zondag 20 januari 2013

Boete (Doen)

Wij gingen thuis nooit met vakantie. Mijn vader was boer en moest iedere dag melken. Personeel hadden we niet. Dus bleven we thuis. In zo'n situatie is zes weken zomervakantie best lang. Dus bedachten we van alles. En toen één van mijn vriendjes een racefiets kreeg was het plan snel geboren: We gingen een wielerronde organiseren.

Neefjes en nichtjes werden opgetrommeld en ploegen werden geformeerd. Etappes werden uitgezet en finishlijnen getrokken. En we moesten allemaal een naam, een echte wielernaam en een rugnummer. Maar toen kon het ook beginnen. Ik was Walter Goodefroot. Goodefroot was een gerenommeerd sprinter, en ik was zeker even goed. De eerste etappe was kort en eindigde in een massasprint. Dat was ook de bedoeling. Want wij wisten: de eerste etappe is voor de sprinters. Ik werd tweede.

Een groot probleem was hoe we er voor konden zorgen dat de uitslag werd bepaald door wie de sterkste fietser was, en niet door wie het beste materiaal had. Mijn vriendje met de racefiets was zo sterk in het voordeel dat wij eigenlijk niet mee wilden doen. Of  iedereen zou eigenlijk een dag op zijn racefiets mogen rijden. Maar daar was hij niet voor. Er waren veel meer verschillen. Sommige deelnemers hadden versnellingen, en andere niet. Sommigen hadden fietstassen, andere niet. Uiteindelijk vonden we een compromis: Je moest aan het begin van de etappe zeggen welke versnelling je zou gebruiken en je mocht dan de hele etappe niet schakelen. Iedereen stemde in. Oncontroleerbaar, en gebaseerd op vertrouwen. 

Uiteindelijk won mijn vriendje met de racefiets. Zou hij echt nooit even hebben geschakeld, als hij alleen op kop lag en wind mee had? Of misschien zelfs waar wij bij waren, want konden wij het verschil zien tussen een tandje meer of minder? Wij geloofden er niets van. Maar hij was nooit betrapt, daar ging het om.

Vorige week moest ik met 7 collega's naar Groningen. We gingen in twee auto's. Alleen maar snelweg. We rekenden uit dat als we ons steeds aan de maximumsnelheid hielden, we er om 09.00 uur zouden zijn. Uiteindelijk was ik er bijna 10 minuten eerder dan mijn collega in de andere auto. 
- "Je hebt veel te hard gereden" zeiden de anderen. Ik ontkende stellig. Ik kan me dat niet herinneren, en ik rijd nooit te hard. Maar de collega's in de andere auto, wisten zeker dat zij steeds precies de maximumsnelheid hadden aangehouden. En ik was er veel eerder, dus ik moest wel te hard hebben gereden.

Al snel blijkt dat de collega's bij mij in de auto bereid zijn de Judas uit te hangen. Zij weten en hebben gezien dat ik te hard heb gereden. Ik blijf ontkennen. Maar zij houden vol. Een kennis arriveert. Ik blijk hem te hebben ingehaald.
- "Jij reed hard zeg". Ik zwijg. Wat moet ik zeggen? De hele wereld is tegen mij.

Als ik diep nadenk, weet ik eigenlijk wel dat ik zo nu en dan de meter wel even op 160 heb zien staan. Maar alleen bij het inhalen, en niet omdat ik haast had. Uiteindelijk geef ik maar toe. Oke, misschien heb ik even te hard gereden.  Eén vraag blijft er over: mag de politie mij nu ook een bekeuring sturen?

Lance Armstrong heeft doping gebruikt. In het wielrennen was afgesproken dat niet te doen, maar iedereen deed het, behalve een paar naïevelingen. En als je niet werd betrapt, kwam je ermee weg.  Lance is nooit betrapt. Is Lance z’n bedrog daarmee anders dan dat van mijn vriendje met de racefiets?

Lance moet z'n bronzen medaille van de tijdrit in Sydney inleveren. Weet je wie daar goud en zilver wonnen?  Ekimov en Uhlrich. Twee andere notoire gebruikers. Waarom dan nu één zondebok? De ongelooflijk hypocriete morele verontwaardiging die nu door de wielerwereld golft staat me tegen. Lance was de sterkste. Jammer dat hij doping heeft gebruikt. Maar een bekeuring hoeft hij van mij niet te verwachten.




zaterdag 5 januari 2013

GELUKKIG NIEUWJAAR!

