We schaken dit jaar in Figueres, de stad van Salvador Dali. Schaken is een jaarlijks terugkerend ritueel in een wisselend gezelschap. Dit jaar met 4 mannen. Vroeger hield ik precies bij hoeveel toernooien ik had gespeeld, maar inmiddels ben ik de tel kwijt. Het zijn er meer dan 30.
Eigenlijk zou ik met schaken moeten stoppen. Of beter: eigenlijk zouden we alle vier moeten stoppen. Geen van de vier die dit jaar mee doet, wordt nog beter. Een eufemisme voor teloorgang. De groei is er uit. Twee jaar geleden haalde één van ons nog het laatste resultaat dat nodig was om zich schaakmeester te mogen noemen, op z'n tandvlees en karakter. Maar ook hij is over z'n top heen. Hoewel de meestertitel blijft natuurlijk, als palmtak op zijn schakersgraf.
De andere meester in het gezelschap heeft dit jaar besloten voor z'n plezier te gaan spelen. Om dit handen en voeten te geven heeft hij een jeugdschaakclub opgericht, en heeft hij in dit toernooi z'n partijen anders opgezet. Met meer risico, meer gericht op de schoonheid van het spel. Minder met alleen het resultaat voor ogen. Z'n score lijdt er nog niet onder, z'n humeur is zonnig ook na een nederlaag.
Toch zijn de beide meesters beter af dan de beide amateurs in het gezelschap. Zij worstelen met de ijdele hoop nog wat beter te worden van deze kans, ondanks het feit dat alle voortekenen op het tegenovergestelde wijzen. Ze zoeken wanhopig naar aanknopingspunten voor groei. Bij de dagelijkse nabespreking van de partijen, 's avonds bij het eten in één van de vele etablissementen waar diepvriespizza het culinaire hoogtepunt op het menu vormt, krijgen ze voldoende feedback van de beide meesters om weer een jaartje te studeren. "The harmless Effects of excessive optimism", mijn favoriete lijfspreuk. Geen van beiden lijkt te beseffen dat samen en elkaar trainen een kansrijkere missie is dan de onbegrepen adviezen van de meesters te sublimeren.
Wat drijft ons vier schakers? Wat maakt dat dit gemengde gezelschap ieder jaar weer elkaar opzoekt om ergens in Europa neer te strijken en een vakantie aan zelfkwelling te doen of als kanonnenvoer voor grootmeesters te dienen? Het moet de liefde voor het spel zijn. Alle tekenen daarvan zijn aanwezig. De één noemde z'n oudste zoon naar een schaker: Bobby, naar de grootste aller tijden. Z'n vrouw moest alle zeilen bijzetten om zich bij opvolgende zonen, niet terug te vinden tussen ook nog een Michael (naar de grote Rus Tal) of een Gary of Antoli, naar andere wereldkampioenen die vereeuwiging verdienen. En hoewel deze schaakamateur geen kunstminnaar is, zo blijkt in het Dalimuseum, kan hij wel uitweiden over en waardering opbrengen voor de onmetelijke schoonheid van de Babson-task, het enige echte schakerskunstwerk.
De meesters blijken elke dag opnieuw te kunnen genieten van een mooie zet of een plan dat succesvol had kunnen zijn, als de tegenstander wat meer medewerking had verleend. En ik? De schoonheid van het spel, het volkomen van de wereld zijn, is iets dat ook voor mij onweerstaanbare aantrekkingskracht heeft. Daarnaast is er vooral de emotie. Volgens Spinoza bestaan er maar 3 echte emoties: Blijdschap, verdriet en begeerte. Alle ander emoties zijn hier een afgeleide vorm van. Streven naar blijdschap maakt gelukkig. Schaken is streven naar blijdschap. Schoonheid is blijdschap.
En als het mis gaat is er de zelfhaat. Na de foute zetten, de te voorkomen blunders of het gebrek aan inzicht dat leidt tot het foute plan. Ook dan helpt Spinoza: "Zelfhaat is een gebrek aan zelfkennis". Dat zet ons op de plek, maakt ons evenwichtiger. Dat moet in deze periode van gezamenlijke verzwakking onze troost zijn.
