zaterdag 22 december 2012

Tijd om te geven

Het is een spannende tijd. Sinterklaas is nog maar net terug naar Spanje, opgelucht dat hij iedereen weer ter wille heeft kunnen zijn. Op 'n krent zitten tot een nieuwe missie hem naar Nederland roept. De Kerstman lost hem af. Had mijn moeder dat maar geweten, dat er een kerstman bestond. Want bij ons kwam die nooit. Mijn moeder had zich waarschijnlijk niet aangemeld.  En Sinterklaas kwam hooguit één keer bij ons thuis. Nicolaas is een druk man. Hij had echt geen tijd om twee keer per week langs Terwispel te komen om mijn schoentje te voorzien van pepernoten, marsepein en ander ongezond en onnodig voedsel. Als we geluk hadden kwam hij na zijn aankomst in één of andere haven in Nederland één keer voor 5 december langs met een mandarijntje en een drietal pepernoten. Meer niet. Hij nam wel altijd het hooi mee en de wortel, die wij klaar hadden gelegd voor het paard. Meestal kon de ruil niet uit. En dat zei mijn moeder ook:
- "Dit kan niet uit".
- "Wij hebben het al niet breed en als die oude Nicolaas nou ook nog mijn goede winterwortels mee neemt wordt het helemaal moeilijk de eindjes aan elkaar te knopen".
En dus zetten wij geen schoen. Om mijn moeder te beschermen.

Alleen op 5 december. Dan mochten we de schoen zetten en ook de trui en de broek. Gek genoeg niet thuis, maar bij de buren. De overburen. Die woonden in een 'onbewoonbaar verklaarde woning'. Die hadden zelf geen kinderen. Waarschijnlijk kon Nicolaas daar gemakkelijker naar binnen. Want ze hadden geen slot op de deur. De deur kon niet eens goed dicht. Maar daar zaten wij niet mee. Want wij wisten niet beter.
En als je op vijf december 's avonds je schoen zet, en je trui, en je broek, dan vind je pas zes december 's morgens je cadeautje. Of cadeautjes. Meestal een letter. En iets van speelgoed. Al weet ik niet meer wat. Maar er kwam vooral ook een preek van de buurvrouw. Dat Sinterklaas ons wel erg aardig moest vinden, en dat hij blijkbaar niet gezien had hoe stout wij soms waren. Onze jaarlijkse evaluatie. Zij lachte er heel lief bij. En wij knikten dankbaar.

En dan begon kerst. Met de barmhartige Samaritaan. Stel je voor je bent in elkaar geslagen en je ligt langs de weg. Het bijbelse verhaal. Of je bent zwart en dakloos en je woont in Amerika. De werkelijkheid van vandaag. Zal het nog ooit goed met je komen? Er komt een dominee langs. Je ziet hem en je weet: hij heeft geleerd dat hij de zwakkeren moet helpen, en de armen, en de vertrapten, de daklozen, .. hoop je. Maar hij zegt dat op zondag liever tegen zijn gemeenteleden. Want zelf heeft hij geen tijd.
Of je ziet een priester, een goede katholiek die zich het lot van de medemens aantrekt. Maar die ziet je niet eens, want hij brengt net een klein jongetje naar school, tenminste die loopt met hem mee.
Of er passeert en aardige meneer, die je groet en die 50 eurocent in je bakje laat vallen. HIj kijkt de andere kant op en jouw voeten blijven koud.
En dan kom er een agent aan. En je mag hier niet zitten, hier in het winkelcentrum, waar het nog een beetje warm is en waar je blote voeten niet meteen het risico van vuiligheid en glasgerinkel lopen. Je maakt je zo onzichtbaar mogelijk, maar de agent komt toch naar je toe en geeft je een paar laarzen voor je maat 50, en je kunt je ogen niet geloven. En de agent verdwijnt.

Ik was op een school. De ouders bij het hek zijn boos. Voor de Sinterklaasviering op school moeten hun kinderen, hun oogappeltjes, hun toekomst, een cadeautje kopen voor  een klasgenoot. En het mag niet meer kosten dan  twee euro.
-" Dat kan niet ", roept een boze moeder.
Ik vraag hoe ze daar bij komt.
-" Ik heb gisteren net een trein gekocht voor mijn zoon, de goedkoopste die er is, maar die startset is altijd nog minstens 40 euro".
Ze heeft dus gelijk. Twee euro is niets vergeleken bij 40 euro. Het cadeautje dat je kunt kopen voor je klasgenoot stelt niets voor, vergeleken bij die treinset, hoe klein en ontoereikend die ook is.

Ik denk aan de preken van vroeger. Aan de preken over dankbaarheid van mijn buurvrouw op 6 december, aan de preken in de kerk over de barmhartige Samaritaan. En plotseling weet ik het. Dit gaat helemaal niet over het cadeau! Deze moeder is zwaar in de war. Ze weet helemaal niet waar Sinterklaas over gaat!

Ik denk aan de Sinterklaasvieringen als meester met mijn klas. Hoe ik altijd lette op de enorme spanning van de gever, als de ontvanger het cadeautje uitpakte. Ik denk aan de Sinterklaasvieringen van de afgelopen jaren met mijn eigen grote kinderen. Hoe ik alleen maar let op hun reactie, op hun gezichten, op hun gedrag, op het moment dat de anderen de door hen gegeven cadeautjes uitpakken. En het valt me op dat ze blijer zijn met de reacties van hun doelwit dan met hun eigen cadeaus. Als ze iets geven lijken ze meer te genieten dan op het moment dat ze iets krijgen! Ik denk aan de Samaritaan, aan mijn buurvrouw, aan de agent in het winkelcentrum.

Het gaat in deze dagen niet over iets krijgen. Sinterklaas en kerst gaan over geven. Over het plezier van het geven. Thuis en op school. Over kinderen leren dat geven leuker kan zijn dan te krijgen. De krijger evalueert de gever en niet andersom.

Geniet daar alvast van als je vanavond Sinterklaas viert, of als je de laatste cadeautjes gaat kopen deze week. Dan zul je van de crisis niets merken.

zaterdag 8 december 2012

Met het spoor

Op een ritje voor mijn werk deze week, kom ik tussen Zwolle en Kampen een trein tegen. Of eigenlijk twee treinen. Bijzonder, omdat het spoor dat daar ligt de achterliggende maanden mij vooral is opgevallen omdat er nooit een trein rijdt. Het is het meest aanwezige lege spoor dat ik ken. Nu zie ik eerst een 'losse locomotief, zoals wij dat als kinderen noemden, en dan een wat vreemde blauwe trein, met voor en achter nog een locomotief.

Ik heb een sterk ambivalente houding t.o.v. treinen. Als je er in zit, je hebt een zitplaats, en de trein rijdt, dan heeft het wel iets. Je kunt een boek lezen, het is er warm, en als je bestemming in een grote stad, niet al te ver van het station ligt, heb je geen parkeerprobleem. Maar het kan ook anders. Vorige week kocht ik in een opwelling via vakantieveiling.nl voor een habbekrats twee kaartjes voor Wibi Soerjadi. Hij trad op in het concertgebouw, en vooral dat concertgebouw heeft op mij een enorme aantrekkingskracht.

Als het concert om kwart over tien is afgelopen, stap ik in de tram om via Amsterdam Zuid de trein naar Zwolle te nemen. Dit keer helaas via Utrecht, omdat de rechtstreekse verbinding door werkzaamheden een ommetje maakt. Ik heb mij desondanks niet laten ontmoedigen en neem verwachtingsvol plaats. In Utrecht is er een eerste obstakel. Er blijkt tussen Utrecht en Amersfoort 'een springer' te zijn. Springers zijn mensen, die op rigoureuze wijze hun stem uitbrengen op de NVVE, de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwilllig levenseindE. Ze halen er weinig kamerzetels mee, maar iedere springer brengt een niet anonieme stem uit. Ik wordt gemaand via Hilversum te reizen, ook al stel ik zelf voor via Arnhem en Deventer te gaan. In Hilversum voel ik bij het binnenrijden van het station nattigheid. Er staan hier wel erg veel mensen te wachten. Het is kwart voor twaalf. Om tien over twaalf zal een trein ons via Baarn naar Amersfoort brengen, alwaar wij de laatste trein naar Zwolle kunnen halen. Tweehonderd meter voor Baarn staan we nog even stil.  Ons wordt verteld dat we even moeten wachten op een tegenligger. Er is vandaag maar één spoor beschikbaar tussen Baarn en Amersfoort vanwege een breuk in de bovenleiding. Vijf minuten worden er twintig. Een prettige stem legt uit dat het enkele spoor tussen Baarn en Amersfoort inmiddels wordt geblokkeerd door een defecte trein. De werkelijkheid is altijd bizarder dan welke fantasie dan ook. De NS heeft kans gezien op het enige stukje enkel spoor nu een defecte trein te rangeren.

De omroeper spreekt weer: We hoeven ons geen zorgen te maken. Straks, als we in Amersfoort aankomen zal er NS personeel zijn om ons op te vangen en zullen er bussen klaar staan om ons verder te brengen. En we kunnen nu in ieder geval Baarn binnen rijden. Want wachten hoeft niet meer. De blokkerende trein zal immers nooit arriveren. We zullen een omweg via Den Dolder nemen is het plan.

