zaterdag 22 december 2012

Tijd om te geven

Het is een spannende tijd. Sinterklaas is nog maar net terug naar Spanje, opgelucht dat hij iedereen weer ter wille heeft kunnen zijn. Op 'n krent zitten tot een nieuwe missie hem naar Nederland roept. De Kerstman lost hem af. Had mijn moeder dat maar geweten, dat er een kerstman bestond. Want bij ons kwam die nooit. Mijn moeder had zich waarschijnlijk niet aangemeld.  En Sinterklaas kwam hooguit één keer bij ons thuis. Nicolaas is een druk man. Hij had echt geen tijd om twee keer per week langs Terwispel te komen om mijn schoentje te voorzien van pepernoten, marsepein en ander ongezond en onnodig voedsel. Als we geluk hadden kwam hij na zijn aankomst in één of andere haven in Nederland één keer voor 5 december langs met een mandarijntje en een drietal pepernoten. Meer niet. Hij nam wel altijd het hooi mee en de wortel, die wij klaar hadden gelegd voor het paard. Meestal kon de ruil niet uit. En dat zei mijn moeder ook:
- "Dit kan niet uit".
- "Wij hebben het al niet breed en als die oude Nicolaas nou ook nog mijn goede winterwortels mee neemt wordt het helemaal moeilijk de eindjes aan elkaar te knopen".
En dus zetten wij geen schoen. Om mijn moeder te beschermen.

Alleen op 5 december. Dan mochten we de schoen zetten en ook de trui en de broek. Gek genoeg niet thuis, maar bij de buren. De overburen. Die woonden in een 'onbewoonbaar verklaarde woning'. Die hadden zelf geen kinderen. Waarschijnlijk kon Nicolaas daar gemakkelijker naar binnen. Want ze hadden geen slot op de deur. De deur kon niet eens goed dicht. Maar daar zaten wij niet mee. Want wij wisten niet beter.
En als je op vijf december 's avonds je schoen zet, en je trui, en je broek, dan vind je pas zes december 's morgens je cadeautje. Of cadeautjes. Meestal een letter. En iets van speelgoed. Al weet ik niet meer wat. Maar er kwam vooral ook een preek van de buurvrouw. Dat Sinterklaas ons wel erg aardig moest vinden, en dat hij blijkbaar niet gezien had hoe stout wij soms waren. Onze jaarlijkse evaluatie. Zij lachte er heel lief bij. En wij knikten dankbaar.

En dan begon kerst. Met de barmhartige Samaritaan. Stel je voor je bent in elkaar geslagen en je ligt langs de weg. Het bijbelse verhaal. Of je bent zwart en dakloos en je woont in Amerika. De werkelijkheid van vandaag. Zal het nog ooit goed met je komen? Er komt een dominee langs. Je ziet hem en je weet: hij heeft geleerd dat hij de zwakkeren moet helpen, en de armen, en de vertrapten, de daklozen, .. hoop je. Maar hij zegt dat op zondag liever tegen zijn gemeenteleden. Want zelf heeft hij geen tijd.
Of je ziet een priester, een goede katholiek die zich het lot van de medemens aantrekt. Maar die ziet je niet eens, want hij brengt net een klein jongetje naar school, tenminste die loopt met hem mee.
Of er passeert en aardige meneer, die je groet en die 50 eurocent in je bakje laat vallen. HIj kijkt de andere kant op en jouw voeten blijven koud.
En dan kom er een agent aan. En je mag hier niet zitten, hier in het winkelcentrum, waar het nog een beetje warm is en waar je blote voeten niet meteen het risico van vuiligheid en glasgerinkel lopen. Je maakt je zo onzichtbaar mogelijk, maar de agent komt toch naar je toe en geeft je een paar laarzen voor je maat 50, en je kunt je ogen niet geloven. En de agent verdwijnt.

Ik was op een school. De ouders bij het hek zijn boos. Voor de Sinterklaasviering op school moeten hun kinderen, hun oogappeltjes, hun toekomst, een cadeautje kopen voor  een klasgenoot. En het mag niet meer kosten dan  twee euro.
-" Dat kan niet ", roept een boze moeder.
Ik vraag hoe ze daar bij komt.
-" Ik heb gisteren net een trein gekocht voor mijn zoon, de goedkoopste die er is, maar die startset is altijd nog minstens 40 euro".
Ze heeft dus gelijk. Twee euro is niets vergeleken bij 40 euro. Het cadeautje dat je kunt kopen voor je klasgenoot stelt niets voor, vergeleken bij die treinset, hoe klein en ontoereikend die ook is.

Ik denk aan de preken van vroeger. Aan de preken over dankbaarheid van mijn buurvrouw op 6 december, aan de preken in de kerk over de barmhartige Samaritaan. En plotseling weet ik het. Dit gaat helemaal niet over het cadeau! Deze moeder is zwaar in de war. Ze weet helemaal niet waar Sinterklaas over gaat!