Een bijzonder element van voldoening is de groep van vier. Deelnemen aan een toernooi is een verschijningsvorm van dat merkwaardige fenomeen dat bekend staat als mannenvriendschap. Vier totaal verschillende mensen die een manier vinden om tien dagen op elkaars lip te leven, zonder elkaar naar het leven te staan. Kleine ergernissen veroorzaakt door gedrag van anderen of van jezelf worden verzwegen. Eigengereid gedrag veroorzaakt door iemands verleden, omstandigheden of gewoon door het karakter, goed of slecht, wordt met de mantel der liefde bedekt. Accepteren, wegslikken of tegenin gaan. Een enkele heftige woordenwisseling en een kort mokken volstaan als voorportaal van weer een zonnig lachen in- en om het hier en nu. Genieten van de bizarre details in het hotel dat graag exclusief wil zijn. Daarom scheppen de obers er zelfs een eenvoudige cannelloni aan tafel van de schaal op het bord. Daarom kost het ontbijt er elf euro, in een stad waar je voor dat bedrag een complete avondmaaltijd met wijn kunt krijgen, en daarom vouwen de kamermeisjes iedere dag een puntje aan de toiletrol op de plaats waar we zijn gebleven. In mijn leven tot nu toe in ieder geval een exclusief detail.
Niets aan te merken? Het ontbreekt dit jaar aan het vanzelfsprekende bier na iedere ronde. Bestellen zonder te vragen. Bieren om de solidariteit te vieren, de spanning van het nog spelende groepslid van een gouden randje te voorzien of gewoon om het verlies te verwerken of de winst onder te dompelen in het welverdiende vocht. Ieder groepslid heeft z'n eigen bijdrage, en deze rol ontbreekt dit jaar.
Nu moet ik er nog niet aan denken, maar volgend jaar is er vast weer een toernooi.
Cultuur is het verlangen iets te delen wat in wezen buiten jezelf staat, maar gevoelsmatig zo dicht bij je komt dat je het wilt verdedigen alsof het van jezelf is. (Hans den Hartog Jager in "Dit is Nederland").
zaterdag 17 augustus 2013
dinsdag 4 juni 2013
Gesprek aan het sterfbed
Ik spreek iemand die sterven gaat:
we noemen leven, dood.
De woorden komen als vanzelf,
nooit is de ruimte groot.
Ik sterf zelf daar een klein beetje,
blijf leven naderhand.
Wat we doen is zonder tijd,
mijn hartslag voelt gênant.
Ik praat met de verdoemde,
haar leven loopt straks af.
We babbelen een tijdje,
ieder met eeuwigheid als straf.
we noemen leven, dood.
De woorden komen als vanzelf,
nooit is de ruimte groot.
Ik sterf zelf daar een klein beetje,
blijf leven naderhand.
Wat we doen is zonder tijd,
mijn hartslag voelt gênant.
Ik praat met de verdoemde,
haar leven loopt straks af.
We babbelen een tijdje,
ieder met eeuwigheid als straf.
dinsdag 28 mei 2013
Mens en machine
De dokter heeft een nummertjesautomaat ingevoerd. Niet voor het spreekuur, maar bij het laboratorium. Het is een maatregel zonder diepgaand doel, een service aan de wachtenden.
Omdat ik iedere week één keer bloed moet prikken krijg ik de gelegenheid de processen bij de implementatie van deze maatregel te observeren. En zoals iedere nieuwe maatregel blijkt ook deze niet zonder tegenstanders.
Tot mijn verbazing blijken veel mensen geen nummertje te trekken. Niet omdat ze dat niet gewend zijn, of omdat ze de nieuwe nummerautomaat niet zien, maar omdat ze dat weigeren. Ze willen niet meewerken aan deze ordening der dingen. Uit het gemor van mijn lotgenoten maak ik op dat ze de wereld anders waarnemen dan hun dokter. Ze voelen zich beledigd!
-"Ik kan best onthouden na wie ik ben!"
De nummerautomaat is een motie van wantrouwen aan hun geheugen, en nog meer.
Naast de belediging blijkt er een ander fundamentaal bezwaar te bestaan: de noodzaak tot contact is verdwenen! Het vragen: "wie is er voor mij", is een noodzakelijk en onontkoombaar excuus om 's morgens om 08.00 uur iemand aan te spreken. Voor de mensen op leeftijd in de wachtkamer niets minder dan een een flirt in wording! Het bezoek aan deze wachtkamer is een uitje. De uitstaande conversatie, waarop je je al thuis kunt voorbereiden het voorstadium van een huwelijksaanzoek. Maar als zodanig natuurlijk onbespreekbaar, en dus wordt er al snel weer gezwegen. Zoals dat hoort in een echte wachtkamer.
Als ik een week later terugkeer voor een volgende prik, blijkt de nummerautomaat leeg. De nieuwe rode glimmende automaat staat aanwezig en doelloos midden in de ruimte te niksen.
-"Geen nummertjes?" vraag ik nietsvermoedend.
Ik roep een storm van onvrede op. Opnieuw blijken mijn lotgenoten beledigd. Het zijn andere oudjes. Ze hebben geen kennis van de voorgeschiedenis. Niemand was er vorige week ook.