 Den Dolder. Ik zie de machinist. Hij loopt voor mijn raam langs, terug naar de andere kant van de trein. Zijn gezicht staat op onweer. Ik zwaai hem bemoedigend toe. Dan rijden we Den Dolder weer uit. Alles loopt op rolletjes als we om kwart over één in Amersfoort arriveren. Ik had al een uur in Zwolle kunnen zijn. Iemand die tegen het advies van de NS in toch via Deventer is gereisd, belt een lotgenotende reisgenoot en is al thuis.
In Amersfoort wacht een nieuwe verrassing. Van het beloofde NS personeel, noch van de bussen is enig spoor te bekennen in de zeer verlaten stationshal. Enkele taxichauffeurs met ervaring in dit soort situaties duiken als aasgieren op de passagiers: de NS betaalt. U betaalt € 200 voor een ritje naar Enschede, dat krijgt u later van de NS terug. Wilt u mee? Later blijkt dat niet waar, maar dat weet ik niet. Gelukkig is mijn reisdoel Zwolle en wacht ik nog even af.

Als er een tiental minuten later een NS functionaris verschijnt, wordt beloofd dat er bussen zullen komen. Maar die zijn er nog niet. De NS wil naast de winterdienstregeling niet beschuldigd kunnen worden van nog meer proactief handelen. Een inventarisatie van bestemmingen bij ons gestranden begint. Alsof dat niet een half uur geleden in de trein al had kunnen plaats vinden. Ermelo, Putten, Meppel, Enschede. En nog veel meer. De NS- er schrijft het allemaal op een klein blauw papiertje. Het is kwart voor twee.

Iemand moet naar het toilet. Onder begeleiding van de hopmannende NS functionaris trekken we naar een WC in een kantoorpand van de NS. Dat gaat nog net. Maar koffie of iets te eten blijkt teveel gevraagd.
Kwart voor drie. Er meldt zich een bus. Het is Ome Cor. Hij is 75 jaar en rijdt wel vaker in crisissituaties voor de NS. Naar Zwolle hoor ik? Van onze hopman krijgt hij het blauwe briefje. Dan blijkt dat er ook nog mensen zijn die naar Meppel en Assen moeten. Ome Cor vloekt. "Ik lag net in mijn bed".
We kunnen mee richting Zwolle, maar alleen als we eerst via Nijkerk, Putten, Ermelo, Harderwijk en 't Harde gaan. Ik ben ieder gevoel voor tijd en in mijn vingers verloren. Vooruit maar.

Kwart voor vier stap ik uit in Zwolle. De wandeling naar de auto door de nachtelijke kou brengt de laatste ontnuchtering teweeg. Half vijf rol ik in mijn bed. Wibi slaapt al lang. Morgen om zeven uur zal mijn wekker gaan.

Op weg naar Lelystad word ik een dag later bij Kampen en Dronten gemaand om rustig aan te doen. De tegemoet komende blauwe trein blijkt de koningin te bevatten. En ik ben een potentiële terrorist. De agent vraagt nog net niet of ik misschien waxinelichtjes bij me heb. Het tot nu toe zo lege spoor heet de Hanzelijn legt de agent mij uit. Ik knik begripvol.

Ik moet denken aan iemand die vijf jaar geleden in de plaatselijke krant een heftig pleidooi hield om de Hanzelijn via Emmeloord te laten lopen. Ik ben plaatsvervangend blij voor hem dat dat niet is gelukt.

NB Deze column was in sterk verkorte vorm te horen op radio Noordoostpolder, in het programma 'On the radio' op zaterdag 8 december.
.

zaterdag 10 november 2012

Niet zeuren

De eerste auto van mijn ouders was een Skoda. Ik vertel het met tegenzin. Het was niet bepaald iets waaraan wij als kinderen veel status konden ontlenen, zeker niet aan de Skoda van 1970. Die Skoda moest regelmatig naar de garage. Want dat had je met een Skoda. En de garage vond het geen probleem.
Nog steeds niet trouwens.
Inmiddels heeft mijn vader een VW Bora. En nog steeds gaat hij naar dezelfde garage. En nog steeds werkt daar dezelfde monteur. Bijna met pensioen. De Bora van nu lijkt in niets op de Skoda van toen. Toch blijkt het repararen van het nieuwe vehikel voor de monteur op leeftijd geen enkel probleem. Hij schoolt zich bij, en hij heeft lol in z'n vak. Van 's morgens acht tot 's avonds 6. En zonder ooit langer dan een week met vakantie te gaan. Nooit zeurt hij over de uren die hij moet maken. Als je 's morgens om 08.00 uur komt is hij er al. En als je 's middags om vijf voor zes komt wil hij je nog steeds helpen. Zonder één spoor van ergernis. Met altijd een glimlach. Wat een feest!

Het wordt hoog tijd dat ik het eens heb over het onderwijs. Onderwijs is in Nederland het allerbelangrijkste wat er is. Dat blijkt uit het feit dat het het enige is waar in een tijd van crisis niet op wordt bezuinigd. Nou ja, het enige waarvan wordt gezegd dat er niet op wordt bezuinigd. Van andere dingen kun je dat wel luidop zeggen. Je kijkt er een beetje ernstig bij en zegt dan iets als:
'-"In tijden van crisis blijft natuurlijk niemand en niets gespaard, iedereen gaat het merken".
En vervolgens pak je een miljard af van de armsten op de wereld, je laat zieken en gehandicapten hun eigen euthanasie betalen, vrijwillig of je geeft ze gewoon geen medicijnen meer, je pakt de mensen met de middeninkomens al hun pleziertjes af en je verwacht luid gejuich. Want het is immers crisis. En in tijden van crisis is alles geoorloofd. Maar van het onderwijs blijf je af.

Het heeft allemaal mijn sympathie, als er ook iets voor zou worden terug verwacht vanuit het onderwijs. Bijv. iets meer openheid over de werkdruk. En de redenen van het gepraat (sommigen zegen: gezeur) daar over. Heeft u enig idee hoe druk onderwijzers het hebben? Ik zal het u uitleggen.
Een onderwijzer heeft een 36 urige werkweek en in totaal 6 weken vakantie alles mee gerekend. Daar kijkt u van op he? Zes weken vakantie. Geen twaalf. In de CAO van iedere onderwijzer staat dat zij (want mannen zijn er niet meer in het basisonderwijs) 1659 uur moet werken per jaar. Dat is een belangrijk getal. Onthoud dat: 1659 uur per jaar. 46 weken van ruim 36 uur dat is 1659 uur. De meesten van ons werken iets meer uren, 1750 of nog meer, maar onderwijzer is een zwaar vak. Dus 1659 in het onderwijs is echt afzien. Niemand van ons misgunt de mensen die de toekomst van het land iedere dag kneden, hun vrije tijd.

De kinderen komen ongeveer 1000 uur naar school.  Iets minder nog. Een onderwijzer heeft dus ongeveer 650 uur tijd voor het voorbereiden van de lessen, voor gesprekken met u en mij over onze kinderen, voor bijscholing en voor het mee doen aan de avondvierdaagse of de kerstviering of het schoonwassen van het kleutermateriaal. Waar zit dan het probleem? Dat zit in het de manier waarop scholen dit werk organiseren.  De kinderen komen 1000 uur naar school verdeeld over ongeveer 40 weken. En onderwijzers willen graag vrij zijn in de weken dat de kinderen niet naar school komen. Dat zijn die 12 weken per jaar. En dus plannen ze al hun werk in die 40 weken dat de kinderen komen. Ook de extra dingen die gemakkelijk in die andere weken zouden kunnen als verplichte nascholing.
Even een hoofdrekenopgave. Hoeveel is 1659 gedeeld door 40? Ook als je niet zo goed bent in hoofdrekenen, weet je meteen dat daar minstens 40 uit komt en de meesten van ons zien zelfs dat dat meer dan 41 is. Om dus de 36 urige werkweek te maken in 40 weken moet je 41 uur per week werken. Nog een keer: Om alle uren van 46 weken met een 36 urige werkweek te kunnen maken in 40 weken (de weken dat de kinderen naar school komen) moet je 41 uur per week werken in die 40 weken. Voor een parttimer is de situatie nog moeilijker. Als je zestiende werkt moet je 4 dagen beschikbaar zijn. Dus niet drie wat veel parttimers denken: zestiende van 5 dagen is immers 3 dagen.

Onderwijzeres is het belangrijkste vak in onze maatschappij. Iedereen kan nog wel iets vertellen over een juf, meester, leraar of lerares die hij heeft gehad. Mooie verhalen over vormend gedrag van vakbekwame pedagogen. Daar moeten we vooral niet op bezuinigen. Die gunnen we hun 12 weken vakantie. Maar alleen als ze tussendoor hard werken en niet zeuren. Dat hoort ook bij de crisis. Dat weet de monteur van mijn vader. Daar kan het onderwijs nog wat van leren.


zaterdag 27 oktober 2012

Jondeeres

Ergens in de polder zag ik een John Deere. De groene tractor past in het regenachtige en weidse landschap als een fietser worstelend tegen de wind. Omdat het te ver weg is kan ik niet precies zien wat de functie van de tractor op dit moment is, maar hij doet vast iets nuttigs. De grond slepen. Of iets ploegen. De druilerige regen geeft het tafereel de mistige gloed, die past bij de herfst. Ik ben jaloers op de ongeremde vrijheid, die de berijder moet voelen, en die ik ken van toen ik zelf nog een klein jongetje was.