Ik denk aan de Sinterklaasvieringen als meester met mijn klas. Hoe ik altijd lette op de enorme spanning van de gever, als de ontvanger het cadeautje uitpakte. Ik denk aan de Sinterklaasvieringen van de afgelopen jaren met mijn eigen grote kinderen. Hoe ik alleen maar let op hun reactie, op hun gezichten, op hun gedrag, op het moment dat de anderen de door hen gegeven cadeautjes uitpakken. En het valt me op dat ze blijer zijn met de reacties van hun doelwit dan met hun eigen cadeaus. Als ze iets geven lijken ze meer te genieten dan op het moment dat ze iets krijgen! Ik denk aan de Samaritaan, aan mijn buurvrouw, aan de agent in het winkelcentrum.

Het gaat in deze dagen niet over iets krijgen. Sinterklaas en kerst gaan over geven. Over het plezier van het geven. Thuis en op school. Over kinderen leren dat geven leuker kan zijn dan te krijgen. De krijger evalueert de gever en niet andersom.

Geniet daar alvast van als je vanavond Sinterklaas viert, of als je de laatste cadeautjes gaat kopen deze week. Dan zul je van de crisis niets merken.

zaterdag 8 december 2012

Met het spoor

Op een ritje voor mijn werk deze week, kom ik tussen Zwolle en Kampen een trein tegen. Of eigenlijk twee treinen. Bijzonder, omdat het spoor dat daar ligt de achterliggende maanden mij vooral is opgevallen omdat er nooit een trein rijdt. Het is het meest aanwezige lege spoor dat ik ken. Nu zie ik eerst een 'losse locomotief, zoals wij dat als kinderen noemden, en dan een wat vreemde blauwe trein, met voor en achter nog een locomotief.

Ik heb een sterk ambivalente houding t.o.v. treinen. Als je er in zit, je hebt een zitplaats, en de trein rijdt, dan heeft het wel iets. Je kunt een boek lezen, het is er warm, en als je bestemming in een grote stad, niet al te ver van het station ligt, heb je geen parkeerprobleem. Maar het kan ook anders. Vorige week kocht ik in een opwelling via vakantieveiling.nl voor een habbekrats twee kaartjes voor Wibi Soerjadi. Hij trad op in het concertgebouw, en vooral dat concertgebouw heeft op mij een enorme aantrekkingskracht.

Als het concert om kwart over tien is afgelopen, stap ik in de tram om via Amsterdam Zuid de trein naar Zwolle te nemen. Dit keer helaas via Utrecht, omdat de rechtstreekse verbinding door werkzaamheden een ommetje maakt. Ik heb mij desondanks niet laten ontmoedigen en neem verwachtingsvol plaats. In Utrecht is er een eerste obstakel. Er blijkt tussen Utrecht en Amersfoort 'een springer' te zijn. Springers zijn mensen, die op rigoureuze wijze hun stem uitbrengen op de NVVE, de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwilllig levenseindE. Ze halen er weinig kamerzetels mee, maar iedere springer brengt een niet anonieme stem uit. Ik wordt gemaand via Hilversum te reizen, ook al stel ik zelf voor via Arnhem en Deventer te gaan. In Hilversum voel ik bij het binnenrijden van het station nattigheid. Er staan hier wel erg veel mensen te wachten. Het is kwart voor twaalf. Om tien over twaalf zal een trein ons via Baarn naar Amersfoort brengen, alwaar wij de laatste trein naar Zwolle kunnen halen. Tweehonderd meter voor Baarn staan we nog even stil.  Ons wordt verteld dat we even moeten wachten op een tegenligger. Er is vandaag maar één spoor beschikbaar tussen Baarn en Amersfoort vanwege een breuk in de bovenleiding. Vijf minuten worden er twintig. Een prettige stem legt uit dat het enkele spoor tussen Baarn en Amersfoort inmiddels wordt geblokkeerd door een defecte trein. De werkelijkheid is altijd bizarder dan welke fantasie dan ook. De NS heeft kans gezien op het enige stukje enkel spoor nu een defecte trein te rangeren.

De omroeper spreekt weer: We hoeven ons geen zorgen te maken. Straks, als we in Amersfoort aankomen zal er NS personeel zijn om ons op te vangen en zullen er bussen klaar staan om ons verder te brengen. En we kunnen nu in ieder geval Baarn binnen rijden. Want wachten hoeft niet meer. De blokkerende trein zal immers nooit arriveren. We zullen een omweg via Den Dolder nemen is het plan.

 Den Dolder. Ik zie de machinist. Hij loopt voor mijn raam langs, terug naar de andere kant van de trein. Zijn gezicht staat op onweer. Ik zwaai hem bemoedigend toe. Dan rijden we Den Dolder weer uit. Alles loopt op rolletjes als we om kwart over één in Amersfoort arriveren. Ik had al een uur in Zwolle kunnen zijn. Iemand die tegen het advies van de NS in toch via Deventer is gereisd, belt een lotgenotende reisgenoot en is al thuis.
In Amersfoort wacht een nieuwe verrassing. Van het beloofde NS personeel, noch van de bussen is enig spoor te bekennen in de zeer verlaten stationshal. Enkele taxichauffeurs met ervaring in dit soort situaties duiken als aasgieren op de passagiers: de NS betaalt. U betaalt € 200 voor een ritje naar Enschede, dat krijgt u later van de NS terug. Wilt u mee? Later blijkt dat niet waar, maar dat weet ik niet. Gelukkig is mijn reisdoel Zwolle en wacht ik nog even af.