Gelukkig Nieuwjaar! In Friesland bestaat een traditie dat je het nieuwjaarswensen moet ‘afwinnen’. Dat betekent dat je de eerste moet zijn, die ‘Gelukkig Nieuwjaar’ zegt. Als je dat lukt dan is dat krachtiger, dan als je dat niet doet. Ik doe dat nog steeds met mijn ouders, maar we deden het vroeger ook met mijn oma. Die was jarig op 3 januari. Als we daar heen gingen parkeerden we normaal gesproken bij haar voor de deur. Maar op 3 januari zetten we de auto in een andere straat, en slopen we naar haar huis. Dan konden we stiekem via de achterdeur binnenkomen en heel hard ‘Gelukkig Nieuwjaar’ roepen, in het Fries natuurlijk, dan hadden wij het ‘afgewonnen’.

Dit is de eerste column in een nieuw jaar. En dus moet ik u van harte een gelukkig , gezegend en vooral gezond Nieuwjaar wensen. Ik zeg moet, want als ik dat niet doe, is dat natuurlijk verschrikkelijk, niet netjes en onbehoorlijk. En ik meen het ook van harte hoor, die beste wensen. Al heb ik maar een zeer beperkt idee van tegen wie ik het heb.

Mocht u toevallig van criminele huize zijn en dit stukje lezen, wat ik me van criminelen trouwens helemaal niet voor kan stellen, dan wens ik u toe dat u dit jaar snel dood gaat, weinig succes hebt en uw trekken thuis krijgt. Maar als u heel zielig brood steelt, omdat u anders uw kindertjes niet te eten kunt geven, wens ik u wel weer meer inkomen toe, en moet u me die tirade over doodgaan maar weer vergeven.

Wat heeft u gedaan met oudjaar? Spelletjes met de kinderen, of ben je naar een groot feest geweest? Heeft u gevulde eieren gegeten en augurken met ham, of heb je teveel gezopen en een bushokje in elkaar getrimd? Heeft u een sterretje aan gestoken met de kleinkinderen, die om 12 uur nog even uit bed mochten komen, of heb je met je illegale vuurwerk een  vuilnisbak opgeblazen en iemand een pijl in z’n oog geschoten? Had-ie maar beter moeten opletten? Het maakt allemaal niet uit, ik wens u allemaal toch een gelukkig Nieuwjaar.

Ik heb het moeilijk met al die wensen. Eigenlijk vooral omdat de echt gemeende wensen zo niet zo goed tot hun recht komen. Ik heb kleine trucjes bij mijn wensgedrag. Ik wacht tot de ander wat zegt en zeg dan wat anders, bijv. als de ander gelukkig Nieuwjaar zegt, dan zeg ik: "de beste wensen", of "veel gezondheid". Begint de ander met beste wensen, kan ik Gelukkig Nieuwjaar zeggen. Het is niets, maar als je mij kent, toch een kleine indicatie. Soms wil ik dat het nog echter is. Bijv. bij goede kennissen van de schaakclub. Dan zeg ik: Dat je maar veel mag winnen, behalve van mij natuurlijk”. Zoiets, iets wat je echt meent.

Je kunt een hiërarchie maken in nieuwjaarswensen. De beste zijn natuurlijk de persoonlijke wensen, vooral die om 12 uur ’s nachts. De wensen met je geliefden, de wensen die je meent. De wens in de fysieke nabijheid. 
Dan komen de wensen per telefoon, je belt op, midden in de nacht en wenst een vriend of familielid alle goeds dat hij of zij verdient.
Dan komen de nieuwjaarswens per kaart. Die zijn duidelijk hoger dan die per SMS of WhatsApp, want je moet er aanzienlijk meer moeite voor doen. Dan komen de SMS’ en, en andere elektronische wensen en dan de kaartjes die je nog verstuurt nadat je een kaartje van iemand hebt gekregen en denkt: “Shit, die zijn we vergeten”.

En dan komen de rituele nieuwjaarswensen. Dat begint al met de fysieke wensen op straat ’s nachts, voor de buren en vooral aan de mensen die op visite zijn bij de buren en die je niet eens kent. De nieuwjaarswens, die je roept vanaf de fiets tegen een vage kennis, als je hem op straat tegen komt. De wensen waar je niet om heen kunt, de rituele wensen.