-"Schaffen ze van mijn centen zo'n apparaat aan, zitten er geeneens nummertjes in".
Ook een lege automaat is het bewijs van onkunde en verspilling: betaald van onze centen, maar niet in gebruik.
-"Wil ik keurig een nummertje trekken, zijn er geen nummertjes", moppert een oude man. Geldverspilling en en potentiële beschuldiging van onfatsoenlijk gedrag, of erger: weigering om mee te werken. Twijfel aan de mogelijkheid dat de bejaarde het nieuwe apparaat zal begrijpen.
Ik knik meelevend. Het leven van een zieke is zwaar. Daar helpt de dokter graag aan mee.
Ik vraag wie er als laatste is gearriveerd. Omdat ik niet toevallig heb gezien wie er voor mij is binnen gekomen. Een oude dame lonkt kort naar mij. Daarna is het weer stil, zoals het hoort.
Omdat ik iedere week één keer bloed moet prikken krijg ik de gelegenheid de processen bij de implementatie van deze maatregel te observeren. En zoals iedere nieuwe maatregel blijkt ook deze niet zonder tegenstanders.
Tot mijn verbazing blijken veel mensen geen nummertje te trekken. Niet omdat ze dat niet gewend zijn, of omdat ze de nieuwe nummerautomaat niet zien, maar omdat ze dat weigeren. Ze willen niet meewerken aan deze ordening der dingen. Uit het gemor van mijn lotgenoten maak ik op dat ze de wereld anders waarnemen dan hun dokter. Ze voelen zich beledigd!
-"Ik kan best onthouden na wie ik ben!"
De nummerautomaat is een motie van wantrouwen aan hun geheugen, en nog meer.
Naast de belediging blijkt er een ander fundamentaal bezwaar te bestaan: de noodzaak tot contact is verdwenen! Het vragen: "wie is er voor mij", is een noodzakelijk en onontkoombaar excuus om 's morgens om 08.00 uur iemand aan te spreken. Voor de mensen op leeftijd in de wachtkamer niets minder dan een een flirt in wording! Het bezoek aan deze wachtkamer is een uitje. De uitstaande conversatie, waarop je je al thuis kunt voorbereiden het voorstadium van een huwelijksaanzoek. Maar als zodanig natuurlijk onbespreekbaar, en dus wordt er al snel weer gezwegen. Zoals dat hoort in een echte wachtkamer.
Als ik een week later terugkeer voor een volgende prik, blijkt de nummerautomaat leeg. De nieuwe rode glimmende automaat staat aanwezig en doelloos midden in de ruimte te niksen.
-"Geen nummertjes?" vraag ik nietsvermoedend.
Ik roep een storm van onvrede op. Opnieuw blijken mijn lotgenoten beledigd. Het zijn andere oudjes. Ze hebben geen kennis van de voorgeschiedenis. Niemand was er vorige week ook.
-"Schaffen ze van mijn centen zo'n apparaat aan, zitten er geeneens nummertjes in".
Ook een lege automaat is het bewijs van onkunde en verspilling: betaald van onze centen, maar niet in gebruik.
-"Wil ik keurig een nummertje trekken, zijn er geen nummertjes", moppert een oude man. Geldverspilling en en potentiële beschuldiging van onfatsoenlijk gedrag, of erger: weigering om mee te werken. Twijfel aan de mogelijkheid dat de bejaarde het nieuwe apparaat zal begrijpen.
Ik knik meelevend. Het leven van een zieke is zwaar. Daar helpt de dokter graag aan mee.
Ik vraag wie er als laatste is gearriveerd. Omdat ik niet toevallig heb gezien wie er voor mij is binnen gekomen. Een oude dame lonkt kort naar mij. Daarna is het weer stil, zoals het hoort.
zondag 26 mei 2013
Het empathisch horloge
Kunnen waarden en normen onderwerp zijn van wetenschappelijk onderzoek? Sterker nog: kan wetenschappelijk worden vastgesteld wat 'goed' of 'slecht' is? Kan het kwaad in de wereld met nieuwe technologie en rationele argumenten worden ingedamd? Kunnen zij die kwaad doen, leren van hun eigen gedrag en van hun onbewust stromende sappen en processen?
Eerst een voorbeeld. In 21 staten van de VS mogen nog lijfstraffen worden toegepast bij kinderen op scholen. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond, dat kinderen die lijfstraffen ondergaan een factor zijn in het geweld in de maatschappij. Ook blijken die kinderen sociaal minder vaardig en (hoe is het mogelijk) zij zijn later weer meer voorstander van lijfstraffen dan volwassenen, die als kind geen lijfstraffen hebben ondergaan. Dat is allemaal onderzocht.