Het is de derde John Deere die ik zie deze week. Thuis bij mijn ouders zag ik mijn neefje spelen met de groene tractor, die vroeger bij mijn oma thuis ons grootste vakantieplezier was. Mijn broer en ik logeerden iedere zomervakantie bij mijn oma. Meestal drie weken lang. Zonder heimwee. En zonder contact met thuis, want wij hadden thuis geen telefoon.
Ik herinner me een keer dat oma net terug was uit Canada. Eén van mijn ooms had in de jaren 50 zijn heil gezocht in Lynden, en was boer geworden in die Hollandes enclave, dicht bij de Amerikaanse grens. Terug van haar eerste bezoek aan haar zoon had ze twee tractors meegebracht voor ons, haar logees. Twee jondeeres. Want zo spraken wij dat uit. En zij sprak ons niet tegen.

De jondeeres hadden twee voorwielen, die dicht bij elkaar zaten. Belachelijk. Zo zagen de tractors in Nederland er niet uit, en wij konden het weten, want oma woonde naast een loonbedrijf.
- "Zien de echte tractors in Amerika er ook zo uit?" vroegen wij.
Dat bleek niet het geval. Nog belachelijker. Dit waren geen echte tractors. Dit was speelgoed. Gemaakt door een grapjas. Maar ze konden wel 'echt' sturen en er konden 'echte' wagens achter. En wij speelden er graag mee. Maar het waren geen echte tractors!

Wat is dat trouwens, 'echt'? Iedereen weet wat een lepel is, of een schoen, of een kunstgebit. Maar als je een voorwerp ziet, hoe weet je dan dat het een schoen of een kunstgebit is? Waaruit bestaat het 'echte' van een voorwerp? De filosoof Heidegger zei dat het allemaal in ons hoofd zit. Een voorwerp is nooit 'echt'. Een voorwerp bestaat alleen bij de gratie van z'n functie. Als ik soep eet is mijn lepel een lepel, maar als ik die lepel langs de weg vind, is het dan nog wel een lepel? Is een kunstgebit bij de gevonden voorwerpen op het politiebureau wel een kunstgebit? Is een schoen langs de weg wel een schoen?

Eén van de meest omstreden kunstwerken van de vorige eeuw is 'The Fountain', van Marcel Duchamp. Duchamp was één van de bestuursleden van een galerie voor moderne kunst in New York. Hij werkte volgens een bijzonder concept: Iedere kunstenaar kon bij hem zijn kunstwerken ten toon stellen. Voorwaarde was dat hij lid werd van de galerie (kosten 1 dollar) en daarnaast per kunstwerk 5 dollar betaalde.  Duchamp kocht in New York in een badmeubelwinkel een urinoir en geeft het ding een naam: Fountain.  Hij zette het op z'n kop en signeerde het. Daarna bood hij het onder het pseudoniem R. Mutt aan, aan z'n eigen galerie, compleet met de 6 dollar voor lidmaatschap en tentoonstellingskosten. Hij noemde het 'readymade art'. Kunst die al klaar was.
Zijn medebestuursleden, die geen idee hadden van de werkelijke aanbieder, waren furieus en weigerden het ding tentoon te stellen. Dit was geen kunst! En zo is één van de meest beroemde kunstwerken uit de geschiedenis nooit tentoongesteld geweest! Er is alleen een foto bewaard gebleven. Maar was was het aangeboden voorwerp? Op de kop en niet verbonden aan een waterafvoer? Een urinoir of een kunstwerk, of nog iets anders?  Volgend de definitie van Heidegger was het in ieder geval geen urinoir meer.

Was de jondeere bij mijn oma wel een tractor? Dat laatste is nu overduidelijk: Nee! Het is speelgoed in de vorm van een tractor. Het zal nooit de functie van de poldertractor over kunnen nemen.

Vorige week liep ik de kunstroute in De Wijk en IJhorst. Op één van de locaties stuit ik op een levensgrote jondeere. Dit keer niet groen maar herkenbaar gemaakt van karton. Ook deze jondeere heeft smalle wieltjes. In de achterkant van het vehikel is een beeldscherm gemonteerd waarop een film wordt getoond van een man, die in een hotelkamer in New York deze kartonnen tractor bouwt, omdat hij zich eenzaam voelt en wil vluchten in een wereld die hem meer aanstaat, de wereld van de natuur, de wereld van de weidse polder.

En zo komt het allemaal weer bij elkaar: mijn jeugd, de kunst, de filosofie en de noordoostpolder. Maar of het ook een functie heeft, daar ben ik nog niet uit. Als we een voorwerp definiëren aan de hand van zijn functie, en als het voorwerp zijn functie verliest, als het dan dat voorwerp niet meer is, wat is dan een mens? Wat is tenslotte de functie van een mens? Of van een column?


Deze column was te horen op radio Noordoostpolder op 27 oktober om 19.40 uur in het programma 'On the radio', en is tot een week daarna nog terug te luisteren op  de site van radio Noordoostpolder.

zondag 21 oktober 2012

Hallucinaties

Ik heb nog nooit drugs gebruikt. Daarvoor biedt ik vandaag mijn excuses aan. Moet ik dat uitleggen?
Ik ben opgegroeid in de jaren 60 en 70. Je bent toch een beetje een watje, als je kans ziet die hele periode door te komen zonder één keer te blowen, of buiten jezelf te treden, te hallucineren of te trippen. Nou ja, één keer heb ik spacecake gegeten, zonder het zelf te weten. En daar ben ik toen vooral ziek van geweest. Mijn eerste hoofdpijn is mijn grootste existentiële jaren 60 ervaring.

Ik vraag mij af of dat nog ooit in te halen is. Zonder iets te gebruiken toch een beetje 'high'. Om mij heen zie ik dat soms. Een buurvrouw die depressief is, en daarvoor medicijnen slikt blijkt alleen maar met die medicijnen te hoeven stoppen om hele werelden te zien, waarvan ik geen weet heb. In de tijd van haar zwangerschap rent ze gillend over straat, getuigend van een wereld, die zo bijzonder is, dat wij allemaal mee moeten genieten en er bang van worden op hetzelfde moment. Als ze even bij ons zit, huilend en shakend, vertelt ze van beesten, kleuren en vormen, waarvan wij geen weet hebben. De bevalling en de terugkerende medicijnen verdrijven uiteindelijk deze, voor de meesten van ons verborgen, kosmos weer.

Ik blijk het aan te trekken. Jaren later als ik thuis kom van mijn werk, in een andere tijd in een andere stad zit de dan actuele buurvrouw op de oprit te huilen. Ook zij heeft depressieve trekjes weet ik. En omdat ze een koptelefoon op heeft en de ogen dicht; en ik geen zin heb in haar wereld, probeer ik onopvallend mijn huis binnen te sluipen. Zonder succes. Ze heeft mij gezien en wenkt. Ik blijf een watje en kan haar tranende ogen niet weerstaan. Zonder woorden overhandigt ze mij de koptelefoon.
De daarop volgende minuten zijn hallucinerend. Ik ken de stem en de muziek niet. Maar het dringt diep in mijn ziel door. Schurend en zagend.  Ik blijk te luisteren naar vrouwen van de eeuwigheid. 'Eternal Women'.  Kleine biografietjes van de doodsstrijd van Mata Hari, Marie Antoinette, Mary Queen of Schots, Sissi, Maria Magdalena, Jeanne d'Arc en Cleopatra. Op muziek van klassieke componisten, ook al een wereld die ik niet ken.

Ik realiseer me vandaag dat drugs en hallucinaties 'in' zijn.

"Vroeger, weten we uit te geschiedenis, verliet de ziel het lichaam wanneer het hart stil bleef staan.
Mijn ziel gedraagt zich anders en verlaat zijn lichaam al tijdens mijn leven", dichte mijn oma op weg naar haar dementie. Voor mijn oma was haar dementie een hallucinatie, Voor Lance Armstrong zijn zeven Tour de France- zeges één lange hallucinatie geweest. En voor Sylvia Kristel was Emanuelle haar levenslange uittreding.

Ik blijf op zoek naar mijn hallucinatie. Eergisteren was het zover. Bijna iedereen weet dat je kunt hallucineren van muziek. Heilzaam en ongeremd. Gisteren heb ik mijn koptelefoonhallucinatie in levende lijve gezien. Petra Berger. Opeens was ze daar. Als een vanzelfsprekende legende. Het was alsof ik thuis kwam. Alsof ik naar de radio luisterde en een goede vriend een column voor hoorde lezen. Al na twee nummers liepen de tranen over mijn wangen.

Ik wil vanaf vandaag anderen laten hallucineren. Iemand zet zijn leven in voor psychiatrisch patiënten. Ik zoek een cadeau voor hem. Ik stuit op de grootste neuroloog en psychiater aller tijden, Oliver Sachs, auteur van het boek "de man die zijn vrouw voor een hoed hield", een hallucinatie, die je iedere man gunt. Oliver heeft een grote hoeveelheid hallucinerende middelen ingenomen en daar een boek over geschreven: 'Hallucinaties'. Puur voor de wetenschap natuurlijk. Cogito ergo sum. Mijn rede stuurt mijn ziel. Hij wil weten wat zijn patiënten mee maken en dus roept hij hallucinaties op. Waarom niet!

Ik blijf doorgaan. Noordoostpolder: Pak je kansen. Verdrijf je depressie. Hallucineer. Lees Oliver Sachs, Luister naar Petra berger. Het leven kan één serie gloedvolle hallucinaties zijn, met én zonder drugs.