Maar de ergste moeten nog komen. Maandag is het weer zover. De wensen aan de collega’s. En nog erger, die waar je collega’s bij gaat zoenen. De wens voor de collega, waarmee je al liever niet samen wérkt, laat staan dat je die wilt zoenen. Ik heb mijn moeder nog nooit gezoend, en dat doen we ook nu nog niet met oud en nieuw of met verjaardagen, of als we de dood ontmoeten, waarom moet ik die collega’s dan wel zoenen? Waarom die collega dat trouwens wel wil, is mij meestal een groot raadsel, maar als je hem of haar in de verte ziet aankomen, weet je het al: dat wordt nattigheid!

Ik heb al diverse strategieën ontwikkeld. Bij voorkeur kom ik heel vroeg. Als ik als eerste ben, moeten de anderen bij mij langs komen, en kan ik doen alsof ik al druk aan het werk ben. Maar ook veel later komen is een optie of thuis werken, één van de mooie verworvenheden van de digitale samenleving.
Als ik niet wil zoenen houd ik mijn arm een beetje stijf, maar als zij echt wil, is er geen houden aan. Soms vind ik het wel prettig om te zoenen, maar ik neem nooit het initiatief. Ik wacht wat zij doet. Met de ‘hijen’ die willen zoenen weet ik als man al helemaal niet wat ik aan moet.

Al met al kan ik maar één echte wens bedenken voor u als lezer: Ik wens u veel welgemeende wensen toe!

dinsdag 1 januari 2013

Zonder al teveel tegenslag door 2013?

Wie durft de crisis het hoofd te bieden?

Epictetus (50-130) beweerde dat de mensen geen last hadden van de omstandigheden, maar van hun eigen gedachten over die omstandigheden. Een gedachtenoefening.

Het leek me een aardig thema voor een nieuwjaarswens,
en een uitdaging voor een ieder die dit leest.



zaterdag 22 december 2012

Tijd om te geven

Het is een spannende tijd. Sinterklaas is nog maar net terug naar Spanje, opgelucht dat hij iedereen weer ter wille heeft kunnen zijn. Op 'n krent zitten tot een nieuwe missie hem naar Nederland roept. De Kerstman lost hem af. Had mijn moeder dat maar geweten, dat er een kerstman bestond. Want bij ons kwam die nooit. Mijn moeder had zich waarschijnlijk niet aangemeld.  En Sinterklaas kwam hooguit één keer bij ons thuis. Nicolaas is een druk man. Hij had echt geen tijd om twee keer per week langs Terwispel te komen om mijn schoentje te voorzien van pepernoten, marsepein en ander ongezond en onnodig voedsel. Als we geluk hadden kwam hij na zijn aankomst in één of andere haven in Nederland één keer voor 5 december langs met een mandarijntje en een drietal pepernoten. Meer niet. Hij nam wel altijd het hooi mee en de wortel, die wij klaar hadden gelegd voor het paard. Meestal kon de ruil niet uit. En dat zei mijn moeder ook:
- "Dit kan niet uit".
- "Wij hebben het al niet breed en als die oude Nicolaas nou ook nog mijn goede winterwortels mee neemt wordt het helemaal moeilijk de eindjes aan elkaar te knopen".
En dus zetten wij geen schoen. Om mijn moeder te beschermen.

Alleen op 5 december. Dan mochten we de schoen zetten en ook de trui en de broek. Gek genoeg niet thuis, maar bij de buren. De overburen. Die woonden in een 'onbewoonbaar verklaarde woning'. Die hadden zelf geen kinderen. Waarschijnlijk kon Nicolaas daar gemakkelijker naar binnen. Want ze hadden geen slot op de deur. De deur kon niet eens goed dicht. Maar daar zaten wij niet mee. Want wij wisten niet beter.
En als je op vijf december 's avonds je schoen zet, en je trui, en je broek, dan vind je pas zes december 's morgens je cadeautje. Of cadeautjes. Meestal een letter. En iets van speelgoed. Al weet ik niet meer wat. Maar er kwam vooral ook een preek van de buurvrouw. Dat Sinterklaas ons wel erg aardig moest vinden, en dat hij blijkbaar niet gezien had hoe stout wij soms waren. Onze jaarlijkse evaluatie. Zij lachte er heel lief bij. En wij knikten dankbaar.