Als er een tiental minuten later een NS functionaris verschijnt, wordt beloofd dat er bussen zullen komen. Maar die zijn er nog niet. De NS wil naast de winterdienstregeling niet beschuldigd kunnen worden van nog meer proactief handelen. Een inventarisatie van bestemmingen bij ons gestranden begint. Alsof dat niet een half uur geleden in de trein al had kunnen plaats vinden. Ermelo, Putten, Meppel, Enschede. En nog veel meer. De NS- er schrijft het allemaal op een klein blauw papiertje. Het is kwart voor twee.

Iemand moet naar het toilet. Onder begeleiding van de hopmannende NS functionaris trekken we naar een WC in een kantoorpand van de NS. Dat gaat nog net. Maar koffie of iets te eten blijkt teveel gevraagd.
Kwart voor drie. Er meldt zich een bus. Het is Ome Cor. Hij is 75 jaar en rijdt wel vaker in crisissituaties voor de NS. Naar Zwolle hoor ik? Van onze hopman krijgt hij het blauwe briefje. Dan blijkt dat er ook nog mensen zijn die naar Meppel en Assen moeten. Ome Cor vloekt. "Ik lag net in mijn bed".
We kunnen mee richting Zwolle, maar alleen als we eerst via Nijkerk, Putten, Ermelo, Harderwijk en 't Harde gaan. Ik ben ieder gevoel voor tijd en in mijn vingers verloren. Vooruit maar.

Kwart voor vier stap ik uit in Zwolle. De wandeling naar de auto door de nachtelijke kou brengt de laatste ontnuchtering teweeg. Half vijf rol ik in mijn bed. Wibi slaapt al lang. Morgen om zeven uur zal mijn wekker gaan.

Op weg naar Lelystad word ik een dag later bij Kampen en Dronten gemaand om rustig aan te doen. De tegemoet komende blauwe trein blijkt de koningin te bevatten. En ik ben een potentiële terrorist. De agent vraagt nog net niet of ik misschien waxinelichtjes bij me heb. Het tot nu toe zo lege spoor heet de Hanzelijn legt de agent mij uit. Ik knik begripvol.

Ik moet denken aan iemand die vijf jaar geleden in de plaatselijke krant een heftig pleidooi hield om de Hanzelijn via Emmeloord te laten lopen. Ik ben plaatsvervangend blij voor hem dat dat niet is gelukt.

NB Deze column was in sterk verkorte vorm te horen op radio Noordoostpolder, in het programma 'On the radio' op zaterdag 8 december.
.

zaterdag 10 november 2012

Niet zeuren

De eerste auto van mijn ouders was een Skoda. Ik vertel het met tegenzin. Het was niet bepaald iets waaraan wij als kinderen veel status konden ontlenen, zeker niet aan de Skoda van 1970. Die Skoda moest regelmatig naar de garage. Want dat had je met een Skoda. En de garage vond het geen probleem.
Nog steeds niet trouwens.
Inmiddels heeft mijn vader een VW Bora. En nog steeds gaat hij naar dezelfde garage. En nog steeds werkt daar dezelfde monteur. Bijna met pensioen. De Bora van nu lijkt in niets op de Skoda van toen. Toch blijkt het repararen van het nieuwe vehikel voor de monteur op leeftijd geen enkel probleem. Hij schoolt zich bij, en hij heeft lol in z'n vak. Van 's morgens acht tot 's avonds 6. En zonder ooit langer dan een week met vakantie te gaan. Nooit zeurt hij over de uren die hij moet maken. Als je 's morgens om 08.00 uur komt is hij er al. En als je 's middags om vijf voor zes komt wil hij je nog steeds helpen. Zonder één spoor van ergernis. Met altijd een glimlach. Wat een feest!

Het wordt hoog tijd dat ik het eens heb over het onderwijs. Onderwijs is in Nederland het allerbelangrijkste wat er is. Dat blijkt uit het feit dat het het enige is waar in een tijd van crisis niet op wordt bezuinigd. Nou ja, het enige waarvan wordt gezegd dat er niet op wordt bezuinigd. Van andere dingen kun je dat wel luidop zeggen. Je kijkt er een beetje ernstig bij en zegt dan iets als:
'-"In tijden van crisis blijft natuurlijk niemand en niets gespaard, iedereen gaat het merken".
En vervolgens pak je een miljard af van de armsten op de wereld, je laat zieken en gehandicapten hun eigen euthanasie betalen, vrijwillig of je geeft ze gewoon geen medicijnen meer, je pakt de mensen met de middeninkomens al hun pleziertjes af en je verwacht luid gejuich. Want het is immers crisis. En in tijden van crisis is alles geoorloofd. Maar van het onderwijs blijf je af.