Het feit dat lijfstraffen traditie zijn, dat ze behoren tot de cultuur van de zuidelijke staten en dat 90 % van de ouders er voorstander van is, maakt niet dat lijfstraffen daardoor minder slecht zijn. Het feit dat in de bijbel staat dat 'wie zijn kind lief heeft de roede niet spaart', met andere woorden dat God een fan is van lijfstraffen, ook niet.
Waar komen onze normen en waarden vandaan? Waar zijn morele regels op gebaseerd? Een deel van de mensheid zegt dat normen en waarden van God gegeven zijn, of van Allah. Religieuze dogmatici weten het zeker: waarden en normen komen van God. Niet Christelijke progressieven weten zeker dat dat niet zo is. Zij zeggen dat goed en kwaad onder druk van evolutie of cultuur zijn ontstaan. Zij die 'X' vinden blijken langer te overleven. Ze zijn aangepaster, worden beter geaccepteerd, en lopen dus minder kans op uitroeiing. Toch staan zij toe dat religieuze dogmatici hun standpunten als waar blijven verkondigen en houden zij er in hun gedrag rekening mee. Hun zelfvertrouwen is lang niet van het niveau van de dogmatici en hun normen nemen hun eigen waarden niet serieus. Tenzij tolerantie tegenover niet tolerantie een ultieme norm is. En zo houden zij mede de dogmatiek in stand.
Hoe het ook is, normen en waarden zitten in ons brein verankerd volgens Sam Harris, en het is daarmee onderzoekbaar. Van goed handelen voel je je beter, door slecht handelen voel je je minder gelukkig, of daaraan beleef je minder welzijn. Dat is meetbaar. Dat gaat als volgt:
Welzijn en het ervaren van welzijn is een toestand van de hersenen. Op korte en op lange termijn. Er zijn stoffen in ons lichaam die onze welzijnsbeleving beïnvloeden die over jaren ontstaan. Die stoffen zorgen er ook voor dat we beter op anderen zijn afgestemd. We voelen ons beter als anderen zich beter voelen. Altruïsme is (natuurlijk) een daad van eigenbelang. We weten dus ook wanneer anderen zich beter voelen. En we hebben daar belang bij, want we voelen onszelf daardoor beter. Onze hersenen weten dat. We zijn in staat tot empathie. En die empathie is redelijk universeel.
Weer een voorbeeld: We voelen ons niet beter als we vrouwen besnijden. We weten eigenlijk wel dat dat niet bijdraagt aan het welbevinden van die vrouwen. Onze hersensappen bedriegen ons niet, God wel. Bij vrouwenbesnijdenis gaan de daders tegen hun eigen natuur in. Notabene (in het katholicisme) de grootste en enige 'doodzonde'. De zonde tegen het geweten. Het gaat dan over het bewuste geweten weliswaar, maar dat kan door de paus vast worden bijgesteld. Ik vraag hierbij alvast patent aan op het hulpmiddel dat uiteindelijk tot wereldvrede zal leiden. Het komt vast zover dat we met een klein scannertje aan ons hoofd op ons horloge kunnen zien of wat we van plan zijn eigenlijk wel door de beugel kan. Want wat voor vrouwenbesnijdenis geldt, geldt natuurlijk ook voor op de stoep fietsen.
Doelvlaktechnologie toegepast op waarden en normen. Het kan!
Eerst een voorbeeld. In 21 staten van de VS mogen nog lijfstraffen worden toegepast bij kinderen op scholen. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond, dat kinderen die lijfstraffen ondergaan een factor zijn in het geweld in de maatschappij. Ook blijken die kinderen sociaal minder vaardig en (hoe is het mogelijk) zij zijn later weer meer voorstander van lijfstraffen dan volwassenen, die als kind geen lijfstraffen hebben ondergaan. Dat is allemaal onderzocht.
Het feit dat lijfstraffen traditie zijn, dat ze behoren tot de cultuur van de zuidelijke staten en dat 90 % van de ouders er voorstander van is, maakt niet dat lijfstraffen daardoor minder slecht zijn. Het feit dat in de bijbel staat dat 'wie zijn kind lief heeft de roede niet spaart', met andere woorden dat God een fan is van lijfstraffen, ook niet.
Waar komen onze normen en waarden vandaan? Waar zijn morele regels op gebaseerd? Een deel van de mensheid zegt dat normen en waarden van God gegeven zijn, of van Allah. Religieuze dogmatici weten het zeker: waarden en normen komen van God. Niet Christelijke progressieven weten zeker dat dat niet zo is. Zij zeggen dat goed en kwaad onder druk van evolutie of cultuur zijn ontstaan. Zij die 'X' vinden blijken langer te overleven. Ze zijn aangepaster, worden beter geaccepteerd, en lopen dus minder kans op uitroeiing. Toch staan zij toe dat religieuze dogmatici hun standpunten als waar blijven verkondigen en houden zij er in hun gedrag rekening mee. Hun zelfvertrouwen is lang niet van het niveau van de dogmatici en hun normen nemen hun eigen waarden niet serieus. Tenzij tolerantie tegenover niet tolerantie een ultieme norm is. En zo houden zij mede de dogmatiek in stand.