En dan begon kerst. Met de barmhartige Samaritaan. Stel je voor je bent in elkaar geslagen en je ligt langs de weg. Het bijbelse verhaal. Of je bent zwart en dakloos en je woont in Amerika. De werkelijkheid van vandaag. Zal het nog ooit goed met je komen? Er komt een dominee langs. Je ziet hem en je weet: hij heeft geleerd dat hij de zwakkeren moet helpen, en de armen, en de vertrapten, de daklozen, .. hoop je. Maar hij zegt dat op zondag liever tegen zijn gemeenteleden. Want zelf heeft hij geen tijd.
Of je ziet een priester, een goede katholiek die zich het lot van de medemens aantrekt. Maar die ziet je niet eens, want hij brengt net een klein jongetje naar school, tenminste die loopt met hem mee.
Of er passeert en aardige meneer, die je groet en die 50 eurocent in je bakje laat vallen. HIj kijkt de andere kant op en jouw voeten blijven koud.
En dan kom er een agent aan. En je mag hier niet zitten, hier in het winkelcentrum, waar het nog een beetje warm is en waar je blote voeten niet meteen het risico van vuiligheid en glasgerinkel lopen. Je maakt je zo onzichtbaar mogelijk, maar de agent komt toch naar je toe en geeft je een paar laarzen voor je maat 50, en je kunt je ogen niet geloven. En de agent verdwijnt.

Ik was op een school. De ouders bij het hek zijn boos. Voor de Sinterklaasviering op school moeten hun kinderen, hun oogappeltjes, hun toekomst, een cadeautje kopen voor  een klasgenoot. En het mag niet meer kosten dan  twee euro.
-" Dat kan niet ", roept een boze moeder.
Ik vraag hoe ze daar bij komt.
-" Ik heb gisteren net een trein gekocht voor mijn zoon, de goedkoopste die er is, maar die startset is altijd nog minstens 40 euro".
Ze heeft dus gelijk. Twee euro is niets vergeleken bij 40 euro. Het cadeautje dat je kunt kopen voor je klasgenoot stelt niets voor, vergeleken bij die treinset, hoe klein en ontoereikend die ook is.

Ik denk aan de preken van vroeger. Aan de preken over dankbaarheid van mijn buurvrouw op 6 december, aan de preken in de kerk over de barmhartige Samaritaan. En plotseling weet ik het. Dit gaat helemaal niet over het cadeau! Deze moeder is zwaar in de war. Ze weet helemaal niet waar Sinterklaas over gaat!

Ik denk aan de Sinterklaasvieringen als meester met mijn klas. Hoe ik altijd lette op de enorme spanning van de gever, als de ontvanger het cadeautje uitpakte. Ik denk aan de Sinterklaasvieringen van de afgelopen jaren met mijn eigen grote kinderen. Hoe ik alleen maar let op hun reactie, op hun gezichten, op hun gedrag, op het moment dat de anderen de door hen gegeven cadeautjes uitpakken. En het valt me op dat ze blijer zijn met de reacties van hun doelwit dan met hun eigen cadeaus. Als ze iets geven lijken ze meer te genieten dan op het moment dat ze iets krijgen! Ik denk aan de Samaritaan, aan mijn buurvrouw, aan de agent in het winkelcentrum.

Het gaat in deze dagen niet over iets krijgen. Sinterklaas en kerst gaan over geven. Over het plezier van het geven. Thuis en op school. Over kinderen leren dat geven leuker kan zijn dan te krijgen. De krijger evalueert de gever en niet andersom.

Geniet daar alvast van als je vanavond Sinterklaas viert, of als je de laatste cadeautjes gaat kopen deze week. Dan zul je van de crisis niets merken.

zaterdag 8 december 2012

Met het spoor

Op een ritje voor mijn werk deze week, kom ik tussen Zwolle en Kampen een trein tegen. Of eigenlijk twee treinen. Bijzonder, omdat het spoor dat daar ligt de achterliggende maanden mij vooral is opgevallen omdat er nooit een trein rijdt. Het is het meest aanwezige lege spoor dat ik ken. Nu zie ik eerst een 'losse locomotief, zoals wij dat als kinderen noemden, en dan een wat vreemde blauwe trein, met voor en achter nog een locomotief.