Het heeft allemaal mijn sympathie, als er ook iets voor zou worden terug verwacht vanuit het onderwijs. Bijv. iets meer openheid over de werkdruk. En de redenen van het gepraat (sommigen zegen: gezeur) daar over. Heeft u enig idee hoe druk onderwijzers het hebben? Ik zal het u uitleggen.
Een onderwijzer heeft een 36 urige werkweek en in totaal 6 weken vakantie alles mee gerekend. Daar kijkt u van op he? Zes weken vakantie. Geen twaalf. In de CAO van iedere onderwijzer staat dat zij (want mannen zijn er niet meer in het basisonderwijs) 1659 uur moet werken per jaar. Dat is een belangrijk getal. Onthoud dat: 1659 uur per jaar. 46 weken van ruim 36 uur dat is 1659 uur. De meesten van ons werken iets meer uren, 1750 of nog meer, maar onderwijzer is een zwaar vak. Dus 1659 in het onderwijs is echt afzien. Niemand van ons misgunt de mensen die de toekomst van het land iedere dag kneden, hun vrije tijd.

De kinderen komen ongeveer 1000 uur naar school.  Iets minder nog. Een onderwijzer heeft dus ongeveer 650 uur tijd voor het voorbereiden van de lessen, voor gesprekken met u en mij over onze kinderen, voor bijscholing en voor het mee doen aan de avondvierdaagse of de kerstviering of het schoonwassen van het kleutermateriaal. Waar zit dan het probleem? Dat zit in het de manier waarop scholen dit werk organiseren.  De kinderen komen 1000 uur naar school verdeeld over ongeveer 40 weken. En onderwijzers willen graag vrij zijn in de weken dat de kinderen niet naar school komen. Dat zijn die 12 weken per jaar. En dus plannen ze al hun werk in die 40 weken dat de kinderen komen. Ook de extra dingen die gemakkelijk in die andere weken zouden kunnen als verplichte nascholing.
Even een hoofdrekenopgave. Hoeveel is 1659 gedeeld door 40? Ook als je niet zo goed bent in hoofdrekenen, weet je meteen dat daar minstens 40 uit komt en de meesten van ons zien zelfs dat dat meer dan 41 is. Om dus de 36 urige werkweek te maken in 40 weken moet je 41 uur per week werken. Nog een keer: Om alle uren van 46 weken met een 36 urige werkweek te kunnen maken in 40 weken (de weken dat de kinderen naar school komen) moet je 41 uur per week werken in die 40 weken. Voor een parttimer is de situatie nog moeilijker. Als je zestiende werkt moet je 4 dagen beschikbaar zijn. Dus niet drie wat veel parttimers denken: zestiende van 5 dagen is immers 3 dagen.

Onderwijzeres is het belangrijkste vak in onze maatschappij. Iedereen kan nog wel iets vertellen over een juf, meester, leraar of lerares die hij heeft gehad. Mooie verhalen over vormend gedrag van vakbekwame pedagogen. Daar moeten we vooral niet op bezuinigen. Die gunnen we hun 12 weken vakantie. Maar alleen als ze tussendoor hard werken en niet zeuren. Dat hoort ook bij de crisis. Dat weet de monteur van mijn vader. Daar kan het onderwijs nog wat van leren.


zaterdag 27 oktober 2012

Jondeeres

Ergens in de polder zag ik een John Deere. De groene tractor past in het regenachtige en weidse landschap als een fietser worstelend tegen de wind. Omdat het te ver weg is kan ik niet precies zien wat de functie van de tractor op dit moment is, maar hij doet vast iets nuttigs. De grond slepen. Of iets ploegen. De druilerige regen geeft het tafereel de mistige gloed, die past bij de herfst. Ik ben jaloers op de ongeremde vrijheid, die de berijder moet voelen, en die ik ken van toen ik zelf nog een klein jongetje was.

Het is de derde John Deere die ik zie deze week. Thuis bij mijn ouders zag ik mijn neefje spelen met de groene tractor, die vroeger bij mijn oma thuis ons grootste vakantieplezier was. Mijn broer en ik logeerden iedere zomervakantie bij mijn oma. Meestal drie weken lang. Zonder heimwee. En zonder contact met thuis, want wij hadden thuis geen telefoon.
Ik herinner me een keer dat oma net terug was uit Canada. Eén van mijn ooms had in de jaren 50 zijn heil gezocht in Lynden, en was boer geworden in die Hollandes enclave, dicht bij de Amerikaanse grens. Terug van haar eerste bezoek aan haar zoon had ze twee tractors meegebracht voor ons, haar logees. Twee jondeeres. Want zo spraken wij dat uit. En zij sprak ons niet tegen.