Hoe het ook is, normen en waarden zitten in ons brein verankerd volgens Sam Harris, en het is daarmee onderzoekbaar. Van goed handelen voel je je beter, door slecht handelen voel je je minder gelukkig, of daaraan beleef je minder welzijn. Dat is meetbaar. Dat gaat als volgt:
Welzijn en het ervaren van welzijn is een toestand van de hersenen. Op korte en op lange termijn. Er zijn stoffen in ons lichaam die onze welzijnsbeleving beïnvloeden die over jaren ontstaan. Die stoffen zorgen er ook voor dat we beter op anderen zijn afgestemd. We voelen ons beter als anderen zich beter voelen. Altruïsme is (natuurlijk) een daad van eigenbelang. We weten dus ook wanneer anderen zich beter voelen. En we hebben daar belang bij, want we voelen onszelf daardoor beter. Onze hersenen weten dat. We zijn in staat tot empathie. En die empathie is redelijk universeel.
Weer een voorbeeld: We voelen ons niet beter als we vrouwen besnijden. We weten eigenlijk wel dat dat niet bijdraagt aan het welbevinden van die vrouwen. Onze hersensappen bedriegen ons niet, God wel. Bij vrouwenbesnijdenis gaan de daders tegen hun eigen natuur in. Notabene (in het katholicisme) de grootste en enige 'doodzonde'. De zonde tegen het geweten. Het gaat dan over het bewuste geweten weliswaar, maar dat kan door de paus vast worden bijgesteld. Ik vraag hierbij alvast patent aan op het hulpmiddel dat uiteindelijk tot wereldvrede zal leiden. Het komt vast zover dat we met een klein scannertje aan ons hoofd op ons horloge kunnen zien of wat we van plan zijn eigenlijk wel door de beugel kan. Want wat voor vrouwenbesnijdenis geldt, geldt natuurlijk ook voor op de stoep fietsen.
Doelvlaktechnologie toegepast op waarden en normen. Het kan!
woensdag 17 april 2013
Merel-wereld
In de tuin hipt een merel. En even later nog één. De stapel met tuinafval, die daar ligt te wachten op de container, omdat die van deze week vol is, heeft een enorme aantrekkingskracht op het merel-echtpaar. Rondom de onderrand van de stapel, zoeken de merels hun weg. Ze grijpen een takje of stukje stro en laten het daarna ook meteen weer vallen. Soms houden ze het stukje in hun snavel geklemd om dan dezelfde procedure toe te passen op andere takjes. Wat op zich knap werk is, met dat andere stukje nog in je snavel.
Ik kijk er met verbazing naar. Blijkbaar wordt bij ieder takje of strootje de inschatting gemaakt: 'Bruikbaar' of 'niet bruikbaar'. Dat betekent dat de merel zich een voorstelling vormt van hoever hij tot nu toe is met z'n verbouwing, en dan afweegt: nee, deze is net te lang, die te kort, die te dik. Hij ziet zijn half afgebouwde huis in zijn geestesoog voor zich en denkt: 'daar moet nog iets tussen', of 'daar kan nog iets bovenop, maar dat niet, dat is te lang, of te kort, of het past niet bij de rest. Of 'dat vindt mijn vrouw (of man) vast niet mooi'. Want hij wijst er meer af dan dat hij meeneemt. Of zij natuurlijk. Mijn merel-geslachts-determinatie is niet zo goed, hoewel ik me meen te herinneren dat je iets met de kleur van de snavel kunt. Misschien eens opzoeken op internet. Beide merels zijn blijkbaar ook even bouwkundig onderlegd. Tenminste vanuit mijn insvalshoek van achter het raam.
De volgende dag zit achter in de tuin, op de schutting, een splinternieuwe merel. Uit een ander nest natuurlijk. Z'n (of haar) zwarte veren glimmen prachtig in de zon. Z'n gele snavel is geler dan geel. Hij houdt z'n kop scheef en kijkt ergens naar. Iets dat zich boven hem in de boom lijkt te te bevinden. Ik vraag me af wat hij ziet, en hoe hij dat ziet. En wat de impact daarvan dan is, zeker als je pas uit het ei bent.