Ik heb een sterk ambivalente houding t.o.v. treinen. Als je er in zit, je hebt een zitplaats, en de trein rijdt, dan heeft het wel iets. Je kunt een boek lezen, het is er warm, en als je bestemming in een grote stad, niet al te ver van het station ligt, heb je geen parkeerprobleem. Maar het kan ook anders. Vorige week kocht ik in een opwelling via vakantieveiling.nl voor een habbekrats twee kaartjes voor Wibi Soerjadi. Hij trad op in het concertgebouw, en vooral dat concertgebouw heeft op mij een enorme aantrekkingskracht.

Als het concert om kwart over tien is afgelopen, stap ik in de tram om via Amsterdam Zuid de trein naar Zwolle te nemen. Dit keer helaas via Utrecht, omdat de rechtstreekse verbinding door werkzaamheden een ommetje maakt. Ik heb mij desondanks niet laten ontmoedigen en neem verwachtingsvol plaats. In Utrecht is er een eerste obstakel. Er blijkt tussen Utrecht en Amersfoort 'een springer' te zijn. Springers zijn mensen, die op rigoureuze wijze hun stem uitbrengen op de NVVE, de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwilllig levenseindE. Ze halen er weinig kamerzetels mee, maar iedere springer brengt een niet anonieme stem uit. Ik wordt gemaand via Hilversum te reizen, ook al stel ik zelf voor via Arnhem en Deventer te gaan. In Hilversum voel ik bij het binnenrijden van het station nattigheid. Er staan hier wel erg veel mensen te wachten. Het is kwart voor twaalf. Om tien over twaalf zal een trein ons via Baarn naar Amersfoort brengen, alwaar wij de laatste trein naar Zwolle kunnen halen. Tweehonderd meter voor Baarn staan we nog even stil.  Ons wordt verteld dat we even moeten wachten op een tegenligger. Er is vandaag maar één spoor beschikbaar tussen Baarn en Amersfoort vanwege een breuk in de bovenleiding. Vijf minuten worden er twintig. Een prettige stem legt uit dat het enkele spoor tussen Baarn en Amersfoort inmiddels wordt geblokkeerd door een defecte trein. De werkelijkheid is altijd bizarder dan welke fantasie dan ook. De NS heeft kans gezien op het enige stukje enkel spoor nu een defecte trein te rangeren.

De omroeper spreekt weer: We hoeven ons geen zorgen te maken. Straks, als we in Amersfoort aankomen zal er NS personeel zijn om ons op te vangen en zullen er bussen klaar staan om ons verder te brengen. En we kunnen nu in ieder geval Baarn binnen rijden. Want wachten hoeft niet meer. De blokkerende trein zal immers nooit arriveren. We zullen een omweg via Den Dolder nemen is het plan.

 Den Dolder. Ik zie de machinist. Hij loopt voor mijn raam langs, terug naar de andere kant van de trein. Zijn gezicht staat op onweer. Ik zwaai hem bemoedigend toe. Dan rijden we Den Dolder weer uit. Alles loopt op rolletjes als we om kwart over één in Amersfoort arriveren. Ik had al een uur in Zwolle kunnen zijn. Iemand die tegen het advies van de NS in toch via Deventer is gereisd, belt een lotgenotende reisgenoot en is al thuis.
In Amersfoort wacht een nieuwe verrassing. Van het beloofde NS personeel, noch van de bussen is enig spoor te bekennen in de zeer verlaten stationshal. Enkele taxichauffeurs met ervaring in dit soort situaties duiken als aasgieren op de passagiers: de NS betaalt. U betaalt € 200 voor een ritje naar Enschede, dat krijgt u later van de NS terug. Wilt u mee? Later blijkt dat niet waar, maar dat weet ik niet. Gelukkig is mijn reisdoel Zwolle en wacht ik nog even af.

Als er een tiental minuten later een NS functionaris verschijnt, wordt beloofd dat er bussen zullen komen. Maar die zijn er nog niet. De NS wil naast de winterdienstregeling niet beschuldigd kunnen worden van nog meer proactief handelen. Een inventarisatie van bestemmingen bij ons gestranden begint. Alsof dat niet een half uur geleden in de trein al had kunnen plaats vinden. Ermelo, Putten, Meppel, Enschede. En nog veel meer. De NS- er schrijft het allemaal op een klein blauw papiertje. Het is kwart voor twee.