De jondeeres hadden twee voorwielen, die dicht bij elkaar zaten. Belachelijk. Zo zagen de tractors in Nederland er niet uit, en wij konden het weten, want oma woonde naast een loonbedrijf.
- "Zien de echte tractors in Amerika er ook zo uit?" vroegen wij.
Dat bleek niet het geval. Nog belachelijker. Dit waren geen echte tractors. Dit was speelgoed. Gemaakt door een grapjas. Maar ze konden wel 'echt' sturen en er konden 'echte' wagens achter. En wij speelden er graag mee. Maar het waren geen echte tractors!

Wat is dat trouwens, 'echt'? Iedereen weet wat een lepel is, of een schoen, of een kunstgebit. Maar als je een voorwerp ziet, hoe weet je dan dat het een schoen of een kunstgebit is? Waaruit bestaat het 'echte' van een voorwerp? De filosoof Heidegger zei dat het allemaal in ons hoofd zit. Een voorwerp is nooit 'echt'. Een voorwerp bestaat alleen bij de gratie van z'n functie. Als ik soep eet is mijn lepel een lepel, maar als ik die lepel langs de weg vind, is het dan nog wel een lepel? Is een kunstgebit bij de gevonden voorwerpen op het politiebureau wel een kunstgebit? Is een schoen langs de weg wel een schoen?

Eén van de meest omstreden kunstwerken van de vorige eeuw is 'The Fountain', van Marcel Duchamp. Duchamp was één van de bestuursleden van een galerie voor moderne kunst in New York. Hij werkte volgens een bijzonder concept: Iedere kunstenaar kon bij hem zijn kunstwerken ten toon stellen. Voorwaarde was dat hij lid werd van de galerie (kosten 1 dollar) en daarnaast per kunstwerk 5 dollar betaalde.  Duchamp kocht in New York in een badmeubelwinkel een urinoir en geeft het ding een naam: Fountain.  Hij zette het op z'n kop en signeerde het. Daarna bood hij het onder het pseudoniem R. Mutt aan, aan z'n eigen galerie, compleet met de 6 dollar voor lidmaatschap en tentoonstellingskosten. Hij noemde het 'readymade art'. Kunst die al klaar was.
Zijn medebestuursleden, die geen idee hadden van de werkelijke aanbieder, waren furieus en weigerden het ding tentoon te stellen. Dit was geen kunst! En zo is één van de meest beroemde kunstwerken uit de geschiedenis nooit tentoongesteld geweest! Er is alleen een foto bewaard gebleven. Maar was was het aangeboden voorwerp? Op de kop en niet verbonden aan een waterafvoer? Een urinoir of een kunstwerk, of nog iets anders?  Volgend de definitie van Heidegger was het in ieder geval geen urinoir meer.

Was de jondeere bij mijn oma wel een tractor? Dat laatste is nu overduidelijk: Nee! Het is speelgoed in de vorm van een tractor. Het zal nooit de functie van de poldertractor over kunnen nemen.

Vorige week liep ik de kunstroute in De Wijk en IJhorst. Op één van de locaties stuit ik op een levensgrote jondeere. Dit keer niet groen maar herkenbaar gemaakt van karton. Ook deze jondeere heeft smalle wieltjes. In de achterkant van het vehikel is een beeldscherm gemonteerd waarop een film wordt getoond van een man, die in een hotelkamer in New York deze kartonnen tractor bouwt, omdat hij zich eenzaam voelt en wil vluchten in een wereld die hem meer aanstaat, de wereld van de natuur, de wereld van de weidse polder.

En zo komt het allemaal weer bij elkaar: mijn jeugd, de kunst, de filosofie en de noordoostpolder. Maar of het ook een functie heeft, daar ben ik nog niet uit. Als we een voorwerp definiëren aan de hand van zijn functie, en als het voorwerp zijn functie verliest, als het dan dat voorwerp niet meer is, wat is dan een mens? Wat is tenslotte de functie van een mens? Of van een column?


Deze column was te horen op radio Noordoostpolder op 27 oktober om 19.40 uur in het programma 'On the radio', en is tot een week daarna nog terug te luisteren op  de site van radio Noordoostpolder.

zondag 21 oktober 2012

Hallucinaties

Ik heb nog nooit drugs gebruikt. Daarvoor biedt ik vandaag mijn excuses aan. Moet ik dat uitleggen?
Ik ben opgegroeid in de jaren 60 en 70. Je bent toch een beetje een watje, als je kans ziet die hele periode door te komen zonder één keer te blowen, of buiten jezelf te treden, te hallucineren of te trippen. Nou ja, één keer heb ik spacecake gegeten, zonder het zelf te weten. En daar ben ik toen vooral ziek van geweest. Mijn eerste hoofdpijn is mijn grootste existentiële jaren 60 ervaring.

Ik vraag mij af of dat nog ooit in te halen is. Zonder iets te gebruiken toch een beetje 'high'. Om mij heen zie ik dat soms. Een buurvrouw die depressief is, en daarvoor medicijnen slikt blijkt alleen maar met die medicijnen te hoeven stoppen om hele werelden te zien, waarvan ik geen weet heb. In de tijd van haar zwangerschap rent ze gillend over straat, getuigend van een wereld, die zo bijzonder is, dat wij allemaal mee moeten genieten en er bang van worden op hetzelfde moment. Als ze even bij ons zit, huilend en shakend, vertelt ze van beesten, kleuren en vormen, waarvan wij geen weet hebben. De bevalling en de terugkerende medicijnen verdrijven uiteindelijk deze, voor de meesten van ons verborgen, kosmos weer.

