punt. Ga je beter presteren als anderen in een andere sport het goed doen, zelfs al ken je die personen niet? Bestaat er zoiets als teamgeest zonder team?
Zelf zit ik in een schaakteam. Het woord op zich is al belachelijk. Acht schakers, die tegen acht schakers van een andere club spelen, zijn geen team. Als je een punt haalt, wordt dat bij de andere punten opgeteld, en zo kun je winnen met 5-3 of verliezen met 8-0. Maar het is geen teamsport. Het is bijv. streng verboden om tijdens het spelen over de partijen te overleggen. En toch heb ik gemerkt dat als je speelt met een vriendenclubje, het team beter presteert, dan een achttal even sterke schakers die niets met elkaar hebben. Teamgeest zonder team.
Ik kwam vandaag in Emmeloord, toevallig. Ik werd opgehouden bij afgesloten wegen. Mensen renden van Urk naar Emmeloord. Ik begreep niet waarom.
-"Vanwege de piepers", deelde een vriendelijke vrijwilliger mij mee.
De wat?
-"De aardappels! Dat hebben wij hier elk jaar!"
Hij leek te verwachten, dat ik meteen begreep waar hij het over had. Ik moest denken aan Freek de Jonge, die in een conference aan een man vraagt : Hoe komt u aan die tulpen? En dat die man zegt: De oorlog!
Ach natuurlijk de oorlog! Dat ik daar niet aan heb gedacht!
Ach natuurlijk, de aardappels, dat ik daar niet aan heb gedacht!
De vrijwiliger keek zo trots, dat ik niets tegen zijn, voor mij bizarre logica, wist in te brengen; maar de omstanders knikten. De aardappels!
Ik weet er nu een beetje van. Van het Pieperfestival.
Ik ben blij dat ook in de Noordoostpolder er iets bestaat dat leidt tot teamgeest zonder team. Naast radio Noordoostpolder is dat de aardappel weet ik nu. Wat de Olympische spelen zijn voor Nederland, is de aardappel voor de Noordoostpolder. Ieder middel is geoorloofd. Als het maar werkt!
Ik heb vanavond een aardappel gegeten. Ik voel me er al een beetje bij horen.
NB. Deze column was te horen op radio Noordoostpolder op zaterdag 8 in het programma On the radio.
zaterdag 1 september 2012
Knietje vrijen.
Ik ga een column maken voor radio Noordoostpolder. Dat lijkt me het aangewezen moment om eens na te denken over wat ik weet van de Noordoostpolder, of over wat ik heb met de noordoostpolder. Tijdens het nadenken over deze tekst valt me al op dat je het woord noordoostpolder niet straffeloos kunt blijven herhalen. Niet alleen is het te lang en teveel een tongbreker, het intellectuele gehalte van je tekst lijdt er ook meteen onder. Teveel polder. Niet sexy. Niet hip. Niet chil. Niet vet. Niet….., ja, hoe zou dat nu heten eigenlijk? En kun je Noordoostpolder straffeloos afkorten? NOP?
Ik vraag me nu af, hoe groot de Noordoostpolder is. Hoeveel mensen er luisteren naar radio NOP. Ik stel me voor dat de wereld daar zo klein is, dat iedereen meteen weet om wie het gaat.
Ik weet zijn en haar naam niet meer. Maar ‘knietje-vrijen blijft voor mij altijd iets van-, en verbonden aan de Noordoostpolder.
NB. Deze column was te horen op radio Noordoostpolder op zaterdag 1 september in het programma 'On the radio'.
Mijn eerste herinnering aan de NOP is gek genoeg seksueel getint. En dat is verrassend. Mijn associatieve brein is beslist niet ongebreideld seksueel van aard en het woord polder is, ook in mijn gevoelswereld, niet ultrasensueel. Het is evenmin zo dat ik iedere gedachte aan vroeger meteen Freudiaans weet terug te voeren op een orale, genitale, anale of andere fase, ook al heb ik een psychologische vooropleiding.
Ik zie me zelf weer zitten in de keuken van onze boerderij. Het is eind jaren zestig. Ik ben een jaar of twaalf. Er zijn kennissen van mijn ouders op visite. Mijn vader en de mannelijke bezoeker bespreken het plan van de bezoeker om naar de Noordoostpolder te verhuizen. Dat is dus het moment dat ik dat woord voor het eerst hoor: Noordoostpolder. Onze bezoeker wil daar een loonbedrijf beginnen. Er schijnen daar grote boeren en boerderijen te zijn. Met heel veel bouwland en heel veel werk. Daarbij vergeleken, is mijn vader met z’n 12 koeien en 11 hectare weiland een te verwaarlozen bron van inkomsten. Het huidige loonbedrijf van de bezoeker loopt niet zo goed en in de NOP, zal hij zijn als Anton in loonbedrijfluilekkerland. Het geld zal er binnen stromen. De bomen zullen tot in de hemel groeien. Mijn vader knikt.
Ik zit schuin tegenover onze bezoeker. Naast hem, en dus recht tegenover mij, zit zijn dochter, van een jaar of elf. Hoewel ik geen enkele seksuele aanmoediging vanuit mijn opvoeding heb meegekregen, en alle relevante voorlichting beperkt is gebleven tot een boekje dat mijn moeder mij op een onbewaakt moment in de handen drukte, met de woorden: “Lees dit maar eens even, misschien heb je er iets aan”, ondanks dat, reageert mijn lichaam op haar aanwezigheid. Ze lacht naar mij. Ze heeft een beetje een bol gezicht, en ze bloost een beetje. Ze heeft al borsten. Het symbool van ‘sex’. De jongens op school hebben het er vaak over. Ik houd mij dan altijd op de vlakte. Snap niet zo goed waar ze het over hebben. Weet niets van sex. Maar nu helpt mijn lichaam mee. Ik raak met mijn voet haar been aan onder de tafel. Niemand kan het zien. Ons pluchen tafelkleed hangt minstens 30 centimeter over de rand. De aanwezige mannen gaan op in hun loonbedrijf-luchtkastelen.
En zij? Ze is in ieder geval niet echt verlegen. Zonder gene wrijft zij met haar voet langs mijn been. Ik ben blij dat we geen schoenen dragen. Dat de klompen keurig in de schuur zijn achter gebleven. Ik wrijf een beetje terug. We kijken elkaar niet aan. Zij knelt mijn been tussen de hare, komt met haar voet zo hoog langs mijn been, dat er gevoelens opwellen, die volkomen nieuw voor mij zijn.
Als ze weg zijn wil ik maar één ding: ook naar de Noordoostpolder verhuizen.
Ik heb haar nooit meer terug gezien. Het loonbedrijf dat ze zijn begonnen was binnen een jaar failliet.
-" Ach, hij was altijd al een fantast, en een chaoot", weet mijn vader later te vertellen.
-" Ach, hij was altijd al een fantast, en een chaoot", weet mijn vader later te vertellen.
Ik vraag me nu af, hoe groot de Noordoostpolder is. Hoeveel mensen er luisteren naar radio NOP. Ik stel me voor dat de wereld daar zo klein is, dat iedereen meteen weet om wie het gaat.
Ik weet zijn en haar naam niet meer. Maar ‘knietje-vrijen blijft voor mij altijd iets van-, en verbonden aan de Noordoostpolder.
NB. Deze column was te horen op radio Noordoostpolder op zaterdag 1 september in het programma 'On the radio'.
Labels:
Autobiografisch perspectief,
Boek H1,
Radio NOP
Abonneren op:
Posts (Atom)