Iemand moet naar het toilet. Onder begeleiding van de hopmannende NS functionaris trekken we naar een WC in een kantoorpand van de NS. Dat gaat nog net. Maar koffie of iets te eten blijkt teveel gevraagd.
Kwart voor drie. Er meldt zich een bus. Het is Ome Cor. Hij is 75 jaar en rijdt wel vaker in crisissituaties voor de NS. Naar Zwolle hoor ik? Van onze hopman krijgt hij het blauwe briefje. Dan blijkt dat er ook nog mensen zijn die naar Meppel en Assen moeten. Ome Cor vloekt. "Ik lag net in mijn bed".
We kunnen mee richting Zwolle, maar alleen als we eerst via Nijkerk, Putten, Ermelo, Harderwijk en 't Harde gaan. Ik ben ieder gevoel voor tijd en in mijn vingers verloren. Vooruit maar.

Kwart voor vier stap ik uit in Zwolle. De wandeling naar de auto door de nachtelijke kou brengt de laatste ontnuchtering teweeg. Half vijf rol ik in mijn bed. Wibi slaapt al lang. Morgen om zeven uur zal mijn wekker gaan.

Op weg naar Lelystad word ik een dag later bij Kampen en Dronten gemaand om rustig aan te doen. De tegemoet komende blauwe trein blijkt de koningin te bevatten. En ik ben een potentiële terrorist. De agent vraagt nog net niet of ik misschien waxinelichtjes bij me heb. Het tot nu toe zo lege spoor heet de Hanzelijn legt de agent mij uit. Ik knik begripvol.

Ik moet denken aan iemand die vijf jaar geleden in de plaatselijke krant een heftig pleidooi hield om de Hanzelijn via Emmeloord te laten lopen. Ik ben plaatsvervangend blij voor hem dat dat niet is gelukt.

NB Deze column was in sterk verkorte vorm te horen op radio Noordoostpolder, in het programma 'On the radio' op zaterdag 8 december.
.

zaterdag 10 november 2012

Niet zeuren

De eerste auto van mijn ouders was een Skoda. Ik vertel het met tegenzin. Het was niet bepaald iets waaraan wij als kinderen veel status konden ontlenen, zeker niet aan de Skoda van 1970. Die Skoda moest regelmatig naar de garage. Want dat had je met een Skoda. En de garage vond het geen probleem.
Nog steeds niet trouwens.
Inmiddels heeft mijn vader een VW Bora. En nog steeds gaat hij naar dezelfde garage. En nog steeds werkt daar dezelfde monteur. Bijna met pensioen. De Bora van nu lijkt in niets op de Skoda van toen. Toch blijkt het repararen van het nieuwe vehikel voor de monteur op leeftijd geen enkel probleem. Hij schoolt zich bij, en hij heeft lol in z'n vak. Van 's morgens acht tot 's avonds 6. En zonder ooit langer dan een week met vakantie te gaan. Nooit zeurt hij over de uren die hij moet maken. Als je 's morgens om 08.00 uur komt is hij er al. En als je 's middags om vijf voor zes komt wil hij je nog steeds helpen. Zonder één spoor van ergernis. Met altijd een glimlach. Wat een feest!

Het wordt hoog tijd dat ik het eens heb over het onderwijs. Onderwijs is in Nederland het allerbelangrijkste wat er is. Dat blijkt uit het feit dat het het enige is waar in een tijd van crisis niet op wordt bezuinigd. Nou ja, het enige waarvan wordt gezegd dat er niet op wordt bezuinigd. Van andere dingen kun je dat wel luidop zeggen. Je kijkt er een beetje ernstig bij en zegt dan iets als:
'-"In tijden van crisis blijft natuurlijk niemand en niets gespaard, iedereen gaat het merken".
En vervolgens pak je een miljard af van de armsten op de wereld, je laat zieken en gehandicapten hun eigen euthanasie betalen, vrijwillig of je geeft ze gewoon geen medicijnen meer, je pakt de mensen met de middeninkomens al hun pleziertjes af en je verwacht luid gejuich. Want het is immers crisis. En in tijden van crisis is alles geoorloofd. Maar van het onderwijs blijf je af.