Ik blijk het aan te trekken. Jaren later als ik thuis kom van mijn werk, in een andere tijd in een andere stad zit de dan actuele buurvrouw op de oprit te huilen. Ook zij heeft depressieve trekjes weet ik. En omdat ze een koptelefoon op heeft en de ogen dicht; en ik geen zin heb in haar wereld, probeer ik onopvallend mijn huis binnen te sluipen. Zonder succes. Ze heeft mij gezien en wenkt. Ik blijf een watje en kan haar tranende ogen niet weerstaan. Zonder woorden overhandigt ze mij de koptelefoon.
De daarop volgende minuten zijn hallucinerend. Ik ken de stem en de muziek niet. Maar het dringt diep in mijn ziel door. Schurend en zagend.  Ik blijk te luisteren naar vrouwen van de eeuwigheid. 'Eternal Women'.  Kleine biografietjes van de doodsstrijd van Mata Hari, Marie Antoinette, Mary Queen of Schots, Sissi, Maria Magdalena, Jeanne d'Arc en Cleopatra. Op muziek van klassieke componisten, ook al een wereld die ik niet ken.

Ik realiseer me vandaag dat drugs en hallucinaties 'in' zijn.

"Vroeger, weten we uit te geschiedenis, verliet de ziel het lichaam wanneer het hart stil bleef staan.
Mijn ziel gedraagt zich anders en verlaat zijn lichaam al tijdens mijn leven", dichte mijn oma op weg naar haar dementie. Voor mijn oma was haar dementie een hallucinatie, Voor Lance Armstrong zijn zeven Tour de France- zeges één lange hallucinatie geweest. En voor Sylvia Kristel was Emanuelle haar levenslange uittreding.

Ik blijf op zoek naar mijn hallucinatie. Eergisteren was het zover. Bijna iedereen weet dat je kunt hallucineren van muziek. Heilzaam en ongeremd. Gisteren heb ik mijn koptelefoonhallucinatie in levende lijve gezien. Petra Berger. Opeens was ze daar. Als een vanzelfsprekende legende. Het was alsof ik thuis kwam. Alsof ik naar de radio luisterde en een goede vriend een column voor hoorde lezen. Al na twee nummers liepen de tranen over mijn wangen.

Ik wil vanaf vandaag anderen laten hallucineren. Iemand zet zijn leven in voor psychiatrisch patiënten. Ik zoek een cadeau voor hem. Ik stuit op de grootste neuroloog en psychiater aller tijden, Oliver Sachs, auteur van het boek "de man die zijn vrouw voor een hoed hield", een hallucinatie, die je iedere man gunt. Oliver heeft een grote hoeveelheid hallucinerende middelen ingenomen en daar een boek over geschreven: 'Hallucinaties'. Puur voor de wetenschap natuurlijk. Cogito ergo sum. Mijn rede stuurt mijn ziel. Hij wil weten wat zijn patiënten mee maken en dus roept hij hallucinaties op. Waarom niet!

Ik blijf doorgaan. Noordoostpolder: Pak je kansen. Verdrijf je depressie. Hallucineer. Lees Oliver Sachs, Luister naar Petra berger. Het leven kan één serie gloedvolle hallucinaties zijn, met én zonder drugs.


Deze column was te horen op radio Noordoostpolder op 20 oktober 2012 om 19.40 uur in het programma 'On the radio'. . 

vrijdag 5 oktober 2012

Dierendag

Toen ik klein was hadden wij thuis een kat. En een hond. En koeien en schapen. En een paard. De koeien en de schapen waren belangrijk. Want dat was ons inkomen. En het paard. Want dat was onze tractor. De kat en de hond waren minder belangrijk. Dat was óns speelgoed. Dat waren mee-eters. En dat deden ze ook. Ze kregen de restjes van wat wij over lieten. Wij zorgden dat we wat over lieten. Zo was alles goed geregeld.

Op een dag was de kat ziek. 'Kattenziekte'. Het woord had bij ons thuis de onvermijdelijke klank van de dood. Kattenziekte, dat kwam nooit meer goed. Ik was acht. Ik had geen idee wat kattenziekte was. Maar het concept van een bijna dode kat was helder. Maar niet dramatisch. We hadden soms dode kalfjes en dode koeien. Nu een bijna dode kat.

Er was nog één kans. Samen met mijn vader gingen we naar de stal. Ik moest de kat beet houden. Mijn vader droeg de bijl. Mijn broertje moest ook mee helpen. Die hield de staart vast. Met een ferme zwaai hakte mijn vader ongeveer 5 centimeter van de staart.