Een vogel heeft geen bewustzijn, kan niet nadenken over wat hij ziet. Hij is niet z'n brein. Of juist wel. Hij ziet het hier en nu. Het ene hier en nu schakelt zich aan het volgende. Zonder kennis van het verleden of van de toekomst. Het instinct als enige drijfveer. Het vage gevoel dat het misschien mis zou kunnen gaan. Of dat het eten zou kunnen opleveren. Of dat het zou kunnen passen in de verbouwing.
Het is een fascinerend schouwspel.
Ik kijk er met verbazing naar. Blijkbaar wordt bij ieder takje of strootje de inschatting gemaakt: 'Bruikbaar' of 'niet bruikbaar'. Dat betekent dat de merel zich een voorstelling vormt van hoever hij tot nu toe is met z'n verbouwing, en dan afweegt: nee, deze is net te lang, die te kort, die te dik. Hij ziet zijn half afgebouwde huis in zijn geestesoog voor zich en denkt: 'daar moet nog iets tussen', of 'daar kan nog iets bovenop, maar dat niet, dat is te lang, of te kort, of het past niet bij de rest. Of 'dat vindt mijn vrouw (of man) vast niet mooi'. Want hij wijst er meer af dan dat hij meeneemt. Of zij natuurlijk. Mijn merel-geslachts-determinatie is niet zo goed, hoewel ik me meen te herinneren dat je iets met de kleur van de snavel kunt. Misschien eens opzoeken op internet. Beide merels zijn blijkbaar ook even bouwkundig onderlegd. Tenminste vanuit mijn insvalshoek van achter het raam.
De volgende dag zit achter in de tuin, op de schutting, een splinternieuwe merel. Uit een ander nest natuurlijk. Z'n (of haar) zwarte veren glimmen prachtig in de zon. Z'n gele snavel is geler dan geel. Hij houdt z'n kop scheef en kijkt ergens naar. Iets dat zich boven hem in de boom lijkt te te bevinden. Ik vraag me af wat hij ziet, en hoe hij dat ziet. En wat de impact daarvan dan is, zeker als je pas uit het ei bent.
Een vogel heeft geen bewustzijn, kan niet nadenken over wat hij ziet. Hij is niet z'n brein. Of juist wel. Hij ziet het hier en nu. Het ene hier en nu schakelt zich aan het volgende. Zonder kennis van het verleden of van de toekomst. Het instinct als enige drijfveer. Het vage gevoel dat het misschien mis zou kunnen gaan. Of dat het eten zou kunnen opleveren. Of dat het zou kunnen passen in de verbouwing.
Het is een fascinerend schouwspel.
Labels:
Dieren,
Filosofie?,
Kijk op de wereld,
Verbeelding
dinsdag 2 april 2013
Zielig
Pasen. Het ideale moment om eens het veld in te trekken. Een frisse neus halen. Buitenlucht zoeken. Met een paar goede vrienden een rondje langs de IJssel, toch de mooiste rivier van Nederland, althans volgens Jac. P. Thijsse, natuurkenner en veldbioloog, die trouwens al lang dood is.
De weilanden zijn nog kaal. Een reiger staat zielig ergens in het niemandsland. Ik vind een reiger de meest trieste vogel die er bestaat. Als je een reiger ziet, staat hij meestal aan een slootkant. Ergens waar misschien ooit een kikker was, maar vandaag niet. Een reiger kijkt ook niet naar het water. Hij zoekt niet. Hij weet: hier is niets te halen. Maar toch staat hij daar, omdat hij weet: ik ben een reiger, en ik hoor bij een slootkant. Als een wrak op het autokerkhof, of een grensrechter bij een amateurwedstrijd. Het hoort erbij, maar je bent er liever niet. Soms staat een reiger midden in het weiland. Als een daad van verzet: "Ik kan ook in een weiland staan". Maar dat is even zielig. Ook daar is niets te halen.
Ik heb nog nooit een reiger iets zien vangen. Of iets zien eten. Reigers zijn ook altijd mager. Zien er uit alsof ze al jaren honger hebben. De onderkant van hun veren is gerafeld, als de dode punten van een blondje dat mooi zou kunnen zijn, als ze niet die dode punten had. Maar ze doet er niets aan, want ze weet niet van de schaar, of van mooi zijn. Blond is al mooi genoeg. Een reiger is de fallus van de triestheid, ongekroond potentieel koningsdagsymbool.
In de buurt van de reiger staat een bordje. Het bordje is goudkleurig en is voorzien van een inscriptie. "Aangeboden ter gelegenheid van het afscheid van burgemeester Blommenstein van Voorst". Niet dat de burgemeester van adel is, maar hij was burgemeester van de gemeente Voorst. Het bordje staat naast een boom, een zwarte populier. Ik herken geen bomen en zeker geen zwarte populier, maar ook dit feit staat op het bordje. Het is stil in het veld. De zwarte populier is een heel gewoon boompje. Het gouden bordje, midden in de weilanden, ver weg van de bewoonde wereld, doet vermoeden dat de burgemeester minder populair was dan het bordje en de populier willen doen geloven. Een gouden bordje met inscriptie voor een burgemeester, waarvan de bevolking liever geen gedenkteken had midden in het dorp.