Het heeft allemaal mijn sympathie, als er ook iets voor zou worden terug verwacht vanuit het onderwijs. Bijv. iets meer openheid over de werkdruk. En de redenen van het gepraat (sommigen zegen: gezeur) daar over. Heeft u enig idee hoe druk onderwijzers het hebben? Ik zal het u uitleggen.
Een onderwijzer heeft een 36 urige werkweek en in totaal 6 weken vakantie alles mee gerekend. Daar kijkt u van op he? Zes weken vakantie. Geen twaalf. In de CAO van iedere onderwijzer staat dat zij (want mannen zijn er niet meer in het basisonderwijs) 1659 uur moet werken per jaar. Dat is een belangrijk getal. Onthoud dat: 1659 uur per jaar. 46 weken van ruim 36 uur dat is 1659 uur. De meesten van ons werken iets meer uren, 1750 of nog meer, maar onderwijzer is een zwaar vak. Dus 1659 in het onderwijs is echt afzien. Niemand van ons misgunt de mensen die de toekomst van het land iedere dag kneden, hun vrije tijd.

De kinderen komen ongeveer 1000 uur naar school.  Iets minder nog. Een onderwijzer heeft dus ongeveer 650 uur tijd voor het voorbereiden van de lessen, voor gesprekken met u en mij over onze kinderen, voor bijscholing en voor het mee doen aan de avondvierdaagse of de kerstviering of het schoonwassen van het kleutermateriaal. Waar zit dan het probleem? Dat zit in het de manier waarop scholen dit werk organiseren.  De kinderen komen 1000 uur naar school verdeeld over ongeveer 40 weken. En onderwijzers willen graag vrij zijn in de weken dat de kinderen niet naar school komen. Dat zijn die 12 weken per jaar. En dus plannen ze al hun werk in die 40 weken dat de kinderen komen. Ook de extra dingen die gemakkelijk in die andere weken zouden kunnen als verplichte nascholing.
Even een hoofdrekenopgave. Hoeveel is 1659 gedeeld door 40? Ook als je niet zo goed bent in hoofdrekenen, weet je meteen dat daar minstens 40 uit komt en de meesten van ons zien zelfs dat dat meer dan 41 is. Om dus de 36 urige werkweek te maken in 40 weken moet je 41 uur per week werken. Nog een keer: Om alle uren van 46 weken met een 36 urige werkweek te kunnen maken in 40 weken (de weken dat de kinderen naar school komen) moet je 41 uur per week werken in die 40 weken. Voor een parttimer is de situatie nog moeilijker. Als je zestiende werkt moet je 4 dagen beschikbaar zijn. Dus niet drie wat veel parttimers denken: zestiende van 5 dagen is immers 3 dagen.

Onderwijzeres is het belangrijkste vak in onze maatschappij. Iedereen kan nog wel iets vertellen over een juf, meester, leraar of lerares die hij heeft gehad. Mooie verhalen over vormend gedrag van vakbekwame pedagogen. Daar moeten we vooral niet op bezuinigen. Die gunnen we hun 12 weken vakantie. Maar alleen als ze tussendoor hard werken en niet zeuren. Dat hoort ook bij de crisis. Dat weet de monteur van mijn vader. Daar kan het onderwijs nog wat van leren.


zaterdag 27 oktober 2012

Jondeeres

Ergens in de polder zag ik een John Deere. De groene tractor past in het regenachtige en weidse landschap als een fietser worstelend tegen de wind. Omdat het te ver weg is kan ik niet precies zien wat de functie van de tractor op dit moment is, maar hij doet vast iets nuttigs. De grond slepen. Of iets ploegen. De druilerige regen geeft het tafereel de mistige gloed, die past bij de herfst. Ik ben jaloers op de ongeremde vrijheid, die de berijder moet voelen, en die ik ken van toen ik zelf nog een klein jongetje was.

Het is de derde John Deere die ik zie deze week. Thuis bij mijn ouders zag ik mijn neefje spelen met de groene tractor, die vroeger bij mijn oma thuis ons grootste vakantieplezier was. Mijn broer en ik logeerden iedere zomervakantie bij mijn oma. Meestal drie weken lang. Zonder heimwee. En zonder contact met thuis, want wij hadden thuis geen telefoon.
Ik herinner me een keer dat oma net terug was uit Canada. Eén van mijn ooms had in de jaren 50 zijn heil gezocht in Lynden, en was boer geworden in die Hollandes enclave, dicht bij de Amerikaanse grens. Terug van haar eerste bezoek aan haar zoon had ze twee tractors meegebracht voor ons, haar logees. Twee jondeeres. Want zo spraken wij dat uit. En zij sprak ons niet tegen.