- 'Het moet wel in het leven', placht mijn vader te zeggen.
Wij wisten niet wat dat was: 'het leven'. Maar het was belangrijk: in 'het leven'.
Wij konden de kat niet meer houden. Die verdween met een kreet door de staldeur naar buiten.
- "Misschien wordt hij beter" zei mijn vader.
We hadden goed gedaan. Het beste voor de kat. En de kat mocht best blijven leven.

Verder werd er niet gesproken.
Drie dagen later was de kat terug. Hongerig maar gezond.
Achteraf weet ik nu dat dat 'aderlaten' heet.

Ik zit in de kantine. Het is 4 oktober.
- 'Wat heeft jouw hond gehad voor dierendag', lispelt een collega.
- 'Een kat' riposteert een niet aangesproken bijzitter.
- 'Toch niet voor die kat een muis had gehad' lolt een derde.
Langzaam wordt de kringloop der natuur met meer dieren verder gesloten.

Op dezelfde dierendag wordt bekend dat er 10 miljoen extra subsidie beschikbaar komt voor megastallen. De bio-industrie verzorgt haar eigen groei. Dankzij die 10 miljoen kan iedere kip ipv 12 vierkante centimeter er nu 14 krijgen. Dat komt het dierenwelzijn enorm ten goede. En maakt de bio-industrie enorm diervriendelijk. Zegt een kippenhouder.

Op de radio zeurt ene Erno Eskens over dierenrechten. Hij stelt notabene voor in de tweede kamer iemand aan te stellen die de rechten van de dieren komt vertegenwoordigen. De filosoof Coen Simon heeft er in zijn boek: "En toen wisten wij alles', terecht op gewezen dat het geven van rechten aan dieren volkomen onzinnig is. De dier is natuur. Netjes omgaan met de natuur is de verantwoordelijkheid van de mens. Het dier is een spiegel van de mooie en minder mooie kanten van de mens. Soms is het verschil tussen dier en baasje niet te zien.

Sinds de mens rechtop is gaan lopen, kan het dierenrijk alleen nog bestaan als de mens zichzelf en zijn omgeving reguleert. Dat blijkt ook als er deze week wat dierendilemma's worden aangedragen:
- Ganzen bij Schiphol: vergassen of niet? Hoeveel doden zijn de ganzen waard?
- Vanaf 3 miljoen ganzen kunnen boeren in Nederland niet meer bestaan. Waar is de grens?
- Zielige zeehonden hoeven niet meer in Pieterburen te worden beschermd, de natuur kan haar gang gaan.
- Wolven terug in Nederland: schapen en honden opgepast!
- Grote grazers in de Oostvaardersplassen, er zijn er veel te veel: afschieten of laten verhongeren?
- Of misschien wat mensen afschieten voor een groter leefgebied?
Stadsmensen hebben een andere opvatting dan plattelanders als het gaat om zaken van de natuur.

De dierenambulance in Zwolle opende deze week een rouwcentrum. Wethouder van As verrichte de officiële opening. Op een foto in het plaatselijke suffertje huilt een mevrouw bij een pluchen beer, naast het kistje van haar Cavia. Mijn suffertje kan nog net dienst doen als kotsbakje.

Mijn biefstuk suddert in de pan. Ik weet het zeker: De mens is ieder gevoel voor verhouding met de natuur en in de omgang met het dier kwijt geraakt.

NB. Deze column was in sterk verkorte vorm te horen op radio Noordoostpolder op zaterdag 6 oktober in het programma 'On the radio'.

zaterdag 22 september 2012

Bronnen van de geschiedenis

Het is 1976. Nog acht weken, dan heb ik eindelijk en definitief vakantie. Nog acht weken naar school, dan zit het er op. We hebben inmiddels de hele geschiedenis van de wereld behandeld, van de steentijd tot het heden, van de jagers tot de kabinetsformaties. Ik kan me niet voorstellen dat er nog iets komt. We zijn klaar! Maar ik heb me vergist. Er blijkt nog een zwaar onderwerp op de lerarenagenda te staan.

- "Hoe weten we eigenlijk zoveel over de geschiedenis?", slist en buldert onze leraar, de in onze school legendarische heer Middelink.
Wij weten het niet. Wij zijn elke week weer vol bewondering over wat hij allemaal weet. Maar we hebben ons nog nooit afgevraagd hoe hij aan zijn kennis komt. Waarschijnlijk geschiedenis gestudeerd, een beeld dat voor ons nog ver weg is, al zijn sommigen naar de studievoorlichting van geschiedenis geweest. Gortdroog,  niemand van ons overweegt een dergelijke carrière.
-"Uit de bronnen van de geschiedenis!", buldert hij.
Het voegt weinig toe aan onze kennis. Wij weten niet wat de bronnen van de geschiedenis zouden kunnen zijn. En we weten niet of het ons interesseert.

In de daarop volgende acht laatste weken van het schooljaar leren we alles over opgravingen, gevonden dode zee-rollen, de dagboeken van Che-Guevara,  fossielen, mondelinge overlevering, onvermoede boeken in het Vaticaan en nog veel meer: We leren over de bronnen van de geschiedenis.