Deze column was te horen op radio Noordoostpolder op 20 oktober 2012 om 19.40 uur in het programma 'On the radio'. . 

vrijdag 5 oktober 2012

Dierendag

Toen ik klein was hadden wij thuis een kat. En een hond. En koeien en schapen. En een paard. De koeien en de schapen waren belangrijk. Want dat was ons inkomen. En het paard. Want dat was onze tractor. De kat en de hond waren minder belangrijk. Dat was óns speelgoed. Dat waren mee-eters. En dat deden ze ook. Ze kregen de restjes van wat wij over lieten. Wij zorgden dat we wat over lieten. Zo was alles goed geregeld.

Op een dag was de kat ziek. 'Kattenziekte'. Het woord had bij ons thuis de onvermijdelijke klank van de dood. Kattenziekte, dat kwam nooit meer goed. Ik was acht. Ik had geen idee wat kattenziekte was. Maar het concept van een bijna dode kat was helder. Maar niet dramatisch. We hadden soms dode kalfjes en dode koeien. Nu een bijna dode kat.

Er was nog één kans. Samen met mijn vader gingen we naar de stal. Ik moest de kat beet houden. Mijn vader droeg de bijl. Mijn broertje moest ook mee helpen. Die hield de staart vast. Met een ferme zwaai hakte mijn vader ongeveer 5 centimeter van de staart.

- 'Het moet wel in het leven', placht mijn vader te zeggen.
Wij wisten niet wat dat was: 'het leven'. Maar het was belangrijk: in 'het leven'.
Wij konden de kat niet meer houden. Die verdween met een kreet door de staldeur naar buiten.
- "Misschien wordt hij beter" zei mijn vader.
We hadden goed gedaan. Het beste voor de kat. En de kat mocht best blijven leven.

Verder werd er niet gesproken.
Drie dagen later was de kat terug. Hongerig maar gezond.
Achteraf weet ik nu dat dat 'aderlaten' heet.

Ik zit in de kantine. Het is 4 oktober.
- 'Wat heeft jouw hond gehad voor dierendag', lispelt een collega.
- 'Een kat' riposteert een niet aangesproken bijzitter.
- 'Toch niet voor die kat een muis had gehad' lolt een derde.
Langzaam wordt de kringloop der natuur met meer dieren verder gesloten.

Op dezelfde dierendag wordt bekend dat er 10 miljoen extra subsidie beschikbaar komt voor megastallen. De bio-industrie verzorgt haar eigen groei. Dankzij die 10 miljoen kan iedere kip ipv 12 vierkante centimeter er nu 14 krijgen. Dat komt het dierenwelzijn enorm ten goede. En maakt de bio-industrie enorm diervriendelijk. Zegt een kippenhouder.

Op de radio zeurt ene Erno Eskens over dierenrechten. Hij stelt notabene voor in de tweede kamer iemand aan te stellen die de rechten van de dieren komt vertegenwoordigen. De filosoof Coen Simon heeft er in zijn boek: "En toen wisten wij alles', terecht op gewezen dat het geven van rechten aan dieren volkomen onzinnig is. De dier is natuur. Netjes omgaan met de natuur is de verantwoordelijkheid van de mens. Het dier is een spiegel van de mooie en minder mooie kanten van de mens. Soms is het verschil tussen dier en baasje niet te zien.

Sinds de mens rechtop is gaan lopen, kan het dierenrijk alleen nog bestaan als de mens zichzelf en zijn omgeving reguleert. Dat blijkt ook als er deze week wat dierendilemma's worden aangedragen:
- Ganzen bij Schiphol: vergassen of niet? Hoeveel doden zijn de ganzen waard?
- Vanaf 3 miljoen ganzen kunnen boeren in Nederland niet meer bestaan. Waar is de grens?
- Zielige zeehonden hoeven niet meer in Pieterburen te worden beschermd, de natuur kan haar gang gaan.
- Wolven terug in Nederland: schapen en honden opgepast!
- Grote grazers in de Oostvaardersplassen, er zijn er veel te veel: afschieten of laten verhongeren?
- Of misschien wat mensen afschieten voor een groter leefgebied?
Stadsmensen hebben een andere opvatting dan plattelanders als het gaat om zaken van de natuur.

De dierenambulance in Zwolle opende deze week een rouwcentrum. Wethouder van As verrichte de officiële opening. Op een foto in het plaatselijke suffertje huilt een mevrouw bij een pluchen beer, naast het kistje van haar Cavia. Mijn suffertje kan nog net dienst doen als kotsbakje.

Mijn biefstuk suddert in de pan. Ik weet het zeker: De mens is ieder gevoel voor verhouding met de natuur en in de omgang met het dier kwijt geraakt.

NB. Deze column was in sterk verkorte vorm te horen op radio Noordoostpolder op zaterdag 6 oktober in het programma 'On the radio'.

zaterdag 22 september 2012

Bronnen van de geschiedenis

Het is 1976. Nog acht weken, dan heb ik eindelijk en definitief vakantie. Nog acht weken naar school, dan zit het er op. We hebben inmiddels de hele geschiedenis van de wereld behandeld, van de steentijd tot het heden, van de jagers tot de kabinetsformaties. Ik kan me niet voorstellen dat er nog iets komt. We zijn klaar! Maar ik heb me vergist. Er blijkt nog een zwaar onderwerp op de lerarenagenda te staan.

- "Hoe weten we eigenlijk zoveel over de geschiedenis?", slist en buldert onze leraar, de in onze school legendarische heer Middelink.
Wij weten het niet. Wij zijn elke week weer vol bewondering over wat hij allemaal weet. Maar we hebben ons nog nooit afgevraagd hoe hij aan zijn kennis komt. Waarschijnlijk geschiedenis gestudeerd, een beeld dat voor ons nog ver weg is, al zijn sommigen naar de studievoorlichting van geschiedenis geweest. Gortdroog,  niemand van ons overweegt een dergelijke carrière.
-"Uit de bronnen van de geschiedenis!", buldert hij.
Het voegt weinig toe aan onze kennis. Wij weten niet wat de bronnen van de geschiedenis zouden kunnen zijn. En we weten niet of het ons interesseert.

In de daarop volgende acht laatste weken van het schooljaar leren we alles over opgravingen, gevonden dode zee-rollen, de dagboeken van Che-Guevara,  fossielen, mondelinge overlevering, onvermoede boeken in het Vaticaan en nog veel meer: We leren over de bronnen van de geschiedenis.

Als ik acht weken later het geschiedenislokaal binnen kom voor mijn mondeling examen geschiedenis, ben ik dat allemaal  vergeten. Nadat ik op geen enkele wijze een lijn heb weten te ontdekken in de vijf oorlogen tussen Engeland en Japan, zelfs het aantal is nieuw voor mij, vraagt Middelink:
-  "Hoe weten we eigenlijk zoveel over Che Guevara? "
Ik weet iets over zijn dagboeken te melden.
- "Kun je nog meer bronnen van de geschiedenis noemen?"
De moed zinkt mij in de schoenen. Juist dit onderdeel van de stof is me volledig ontschoten tijdens de voorbereiding. Ik weet het niet. Uiteindelijk sluip ik het lokaal uit met een 6-. Mijn scriptie over Leonardo da Vinci sleept me er door.

Juist deze week blijkt dat al deze gemiste kennis van levensbelang kan zijn. In Limburg is een fossiel gevonden van een mosasaurus, een zwemmende roofdinosaurus van 13 meter lang. Hij is anderhalf miljoen jaar ouder dan de oudste tot nu toe gevonden Mosasaurus. En hij vult de leemte in kennis van een lange periode. Ik zou hem zelf willen uitgraven en omhelzen. Maar ik heb geen geschiedenis gestudeerd,

Ook deze week werd een snippertje perkament gevonden, waaruit blijkt dat Jezus gewoon getrouwd was. Net als alle joden van zijn leeftijd. Op het papiertje de zin: "Jezus zei tot zijn leerlingen: Mijn vrouw.........."
En dan niks meer. Maar het is wel een echte bron. Papyrus uit de derde of de vierde eeuw. Jezus citeert zijn vrouw. Jezus was dus getrouwd! Met Maria. Maria Magdalena, een prostituee. In de bijbel en in de noordoostpolder zeggen ze ook wel: een hoer! Dat maakt Jezus trouwens alleen maar sympathieker wat mij betreft. Maar er zijn mensen die daar anders over denken.

Uit het onvolprezen boek van Paul Verhoeven over Jezus van Nazareth, weten we inmiddels ook al lang hoe de vader van Jezus heette: Pantherus. Dat is weer ontdekt door de theologe Jane Schaberg, die dat al in 1990 wereldkundig maakte. Pantherus was een Romeinse soldaat uit een gebied dat nu Duitsland heet. Niks maagd. Maria werd tijdens een opstand van Palestina tegen de Romeinen verkracht door een Romeinse soldaat en opgevangen door de goedzak Jozef. Voor mij als voormalig gereformeerde, zelfbenoemde atheïst, bijna een reden om weer godsdienstig te worden. Wat een romantiek! Wat een held! Trouwens, ook Dhr. van de Staay moet van deze, hem onwelgevallige theorie hebben geweten. Want ik neem aan dat hij, net als alle andere mensen, alles leest over zijn idool. Misschien dat juist deze wetenschap hem wel bracht tot zijn bijzondere uitspraken.