De jondeeres hadden twee voorwielen, die dicht bij elkaar zaten. Belachelijk. Zo zagen de tractors in Nederland er niet uit, en wij konden het weten, want oma woonde naast een loonbedrijf.
- "Zien de echte tractors in Amerika er ook zo uit?" vroegen wij.
Dat bleek niet het geval. Nog belachelijker. Dit waren geen echte tractors. Dit was speelgoed. Gemaakt door een grapjas. Maar ze konden wel 'echt' sturen en er konden 'echte' wagens achter. En wij speelden er graag mee. Maar het waren geen echte tractors!

Wat is dat trouwens, 'echt'? Iedereen weet wat een lepel is, of een schoen, of een kunstgebit. Maar als je een voorwerp ziet, hoe weet je dan dat het een schoen of een kunstgebit is? Waaruit bestaat het 'echte' van een voorwerp? De filosoof Heidegger zei dat het allemaal in ons hoofd zit. Een voorwerp is nooit 'echt'. Een voorwerp bestaat alleen bij de gratie van z'n functie. Als ik soep eet is mijn lepel een lepel, maar als ik die lepel langs de weg vind, is het dan nog wel een lepel? Is een kunstgebit bij de gevonden voorwerpen op het politiebureau wel een kunstgebit? Is een schoen langs de weg wel een schoen?

Eén van de meest omstreden kunstwerken van de vorige eeuw is 'The Fountain', van Marcel Duchamp. Duchamp was één van de bestuursleden van een galerie voor moderne kunst in New York. Hij werkte volgens een bijzonder concept: Iedere kunstenaar kon bij hem zijn kunstwerken ten toon stellen. Voorwaarde was dat hij lid werd van de galerie (kosten 1 dollar) en daarnaast per kunstwerk 5 dollar betaalde.  Duchamp kocht in New York in een badmeubelwinkel een urinoir en geeft het ding een naam: Fountain.  Hij zette het op z'n kop en signeerde het. Daarna bood hij het onder het pseudoniem R. Mutt aan, aan z'n eigen galerie, compleet met de 6 dollar voor lidmaatschap en tentoonstellingskosten. Hij noemde het 'readymade art'. Kunst die al klaar was.
Zijn medebestuursleden, die geen idee hadden van de werkelijke aanbieder, waren furieus en weigerden het ding tentoon te stellen. Dit was geen kunst! En zo is één van de meest beroemde kunstwerken uit de geschiedenis nooit tentoongesteld geweest! Er is alleen een foto bewaard gebleven. Maar was was het aangeboden voorwerp? Op de kop en niet verbonden aan een waterafvoer? Een urinoir of een kunstwerk, of nog iets anders?  Volgend de definitie van Heidegger was het in ieder geval geen urinoir meer.

Was de jondeere bij mijn oma wel een tractor? Dat laatste is nu overduidelijk: Nee! Het is speelgoed in de vorm van een tractor. Het zal nooit de functie van de poldertractor over kunnen nemen.

Vorige week liep ik de kunstroute in De Wijk en IJhorst. Op één van de locaties stuit ik op een levensgrote jondeere. Dit keer niet groen maar herkenbaar gemaakt van karton. Ook deze jondeere heeft smalle wieltjes. In de achterkant van het vehikel is een beeldscherm gemonteerd waarop een film wordt getoond van een man, die in een hotelkamer in New York deze kartonnen tractor bouwt, omdat hij zich eenzaam voelt en wil vluchten in een wereld die hem meer aanstaat, de wereld van de natuur, de wereld van de weidse polder.

En zo komt het allemaal weer bij elkaar: mijn jeugd, de kunst, de filosofie en de noordoostpolder. Maar of het ook een functie heeft, daar ben ik nog niet uit. Als we een voorwerp definiëren aan de hand van zijn functie, en als het voorwerp zijn functie verliest, als het dan dat voorwerp niet meer is, wat is dan een mens? Wat is tenslotte de functie van een mens? Of van een column?


Deze column was te horen op radio Noordoostpolder op 27 oktober om 19.40 uur in het programma 'On the radio', en is tot een week daarna nog terug te luisteren op  de site van radio Noordoostpolder.