Als ik acht weken later het geschiedenislokaal binnen kom voor mijn mondeling examen geschiedenis, ben ik dat allemaal  vergeten. Nadat ik op geen enkele wijze een lijn heb weten te ontdekken in de vijf oorlogen tussen Engeland en Japan, zelfs het aantal is nieuw voor mij, vraagt Middelink:
-  "Hoe weten we eigenlijk zoveel over Che Guevara? "
Ik weet iets over zijn dagboeken te melden.
- "Kun je nog meer bronnen van de geschiedenis noemen?"
De moed zinkt mij in de schoenen. Juist dit onderdeel van de stof is me volledig ontschoten tijdens de voorbereiding. Ik weet het niet. Uiteindelijk sluip ik het lokaal uit met een 6-. Mijn scriptie over Leonardo da Vinci sleept me er door.

Juist deze week blijkt dat al deze gemiste kennis van levensbelang kan zijn. In Limburg is een fossiel gevonden van een mosasaurus, een zwemmende roofdinosaurus van 13 meter lang. Hij is anderhalf miljoen jaar ouder dan de oudste tot nu toe gevonden Mosasaurus. En hij vult de leemte in kennis van een lange periode. Ik zou hem zelf willen uitgraven en omhelzen. Maar ik heb geen geschiedenis gestudeerd,

Ook deze week werd een snippertje perkament gevonden, waaruit blijkt dat Jezus gewoon getrouwd was. Net als alle joden van zijn leeftijd. Op het papiertje de zin: "Jezus zei tot zijn leerlingen: Mijn vrouw.........."
En dan niks meer. Maar het is wel een echte bron. Papyrus uit de derde of de vierde eeuw. Jezus citeert zijn vrouw. Jezus was dus getrouwd! Met Maria. Maria Magdalena, een prostituee. In de bijbel en in de noordoostpolder zeggen ze ook wel: een hoer! Dat maakt Jezus trouwens alleen maar sympathieker wat mij betreft. Maar er zijn mensen die daar anders over denken.

Uit het onvolprezen boek van Paul Verhoeven over Jezus van Nazareth, weten we inmiddels ook al lang hoe de vader van Jezus heette: Pantherus. Dat is weer ontdekt door de theologe Jane Schaberg, die dat al in 1990 wereldkundig maakte. Pantherus was een Romeinse soldaat uit een gebied dat nu Duitsland heet. Niks maagd. Maria werd tijdens een opstand van Palestina tegen de Romeinen verkracht door een Romeinse soldaat en opgevangen door de goedzak Jozef. Voor mij als voormalig gereformeerde, zelfbenoemde atheïst, bijna een reden om weer godsdienstig te worden. Wat een romantiek! Wat een held! Trouwens, ook Dhr. van de Staay moet van deze, hem onwelgevallige theorie hebben geweten. Want ik neem aan dat hij, net als alle andere mensen, alles leest over zijn idool. Misschien dat juist deze wetenschap hem wel bracht tot zijn bijzondere uitspraken.

Waarom denken sommigen van ons dat Jezus is geboren uit een maagd? De apostel Paulus, de ontembare evangelist voor Jezus in het oude Rome, was een groot diplomaat. Om het christendom een beetje kans te geven in het brede palet van godsdiensten in het oude Rome, was een maagdelijke geboorte een pré. Er waren er wel meer, maar niet heel veel. Ook voor deze wetenschap zijn heel veel bronnen. Het meest toegankelijk geschreven daarover is het boekje van Kees Hendrikse: "God bestaat niet en Jezus is zijn zoon". Mooie verhalen. Lezen, juist als je het er niet me eens denkt te zijn. Het besef dat je het er niet mee eens kunt zijn is al een winst. We mogen in Nederland geloven wat we willen. Tenminste van de heidenen. Voor sommige godsdienstigen ligt dat ingewikkelder. Zo mogen we niet vinden dat Mohammed maar een wredaard was en daar zeker geen film over maken. Dan gaan mensen de straat op om met dat wat ze geloven de wereld kort en klein te slaan. Ook al is er via allerlei bronnen informatie, die duidelijk maakt dat ze ongelijk hebben. Maar, zo leerde ik kort geleden, verwachten dat iemand van mening verandert op basis van hem onwelgevallige feiten, is hetzelfde als verwachten dat als je de staart van een hond beweegt die hond dat zal beleven als kwispelen.

Als ik alles samenvat leveren de bronnen van de geschiedenis deze week het volgende beeld: Jezus was een Duitser was, getrouwd met een dame van lichte zeden. Hij leefde miljoenen jaren na een roofdinosauris, die volgens de bijbelse jaartelling niet kan hebben bestaan. Het lijkt me al met al nieuws dat in de Noordoostpolder en Urk en nog veel meer plaatsen moet zijn ingeslagen als een bom. Maar alleen als je gelooft in bronnen van de geschiedenis. Je kunt de geschiedenis ook zelf bedenken.

NB. Deze column was in sterk verkorte vorm te horen op radio Noordoostpolder op zaterdag 22 september in het programma On the radio.