Waarom denken sommigen van ons dat Jezus is geboren uit een maagd? De apostel Paulus, de ontembare evangelist voor Jezus in het oude Rome, was een groot diplomaat. Om het christendom een beetje kans te geven in het brede palet van godsdiensten in het oude Rome, was een maagdelijke geboorte een pré. Er waren er wel meer, maar niet heel veel. Ook voor deze wetenschap zijn heel veel bronnen. Het meest toegankelijk geschreven daarover is het boekje van Kees Hendrikse: "God bestaat niet en Jezus is zijn zoon". Mooie verhalen. Lezen, juist als je het er niet me eens denkt te zijn. Het besef dat je het er niet mee eens kunt zijn is al een winst. We mogen in Nederland geloven wat we willen. Tenminste van de heidenen. Voor sommige godsdienstigen ligt dat ingewikkelder. Zo mogen we niet vinden dat Mohammed maar een wredaard was en daar zeker geen film over maken. Dan gaan mensen de straat op om met dat wat ze geloven de wereld kort en klein te slaan. Ook al is er via allerlei bronnen informatie, die duidelijk maakt dat ze ongelijk hebben. Maar, zo leerde ik kort geleden, verwachten dat iemand van mening verandert op basis van hem onwelgevallige feiten, is hetzelfde als verwachten dat als je de staart van een hond beweegt die hond dat zal beleven als kwispelen.

Als ik alles samenvat leveren de bronnen van de geschiedenis deze week het volgende beeld: Jezus was een Duitser was, getrouwd met een dame van lichte zeden. Hij leefde miljoenen jaren na een roofdinosauris, die volgens de bijbelse jaartelling niet kan hebben bestaan. Het lijkt me al met al nieuws dat in de Noordoostpolder en Urk en nog veel meer plaatsen moet zijn ingeslagen als een bom. Maar alleen als je gelooft in bronnen van de geschiedenis. Je kunt de geschiedenis ook zelf bedenken.

NB. Deze column was in sterk verkorte vorm te horen op radio Noordoostpolder op zaterdag 22 september in het programma On the radio.

zaterdag 8 september 2012

Pieperfestival

De Olympische Spelen zijn voorbij. Het scheelde niet veel of het was een ramp geworden. Na het EK voetbal, dat iedereen al lang vergeten is, en na de de Tour de France, die natuurlijk weer niet door Gesink werd gewonnen,  waren de spelen de laatste kans om iets van dit jaar te maken. Maar wat eigenlijk? Wat zouden de spelen van het jaar kunnen maken? En voor wie?

In de eerste week van de Olympische spelen werd er gejudood. Verschillende judoka's 'gingen voor goud', een Amerikaanse vorm van grootspraak, die bij Nederlanders onherroepelijk tot een enorme mentale depressie en zelfblokkade leidt. Roept een Nederlander dat ie gaat winnen, hoef je niet eens te gaan kijken. Dat wordt zeker niks! De Judoka's werden dan ook op de rug gelegd, in de houdgreep genomen of door de scheidsrechters naar huis gestuurd.

Na een week zonder al te veel succes leek de spirit er uit. De medaillekansen van de sporters die nog moesten komen werden laag ingeschat. De mislukte sportzomer, die onze identiteit definitief naar een nulpunt zou loodsen, diende zich aan.

-" Zou het voor de mensen die nog niet geweest zijn misschien beter zijn als er alvast iets was gewonnen? ", vraagt Mart Smeets aan een deelneemster die nog moet komen. Een interessant punt. Ga je beter presteren als anderen in een andere sport het goed doen, zelfs al ken je die personen niet? Bestaat er zoiets als teamgeest zonder team?

Zelf zit ik in een schaakteam. Het woord op zich is al belachelijk. Acht schakers, die tegen acht schakers van een andere club spelen, zijn geen team. Als je een punt haalt, wordt dat bij de andere punten opgeteld, en zo kun je winnen met 5-3 of verliezen met 8-0. Maar het is geen teamsport. Het is bijv. streng verboden om tijdens het spelen over de partijen te overleggen. En toch heb ik gemerkt dat als je speelt met een vriendenclubje, het team beter presteert, dan een achttal even sterke schakers die niets met elkaar hebben. Teamgeest zonder team.

Ik kwam vandaag in Emmeloord, toevallig. Ik werd opgehouden bij afgesloten wegen. Mensen renden van Urk naar Emmeloord.  Ik begreep niet waarom.
-"Vanwege de piepers", deelde een vriendelijke vrijwilliger mij mee.
De wat?
-"De aardappels! Dat hebben wij hier elk jaar!"
Hij leek te verwachten, dat ik meteen begreep waar hij het over had. Ik moest denken aan Freek de Jonge, die in een conference aan een man vraagt : Hoe komt u aan die tulpen? En dat die man zegt: De oorlog!
Ach natuurlijk de oorlog! Dat ik daar niet aan heb gedacht!
Ach natuurlijk, de aardappels, dat ik daar niet aan heb gedacht!

De vrijwiliger keek zo trots, dat ik niets tegen zijn, voor mij bizarre logica, wist in te brengen; maar de omstanders knikten. De aardappels!
Ik weet er nu een beetje van. Van het Pieperfestival.
Ik ben blij dat ook in de Noordoostpolder er iets bestaat dat leidt tot teamgeest zonder team. Naast radio Noordoostpolder is dat de aardappel weet ik nu. Wat de Olympische spelen zijn voor Nederland, is de aardappel voor de Noordoostpolder. Ieder middel is geoorloofd. Als het maar werkt!

Ik heb vanavond een aardappel gegeten. Ik voel me er al een beetje bij horen.

NB. Deze column was te horen op radio Noordoostpolder op zaterdag 8 in het programma On the radio.

zaterdag 1 september 2012

Knietje vrijen.

Ik ga een column maken voor radio Noordoostpolder. Dat lijkt me het aangewezen moment om eens na te denken over wat ik weet van de Noordoostpolder, of over wat ik heb met de noordoostpolder. Tijdens het nadenken over deze tekst valt me al op dat je het woord noordoostpolder niet straffeloos kunt blijven herhalen. Niet alleen is het te lang en teveel een tongbreker, het intellectuele gehalte van je tekst lijdt er ook meteen onder. Teveel polder. Niet sexy. Niet hip. Niet chil. Niet vet. Niet….., ja, hoe zou dat nu heten eigenlijk? En kun je Noordoostpolder straffeloos afkorten? NOP?

Mijn eerste herinnering aan de NOP is gek genoeg seksueel getint. En dat is verrassend. Mijn associatieve brein is beslist niet ongebreideld seksueel van aard en het woord polder is, ook in mijn gevoelswereld, niet ultrasensueel. Het is evenmin zo dat ik iedere gedachte aan vroeger meteen Freudiaans weet terug te voeren op een orale, genitale, anale of andere fase, ook al heb ik een psychologische vooropleiding.
Ik zie me zelf weer zitten in de keuken van onze boerderij. Het is eind jaren zestig. Ik ben een jaar of twaalf. Er zijn kennissen van mijn ouders op visite. Mijn vader en de mannelijke bezoeker bespreken het plan van de bezoeker om naar de Noordoostpolder te verhuizen. Dat is dus het moment dat ik dat woord voor het eerst hoor: Noordoostpolder. Onze bezoeker wil daar een loonbedrijf beginnen. Er schijnen daar grote boeren en boerderijen te zijn. Met heel veel bouwland en heel veel werk. Daarbij vergeleken, is mijn vader met z’n 12 koeien en 11 hectare weiland een te verwaarlozen bron van inkomsten. Het huidige loonbedrijf van de bezoeker loopt niet zo goed en in de NOP, zal hij zijn als Anton in loonbedrijfluilekkerland. Het geld zal er binnen stromen. De bomen zullen tot in de hemel groeien. Mijn vader knikt.
Ik zit schuin tegenover onze bezoeker. Naast hem, en dus recht tegenover mij, zit zijn dochter, van een jaar of elf. Hoewel ik geen enkele seksuele aanmoediging vanuit mijn opvoeding heb meegekregen, en alle relevante voorlichting beperkt is gebleven tot een boekje dat mijn moeder mij op een onbewaakt moment in de handen drukte, met de woorden:
-         “Lees dit maar eens even, misschien heb je er iets aan”,
ondanks dat, reageert mijn lichaam op haar aanwezigheid. Ze lacht naar mij. Ze heeft een beetje een bol gezicht, en ze bloost een beetje. Ze heeft al borsten. Het symbool van ‘sex’. De jongens op school hebben het er vaak over. Ik houd mij dan altijd op de vlakte. Snap niet zo goed waar ze het over hebben. Weet niets van sex. Maar nu helpt mijn lichaam mee. Ik raak met mijn voet haar been aan onder de tafel. Niemand kan het zien. Ons pluchen tafelkleed hangt minstens 30 centimeter over de rand. De aanwezige mannen gaan op in hun loonbedrijf-luchtkastelen.
En zij? Ze is in ieder geval niet echt verlegen. Zonder gene wrijft zij met haar voet langs mijn been. Ik ben blij dat we geen schoenen dragen. Dat de klompen keurig in de schuur zijn achter gebleven. Ik wrijf een beetje terug. We kijken elkaar niet aan. Zij knelt mijn been tussen de hare, komt met haar voet zo hoog langs mijn been, dat er gevoelens opwellen, die volkomen nieuw voor mij zijn.
Als ze weg zijn wil ik maar één ding: ook naar de Noordoostpolder verhuizen.

Ik heb haar nooit meer terug gezien. Het loonbedrijf dat ze zijn begonnen was binnen een jaar failliet.
-" Ach, hij was altijd al een fantast, en een chaoot", weet mijn vader later te vertellen.
Ik vraag me nu af, hoe groot de Noordoostpolder is. Hoeveel mensen er luisteren naar radio NOP. Ik stel me voor dat de wereld daar zo klein is, dat iedereen meteen weet om wie het gaat.