Ongewild wordt dit fenomeen nog versterkt doordat boom en bordje zijn geplaatst op 15 meter afstand van een eeuwenoude eik, de enige boom die ik wel herken. Waarvan zelfs ik kan zien dat de ruime meter doorsnee en de welige takkenhoed duiden op een lang en deugdzaam leven. De eik staat daar statig en zegt niets, dringt zich niet op, heeft geen bordje: 'Kijk mij eens oud zijn en hier statig staan'. Dat heeft de eik niet nodig.
Ik weet het zeker, burgemeester Blommenstein moet de reiger onder de Voorster burgemeesters zijn geweest.
De weilanden zijn nog kaal. Een reiger staat zielig ergens in het niemandsland. Ik vind een reiger de meest trieste vogel die er bestaat. Als je een reiger ziet, staat hij meestal aan een slootkant. Ergens waar misschien ooit een kikker was, maar vandaag niet. Een reiger kijkt ook niet naar het water. Hij zoekt niet. Hij weet: hier is niets te halen. Maar toch staat hij daar, omdat hij weet: ik ben een reiger, en ik hoor bij een slootkant. Als een wrak op het autokerkhof, of een grensrechter bij een amateurwedstrijd. Het hoort erbij, maar je bent er liever niet. Soms staat een reiger midden in het weiland. Als een daad van verzet: "Ik kan ook in een weiland staan". Maar dat is even zielig. Ook daar is niets te halen.
Ik heb nog nooit een reiger iets zien vangen. Of iets zien eten. Reigers zijn ook altijd mager. Zien er uit alsof ze al jaren honger hebben. De onderkant van hun veren is gerafeld, als de dode punten van een blondje dat mooi zou kunnen zijn, als ze niet die dode punten had. Maar ze doet er niets aan, want ze weet niet van de schaar, of van mooi zijn. Blond is al mooi genoeg. Een reiger is de fallus van de triestheid, ongekroond potentieel koningsdagsymbool.
In de buurt van de reiger staat een bordje. Het bordje is goudkleurig en is voorzien van een inscriptie. "Aangeboden ter gelegenheid van het afscheid van burgemeester Blommenstein van Voorst". Niet dat de burgemeester van adel is, maar hij was burgemeester van de gemeente Voorst. Het bordje staat naast een boom, een zwarte populier. Ik herken geen bomen en zeker geen zwarte populier, maar ook dit feit staat op het bordje. Het is stil in het veld. De zwarte populier is een heel gewoon boompje. Het gouden bordje, midden in de weilanden, ver weg van de bewoonde wereld, doet vermoeden dat de burgemeester minder populair was dan het bordje en de populier willen doen geloven. Een gouden bordje met inscriptie voor een burgemeester, waarvan de bevolking liever geen gedenkteken had midden in het dorp.
Ongewild wordt dit fenomeen nog versterkt doordat boom en bordje zijn geplaatst op 15 meter afstand van een eeuwenoude eik, de enige boom die ik wel herken. Waarvan zelfs ik kan zien dat de ruime meter doorsnee en de welige takkenhoed duiden op een lang en deugdzaam leven. De eik staat daar statig en zegt niets, dringt zich niet op, heeft geen bordje: 'Kijk mij eens oud zijn en hier statig staan'. Dat heeft de eik niet nodig.
Ik weet het zeker, burgemeester Blommenstein moet de reiger onder de Voorster burgemeesters zijn geweest.
maandag 1 april 2013
Praktische Wijsheid
Pasen. Eindelijk tijd om wat te lezen. Maar er is zoveel, en ik heb lang nog niet alles uit. Ik ben tegelijk bezig in teveel boeken: de biografie van Conrad Busken Huet (op zich al meerdere blogs waard), 'de Nieuwsfabriek' van Rob Wijnberg (meteen lezen!), 'Conservatieve vooruitgang', van Baudet en Visser (iets voor jarenlang naast-het-bed-wijsheid) ,en toch vandaag begonnen in 'een inleiding op het leven en werk van Kierkegaard', door Geert Jan Blanken.
Gelukkig blijkt dat een goede keus. In de achterliggende week viel op mijn bureau het rapport 'Leraar zijn', van de onderwijsraad. Daarin wordt maar weer eens een lans gebroken voor de professionele ontwikkeling van de leraar als verbeterfactor in het onderwijs. Individuele en persoonlijke ontwikkeling dit keer. Geen '1000 dingen die u ook nog verkeerd doet'.