Ik weet zijn en haar naam niet meer. Maar ‘knietje-vrijen blijft voor mij altijd iets van-, en verbonden aan de Noordoostpolder.

NB. Deze column was te horen op radio Noordoostpolder op zaterdag 1 september in het programma On the radio.

vrijdag 27 juli 2012

Eventuele overlijdensdatum: ..............

Mijn dochter belde. In een formulier dat ze moet invullen, wordt gevraagd naar het sociaal verzekeringsnummer van haar ouders, en hun 'eventuele overlijdensdatum'. Omdat ik in de stad loop, en niet meteen het antwoord weet, beloof ik haar terug te bellen of z.s.m. te mailen. Als ze heeft opgehangen, realiseer ik mij pas ten volle het bizarre van haar vraag. Al lopend probeer ik een antwoord te vinden. 

Mijn vrouw is ziek. Ze heeft een virusinfectie. Kenmerk van dat virus is dat het gepaard kan gaan met  leverfalen. 'Hetgeen de dood ten gevolge kan hebben', vermeldt de zelfdiagnosesite op internet vrolijk. Omdat het virus ook 'zeer besmettelijk' is, moet het mij niet al te veel moeite kosten dat virus ook op de doen. Onze gezamenlijke overlijdensdata kunnen dan worden voorzien, waarschijnlijk ergens in januari.

Het hele scenario heeft wel meerdere zwakke kanten. Allereerst gaat het met mijn vrouw al weer wat beter en lijkt haar dood nog ver weg. Daarnaast vraagt de hele opzet dat ik min of meer actief onderdeel ga uitmaken van deze gang van zaken, waar ik nog niet aan toe ben, alleen om een formulier ter wille te zijn. Ook veronderstelt het dat mijn weerstand zodanig afneemt dat het virus ook bij mij een kans krijgt, één van de voorwaarden voor het actief worden van de ziektekiemen.  

Nee, ik denk dat ik op zoek moet naar een moment waarop mijn vrouw en ik samen iets gevaarlijks gaan ondernemen. Helaas zijn we net veilig terug van een weekje Rome. Twee kansen om bij de landing van het vliegtuig neer te storten zijn daarmee in rook opgegaan. Een volgende vliegreis is nog niet gepland. Ook onze vakantieplannen herbergen,  naast deelname aan het verkeer,  geen levensbedreigende activiteiten. 

In dat verkeer ligt natuurlijk de onzekere factor. Elke dag de laatste zijn. Ik denk dat ik dat maar ga mailen. 

zaterdag 14 juli 2012

Kunstenaar

Gerrit is dood.
Wie ben ik om in zijn schaduw te denken.
Mij rest alleen het schaamrood.


Ik las ooit zijn gedicht.
het bediende mij op mijn wenken.
Het lacht in mijn gezicht:

Gerrit verdicht mijn strapatsen
Ik herken zijn strijd en voel zijn werk
mijn stukjes slechts malle fratsen.

De Taalsmid

De klinker en de medeklinker zijn
De weke onderbuik en het korset.
Dichter is hij die, schijnbaar zonder pijn,
Het vormeloze in de steigers zet.

Zijn woorden, corpulent of slank van lijn,
Verenigen zich vloeiend tot couplet.
De moeiteloosheid, niet het rookgordijn,
Is zijn geheim. Met taal gaat hij naar bed.

De taal, van A tot Z, is zijn fles wijn.
Halfdronken wordt er, zomaar voor de pret,
Een kind verwekt, een epos of kwatrijn,

Of iets daartussenin, zeg een sonnet,
Terwijl de lezer onbekend blijft met
Zijn worsteling met spekvet en balein.

----------------------------------------------------------
Uit: 'Nieuwe gedichten',1999 van Gerrit Komrij.

zondag 8 juli 2012

Discriminatie

Het jaarlijks buurtfeest is dit jaar aanleiding voor een zaterdagse kanotocht. Met de goede buur in plaats van de verre vriend in een bootje. Kanoën of kajakken. Kajakken dus. Gelukkig staat het verschil net op tijd in mijn zaterdagkrant.  "Hoe overleef ik een kanotocht". Toeval? Als God knipoogt moet je wel omhoog kijken.

Als we na een rondje Weerribben weer op het terras van de kajakverhuurder zijn aangeland is het zoet rusten.  Tot een speedbootachtig vaartuig met teveel mensen aan boord, ook aanlegt aan ons grasterrasje. Zo'n nummerbord met een Y er in. Mensen uit mijn allergiezone. Een veel te dikke dame probeert over de RVS reling van boord te komen. Wat niet lukt natuurlijk.
- "Zou iemand mij niet eens helpen?"
- "Zou jij niet eens een uitweg nemen die je aan kunt!"
De mannen weten dat ze niet hard kan lopen.

Eenmaal toch op de kant en met een veel te groot ijsje om af te vallen, nemen de zes plaats op het terras. Te weinig stoelen voor iedereen. Wij zitten er ook met de zeven sportieve buurtbewoners die niet in een fluisterboot plaats hebben genomen.
Gelukkig blijkt de buitengewoon aardige eigenaresse van het terras bereid haar privé-tuinbankje aan het gezelschap uit te lenen. De dikke dame haalt opgelucht adem. Ze had al gezien dat ze niet had gepast tussen de leuningen van de stoelen.
En het gebeurt. De echte wereld laat je nooit in de steek. Het beschikbaar gestelde, vorige week nog groen geverfde, knus ogende tuinbankje, zucht ineen onder het onverwachte geweld. De dikke dame laat het gilletje. De buurtbewoners lachen ongegeneerd. En ik onttrek me daar niet aan. Niet lachen omdat het niet hoort, dat zou pas discriminatie zijn.

Het is zondag. Eindelijk is er een plaatsje vrij in 'Les Intouchables'. Wat een film! Wat een plot! Een zwarte man uit een achterstandswijk wordt de verzorger van een puissant rijke man, verlamd vanaf z'n kin. Alleen mobiel via de mondbediening en z'n elektrische rolstoel.
- "Zou je deze man wel aannemen, dat soort kent geen medelijden".
- "Dat is precies wat ik wil: "geen medelijden"".

Als de verzorger een nieuwe vriendin voor zijn broodheer zoekt, eist hij dat die een foto zal vragen.
- "Misschien lijkt ze wel op een trol".
- "Misschien is ze wel gehandicapt!".
- "Vergeet niet te vragen hoeveel ze weegt".

Nee als je door een bankje zakt word je uitgelachen. Moet je maar niet zo dik worden. Of het kan je niet schelen. Je bent intouchable. Het zal je gebeuren dat je niet wordt uitgelachen, dat is pas erg. Discriminatie!

zondag 3 juni 2012

Ongeremd schrijven

Mijn bloggen zit in het slop. Niet omdat ik geen ideeën heb. Die zijn er genoeg. Ik durf ze alleen niet op te schrijven. Ik loop tegen gedachten van anderen aan, waaraan ik merk dat ik meteen en zonder aarzeling precies het omgekeerde vind. En schrijven gaat alleen goed als je ongeremd kunt schrijven. Zonder gene. Zonder jezelf geweld aan te doen. Zonder te sparen.

Iemand vind dat Halbe Zijlstra subsidie moet geven voor de oude kerken in de provincie Friesland. Prima. Maar waarom geld geven voor het huis van iemand die niet bestaat en waar niemand meer iets van wil weten? Maar er zijn andere opvattingen mogelijk en ook te onderbouwen.

Iemand vind dat iemand anders te dik is, maar als hij dat zegt is de bejegende persoon boos. Dat is niet aardig! Dat zou hij niet moeten zeggen, anders kom ik niet meer op visite. Zelfs al vind ik zelf ook dat ik te dik ben!

Ik vind dat je moet trainen tijdens de looptraining en niet moet rondleuteren. Waarom kom ik anders trainen? Maar als ik dat zeg is de trainer boos. We doen het met plezier. Ik word moe met plezier.

Iemand is prins en gaat buiten de piste skiën. De natie rouwt en ik denk: eigen schuld.
Maar er zijn andere opvattingen mogelijk en ook te onderbouwen.

Er staat een condoleanceregister op internet. Voor Hans Kreijns, een groot bridger. Er is een link naar de rauwkaart. Zijn ze gek geworden? Met een a!! echt waar.

Ik ga met een groep aan een hardloopwedstrijd mee doen. Ze blijken na afloop een rondwandeling met gids te hebben georganiseerd. Ik haat wandelingen met een gids. Iedereen weet dat, want ik ben niet op mijn mondje gevallen. Maar voor de organisatoren is dat niet leuk. Moet ik het daarom niet vinden?

De werkelijkheid is gekker dan de meest chagrijnige blogger kan schrijven. dus houdt hij beter z'n mond. Laten we niet al te eerlijk zijn! Maar er zijn andere opvattingen mogelijk en ook te onderbouwen.

zaterdag 14 april 2012

De zaterdagkrant

Als ik naar beneden kom steekt de zaterdagkrant uit de brievenbus. Of in de brievenbus. Een dik pak lokkende verrassingen, uiteen gelegd in katernen en een glossy magazine. Het is maar goed dat ik vroeg ben opgestaan. Ik leg het katern 'Boeken' bovenop op de keukentafel, met daar onder het katern met de voorpagina. Dan 'Het Vervolg', wetenschap en dan nog het reizen. Ik vouw het boekendeel open en scheur de pagina met de puzzels er uit. Sinds de denksporten in het boekenkatern zitten, een vast terugkerend zaterdags ritueel. Want naast de puzzels zitten de schaak-dam- en bridgerubriek, die ik als eerste zal gaan lezen. Mijn vrouw zal zich zo meteen , nadat ze haar ontbijt heeft klaar gemaakt, op de puzzel storten. Dat wil zeggen op de schuine Sudoku van Jan Meulendijks. Ik wil niet dat zij er last heeft dat het katern bezet is. Of dat ik gestoord wordt tijdens het lezen ervan. Zorgvuldig controleer ik of ik eventueel geïnteresseerd zou zijn in de pagina op de achterkant van de puzzels. Maar dat is gelukkig nooit het geval.

Even leg ik dit lokkende perspectief van schaken en boeken terzijde, om uit het katern met de voorpagina, het kunstkatern te pellen. En daarna uit het kunstkatern het sportkatern. Even verlekker ik mij aan wat mij daar straks staat te wachten. Maar ik ben sterk en leg de gevonden katernen in de volgorde sport, voorpagina en kunst onder de boekenbijlage. Dan smeer ik een boterham.

Ik lees over Nederlandse schakers in den vreemde. Ik lees over de briljante bridger Hans Kreijns, die deze week is overleden. En ik lees de damrubriek, al snap ik niets van dammen. Alleen al het feit dat een briljante geest als Ton Sijbrands de rubriek schrijft maakt dat ik me niet voor kan stellen dat er Volkskrantlezers zouden kunnen zijn, die de damrubriek overslaan. Een sport die zich noteert als 44-40!! 25-30; 24x35 13-19 moet mistieke kanten hebben. Hoe mooi kan dammen zijn. Het lezen van zijn analyses van partijen van de grootsten der dam-aarde, doet je beseffen dat hij zelf nog steeds de grootste moet zijn. Al is het maaromdat hij bij een stelling na 19 (!) zetten constateert: "Bodanikov kan niet op zijn theoretische kennis terug vallen, omdat deze precieze stelling zich nog nooit eerder heeft voorgedaan".
Wat een merkwaardig gevoel moet dat zijn voor de praktiserende dammer: alles wat in de damwereld gebeurt, wordt gemeten langs de Sijbrandsmeetlat. Niet uit ijdelheid, maar omdat hij het 'toevallig' weet.

Ik blader verder. Hoop op recensies van filosofieboeken, want fictie lees ik niet meer. De pas verschenen non-fictie is teleurstellend deze week. Daarentegen zijn er diverse koppen die intrigeren:
- Het machteloze zwijgen van de therapeut
"In het najaar van 1945 komt de Joodse Esra met bange wijd open gesperde ogen bij Hans Keilsen om onderzocht te worden vanwege zijn angsten. Zijn gekweldheid en zijn neiging anderen te kwellen. Keilsen heeft ervaring met kinderen die ondergedoken hebben gezeten, maar zag nog nooit eerder een kind dat een concentratiekamp overleefde".

Een voor mij volstrekt nieuwe thematiek uit de oorlog. Therapie van een 12-jarige overlever van een concentratiekamp, en dat in 1945. Dat wil ik meteen lezen.

- Ik ga me tot één onderwerp beperken.
Voor de tweede keer in één week word ik geconfronteerd met A.L. Snijders, de uitvinder van het ZKV, het Zeer Korte Verhaal. Wat trouwens veel korter klinkt dan de verhalen in werkelijkheid zijn. Ik ken A.L. Snijders. Hij leest altijd een ZKV voor op radio 4, iedere vrijdag, of iedere dinsdag, dat is pas geleden gewisseld. Daarvoor had ik nog nooit van A.L. Snijders gehoord. Eerst vond ik het niks. Maar langzaam werd het leuker. En zeker nu ik begin deze week A.L. Snijders voor het eerst heb gezien (op TV) ben ik bijna fan. Ik leef al een week met de gedachte een ZKV te schrijven over A.L. Snijders. Ik heb ook al een zin bedacht voor dat verhaal:
"Ik worstel nog met de gedachte of ik A.L. Snijders in mijn verhaal één van zijn eigen korte verhalen moet laten voorlezen, of eentje, die ik voor hem heb bedacht". Ik ga het verhaal iets met 'Droste' noemen. Vanwege het effect. Een kort verhaal over een kort verhaal door iemand die korte verhalen schrijft.

- Zullen we neuken vraagt oma
Ik lees het verhaal dat er onder staat niet eens. Al scan ik wel het artikel, dat lijkt te gaan over op zich interessante verhalenvertellers. En de naam van mijn held JJ Voskuil komt in het artikel voor. Het helpt niet. Ik blader verder. En pak het sportkatern. Zo meteen ga ik, net als iedere zaterdag, hardlopen. Ik lees het artikel over Koen Raaijmakers, die met heel veel trainen zijn looptechniek zo heeft verbeterd dat hij hoopt de marathon 70 seconden sneller te kunnen lopen. Zeventig seconden verdeeld over 42 kilometer, dat is volgens mij minder dan 2 seconden per kilometer. Mag je nog blij zijn dat een marathon vrij ver is.

Na het hardlopen fiets ik naar het dorp om een kadootje te kopen voor een collega, die afscheid neemt. In de boekwinkel natuurlijk, het kadootje, niet het afscheid. Al dralend en dwalend stuit ik op: Liever Holland dan Heimwee. Van Hans Keilson. Een vage tinteling. Waar ken ik dat van? Door de achterflap herken ik mijn ochtendheld. Maar ik koop het boek niet. Al weet ik niet waarom.
Martin Bril lacht me toe: Heimwee naar Nederland. Ik hou niet van Martin Bril. Toch blader ik even in het boek. Ik vind alleen de verhaaltjes leuk, van zijn observaties in Nederland. Het rondrijden langs Genemuiden en Ternaard en Zutphen. Plaatsen die ik ken; verhalen, die de schrijver met mij, en daardoor voor mij met de rest van de mensheid verbindt. Ik koop Martin.

Terug thuis blader ik in de krant. Nog één keer de boekenbijlage, voordat ik die definitief moet weg leggen. Uitgeperst en opgegeten. Arjan Peters: Om tien over half vier noteerde Martin Bril, ging het pannetje met hutspot de magnetron van de komeet in. Over 'Heimwee naar Nederland'.

De cirkel is rond. De zaterdagkrant is nog niet uit. Het geluk lacht me toe.

woensdag 21 maart 2012

Groene golf

Op weg naar Hoogeveen, via Ommen kom ik door Oudleusen. Een klein plaatsje in de schaduw van de doorgaande weg. Als je er langs snort kun je je bijna niet voorstellen dat er links van je enkele honderden mensen moeten wonen. Verscholen achter lommerrijke bomen en achter een grote kerk. Meer was Oudleusen ook niet: Een voetnoot langs de N340. Een stil bestaan in de palm van het Vechtdal.

Tot enkele maanden geleden. Toen is er in Oudleusen een stoplicht geplaatst! Ik weet wel dat je verkeerslicht moet zeggen, maar in de praktijk betekent dat, dat ik nu moet stoppen in Oudleusen als een locale bewoner zich buiten zijn reservaat begeeft. Als diens auto vanaf de parallelweg de Hessenweg op draait, moet de rest van mobielend en doorgaand Salland een pas op de plaats maken. Oudleusen eist zijn ruimte op! Ach, de vooruitgang eist zijn tol, ook in Oudleusen.

Het zou een druppel in de eeuwigheid zijn geweest als vorige week de zo ontstane, en voor een plattelander al  uiterst gecompliceerde verkeerssituatie in Oudleusen niet opnieuw was veranderd. Naderend vanuit de richting Dalfsen zie ik tot mijn grote verbazing een elektronisch groen oplichten, een volautomatisch aanschietend bord, waarop staat aangegeven dat ik mij in een zone bevind, waarin een groene golf van toepassing is. Een groene bewegende sinus ondersteunt dit bericht. Als ik niet te hard ga, zullen alle stoplichten op groen staan als ik er langs kom, hoe onmetelijk aantrekkelijk!

In mijn euforie vergeet ik heel even dat er in de verre omtrek maar één stoplicht te vinden is: het stoplicht dat ik op dit moment al kan zien en dat 50 meter voorbij het groene golf teken staat. Ik herken een 'rose legging'-moment *. Iemand in de gemeentelijk apparaat van de gemeente Dalfsen heeft in nauw overleg met de bewoners van Oudleusen ontdekt dat het handig zou zijn als je al 50 meter voor het stoplicht weet of je wel of niet zult moeten stoppen. Bovendien zal dit Oudleusen definitief op de kaart zetten, net als bijv. Maastricht waar het groene golftraject enorm gemak heeft gebracht aan passerende automobilisten.

Ik zoek naar een passende metafoor. Het is alsof twee elkaar één maal per jaar passerende handelaren in kamelen tot de conclusie komen dat op de plaats waar zij elkaar nu al drie jaar lang ontmoeten, op de derde maandag in mei, een rotonde moet worden aangelegd.  Of het is alsof .........

Nee geen enkele metafoor kan de werkelijkheid zelfs maar benaderen. Ik denk dat de beide koopmannen in de Sahara hun rotonde zullen aanleggen, en dat hun hoofdschuddende collega's , samen met de de koning van Egypte, Oudleusen als hun metafoor zullen gebruiken.