Vier factoren komen aan de orde. Eén van die factoren: het bieden van professionele ruimte aan leerkrachten. Dat betekent dat je iets mag vinden van wat je doet, en iets mag doen met wat je vindt. Niet blind en willoos de gesuggereerde innovaties van 'deskundigologen' uitvoeren, maar zelf nadenken en zoeken naar oplossingen.
De onderwijsraad komt tot het inzicht dat een leerkracht iedere dag tientallen ingrijpende beslissingen moet nemen in het omgaan met kinderen. En moet beslissen over het realiseren en vorm geven van leerdoelen en leer-activiteiten met de materialen die daarvoor zijn. Steeds weer bedenken wat de beste manier om iets over het voetlicht te brengen. Ze hebben er nu ook een naam voor: "Praktische wijsheid" .
Al lezend in Kierkegaard ontdek ik dat deze notie al veel langer bestaat. Kierkegaard onderscheidt in het omgaan met het leven drie elementen of stadia van beleven en overdenken. Niet als levensfasen, maar als momenten in het omgaan met het alledaagse. Het eerste is 'het onmiddellijke', de manier waarop iets binnen komt, het hier en nu, zowel in pezierige als onplezierige zin. Dan komt 'het reflectieve'. Het nadenken over wat er gebeurt of overkomt. In dat stadium is kennis onontbeerlijk. Als laatste fase kent hij 'het geloof', een buitengewoon vreemde term voor de ervaring dat je het begrijpt. Hij bedoelt eigenlijk de religieuze ervaring van de Aha- erlebnis, het echt begrijpen. Hij noemt het zelf: "de diepe innerlijke bewogenheid"of de onbeschrijfelijke ontroering van het hart". Johan Cruijff zou zeggen: "je gaat het pas zien als je het door hebt" of een deskundigoloog noemt het 'diepteleren'.
Wijsheid is ook een term. Jammer dat Kierkegaard een wat verwarrende verstrengeling met het belastende begrippenkader van religie maakt. Jammer dat de onderwijsraad niet wat meer Kierkegaard leest.
Gelukkig blijkt dat een goede keus. In de achterliggende week viel op mijn bureau het rapport 'Leraar zijn', van de onderwijsraad. Daarin wordt maar weer eens een lans gebroken voor de professionele ontwikkeling van de leraar als verbeterfactor in het onderwijs. Individuele en persoonlijke ontwikkeling dit keer. Geen '1000 dingen die u ook nog verkeerd doet'.
Vier factoren komen aan de orde. Eén van die factoren: het bieden van professionele ruimte aan leerkrachten. Dat betekent dat je iets mag vinden van wat je doet, en iets mag doen met wat je vindt. Niet blind en willoos de gesuggereerde innovaties van 'deskundigologen' uitvoeren, maar zelf nadenken en zoeken naar oplossingen.
De onderwijsraad komt tot het inzicht dat een leerkracht iedere dag tientallen ingrijpende beslissingen moet nemen in het omgaan met kinderen. En moet beslissen over het realiseren en vorm geven van leerdoelen en leer-activiteiten met de materialen die daarvoor zijn. Steeds weer bedenken wat de beste manier om iets over het voetlicht te brengen. Ze hebben er nu ook een naam voor: "Praktische wijsheid" .
Al lezend in Kierkegaard ontdek ik dat deze notie al veel langer bestaat. Kierkegaard onderscheidt in het omgaan met het leven drie elementen of stadia van beleven en overdenken. Niet als levensfasen, maar als momenten in het omgaan met het alledaagse. Het eerste is 'het onmiddellijke', de manier waarop iets binnen komt, het hier en nu, zowel in pezierige als onplezierige zin. Dan komt 'het reflectieve'. Het nadenken over wat er gebeurt of overkomt. In dat stadium is kennis onontbeerlijk. Als laatste fase kent hij 'het geloof', een buitengewoon vreemde term voor de ervaring dat je het begrijpt. Hij bedoelt eigenlijk de religieuze ervaring van de Aha- erlebnis, het echt begrijpen. Hij noemt het zelf: "de diepe innerlijke bewogenheid"of de onbeschrijfelijke ontroering van het hart". Johan Cruijff zou zeggen: "je gaat het pas zien als je het door hebt" of een deskundigoloog noemt het 'diepteleren'.
Wijsheid is ook een term. Jammer dat Kierkegaard een wat verwarrende verstrengeling met het belastende begrippenkader van religie maakt. Jammer dat de onderwijsraad niet wat meer Kierkegaard leest.
Abonneren op:
Posts (Atom)