PS *. Een rose-leggingmoment: Een van Jan-Jaap van der Wal gepikte uitdrukking die mijs inziens opname in onze taal verdient, een beetje als de paarse krokodil. Ik parafraseer:
Het maakt mij niet uit dat een hele dikke vrouw op straat loopt in een kort rokje met een rose legging.
Ik vraag me alleen af: hoe gaat dat 's morgens vroeg?
Zo'n vrouw staat voor de spiegel en ziet al dat lillend vet.
En dan denkt ze: "vandaag echt een dag voor een rose legging".
Dat moment intrigeert me.

zaterdag 10 maart 2012

Friezen geven gas, begrepen!?

De perswereld is in de war. Een voetbaltrainer heeft een vierde official uitgescholden. Dat hoort niet. Zeker niet als die voetbaltrainer  in de eredivisie werkt. Nota bene bij de club die bijna bovenaan staat in de eredivisie. Wat denkt die trainer wel. Hij moet een voorbeeld zijn

Een voetbaltrainer is boos. Hij is van het veld gestuurd. Door de vierde official. Hoe onbelangrijk kun je zijn! Vierde! In de sport de meest uitgekotste plek die er is! Official: in de sport de plek voor iedereen die iets niet kan! Middenmoter zonder zelfkennis!

De vierde official voelt zich belangrijk. Hij moet in de gaten houden of de trainer tussen de lijntjes blijft. Hij oefent vaak met z'n zoontje van drie op het treinstation. Die mag dan vrij rond lopen, maar tot aan de streep. Want nog verder is gevaarlijk. Dan kun je zomaar worden mee gezogen door een trein.

De wedstrijd loopt niet naar wens. De trainer schreeuwt. De vierde official vindt dat eng. Z'n zoontje schreeuwt soms ook. Hij loopt naar de trainer.
- 'Trainer niet zo schreeuwen'.
Maar de trainer hoort het niet, die let op het veld.
- 'Trainer niet zo schreeuwen'.
De trainer kijkt naar de vierde official. Hij gaat rechter op staan. Z'n lichaam is groot en sterk. De vierde official is bang. Bang dat hij onder de trein zal komen.

De scheidsrechter hoort iemand in z'n oor roepen. Iemand in doodsnood. Het moet een official zijn (de vierde waarschijnlijk), want anderen kunnen hem niet bereiken. Keepers die in elkaar getrapt worden mogen geen zendapparatuur hebben. De scheidsrechter rent naar de kant, naar de man in doodsnood.
'"Hij duwde mij!".
"Je liegt!"
"Nietus!".
"Wellus".

Er is een man in een auto. Er staat een bordje: Leeuwarden rechtsaf. Omdat de chauffeur z'n doel in Leeuwarden zoekt, slaat hij rechtsaf. Maar de straat loopt dood. Erg dood. Een blinde muur doemt op. Fout bordje. Foute bocht. Te vroeg afgeslagen. Toch geeft de man gas. Hij is Fries. Misschien gaat de muur wel aan de kant.

De trainer zit op de tribune. Stuurs kijkt hij voor zich uit. Hij is verongelijkt, boos, machteloos, aangetast in z'n eer. Maar bovenal teleurgesteld, teleurgesteld in het falen van het recht. Omdat de waarheid niet is vastgesteld. Soms is er maar één waarheid, zoals hier. Er is niet geduwd. Het is niet waar. De vierde official liegt! Nooit zal de trainer genoegen nemen met deze belachelijke onrechtvaardige behandeling! Daarom geeft hij gas.

Zoals het een Fries betaamt. Thuis begrijpen ze dat.

zondag 12 februari 2012

Hegel in Dalfsen: Kunst voor gevorderden?

Ik ben met Hegel naar de kunst gelopen. Hegel is een groot denker. Het is jammer dat niet iedereen Hegel kan begrijpen. Het zou de moeite waard zijn om naast ieder kunstwerk een bordje te zetten met een kleine Hegeliaanse uitleg.

Hegel is van de botsingen. Dialectiek heet dat: Alles ontstaat uit het voorgaande. Tegenstellingen houden de wereld op gang. Het tegenovergestelde van 'zijn' is 'niet zijn'. Van niet zijn naar zijn, dat heet 'worden'. In worden zijn 'Zijn' en 'niet zijn' verenigd. Tussen 'idee' en 'wereld' is in 'worden' geen onderscheid.

Wat is de tegenstelling van subject? Van de individuele mens (het subject), die in zijn eentje aan bijv. een kunstwerk werkt?  Het is het object. Iets wat achterblijft. Het kunstwerk dat een eigen leven gaat leiden. In dat object wordt het idee van het subject tot  'gestolde geest'. Een gezin, een staat, de geschiedenis, het zijn andere voorbeelden van 'gestolde geest'.

Individuen zijn, als je zo door denkt, instrumenten van een collectieve geest. Hegel noemt dat "De objectieve geest". De tijdgeest zouden wij misschien zeggen. Kunstenaars zijn instrumenten van de tijdgeest. Als Michelangelo niet had bestaan, dan had iemand anders wel de renaissance vorm gegeven. Want die zat er aan te komen. Kunst-stromingen zijn het resultaat van de tijdgeest. Kunstwerken die belangrijk en historisch noodzakelijk zijn, leiden een eigen leven, als representant van de objectieve geest. Los van de maker, die het werk misschien wel anders bedoeld had.


Zodra een kunstwerk onderwerp wordt van filosofische reflectie, fungeert het als instrument van een hogere bewustwording, die Hegel de 'Absolute geest' noemt. In het denken over de kunst komt het tot verzoening tussen subject en object. De geest keert naar zichzelf terug: ontstaan vanuit de geest, vorm van de geest, Gestolde Geest. Kunst is het 'zintuiglijke schijnen' van 'het idee'. Kunst spreekt ons aan. Letterlijk in de zin van: zegt iets tegen ons. Het gaat niet om de weergave, om de gelijkenis, het gaat om de mate waarin 'het idee' ons bereikt.

Daarom is natuur zelf nooit kunst, hoe mooi ook. De weergave ervan brengt subject en object bij elkaar. Idee en object worden één. De weergave door de kunstenaar (het subject) is altijd de weergave vanuit een idee, een vorm van waarneming. Daarom past er kunst in ieder landschap, zodat paard en volk met elkaar zijn verbonden.

Kunst is dialectiek in zichzelf. Een vormgeving ontstaat altijd vanuit een eigen historische context. Waarvan kennis onderdeel is. Kennis over kunst beïnvloed het maken van kunst. Kunst ontwikkelt zich op basis van het voorgaande. Dialectiek. Kunst is kunst, doordat het een reactie vertegenwoordigt.

Hegel is nog niet tevreden. Hij vindt dat je kunstwerken moet kunnen voelen. Dat het gevoel van het werk er moet zijn zonder dat het object daarvoor nodig is.Dat kunst wordt tot een een religieuze ervaring.
Daarom is religie (niet godsdienst!) volgens Hegel een hogere vorm van Absolute Geest. Object en subject worden op gevoelsniveau geïntegreerd.

Maar de hoogste vorm van absolute geest is filosofie! Als de geest zich bewust is van de integratie van subject en object, iets wat kan ontstaan d.m.v. reflectie, dan is de hoogste staat van bestaan bereikt. Dat gebeurt in de filosofie!

Daar kan Dalfsen nav dit kunstwerk nu naar op weg!

donderdag 2 februari 2012

Maar is het kunst, daar in Dalfsen?

Uit de verte zijn het twee steigerende paarden, of lijkt het een landbouwmachine. Maar het is kunst. Dat weet je als je er voor staat: het dient nergens toe, het is gekleurd en het stelt niets concreets voor. Dan weet je als burger zonder opleiding: dit is kunst. Als het later wordt opgenomen in de 'kunstroute' weet je het zeker. Dan kun je het ook zeggen: "zie je wel, kunst!"

Als je je er wat verder in verdiept kom je meer aan de weet: Er is ruzie over gemaakt. Iemand heeft besloten dat er ergens in het landschap een kunstwerk moet komen. De gemeente of zo. Of een actieve groep burgers met hart voor de zaak. Hart voor de gemeente. Hart voor de andere burgers, die nog niets van kunst weten. Mensen, die iedereen graag in aanraking willen brengen met Kunst. Of willen confronteren met kunst. Die hun medemens willen opstoten in de vaart der volkeren. Willen bijdragen aan hun ontwikkeling. Want Pierre Bourdieu toonde al aan, dat kunstwaardering een sociologische component heeft: hoe lager iemands sociale status, hoe duidelijker het moet zijn wat een kunstwerk voorstelt.

Maar er zijn mensen tegen. Want er zijn altijd mensen tegen. Niet tegen kunst, want niemand is tegen kunst. Nee, de tegenstanders zijn tegen die rommel, die anderen kunst noémen. Terwijl het helemaal geen kunst ís! Want zeggen ze: ik kan zoiets ook maken. En het stelt niks voor. Of, zoals Guus Kuijer ooit optekende uit de mond van een man die in een museum naar een schilderij stond te kijken: Dat kan mijn dochter van drie ook! Een blijk van minachting, zo bleek, en daarmee de titel van Kuijers latere boek: "Het geminachte kind".

Praten helpt. Er blijken duizenden argumenten te bestaan waarom iets kunst is.

Het moet iets voorstellen.
Het moet de uitdrukking zijn van gevoelens van de kunstenaar.
Het moet mooi zijn.
Het moet vernieuwend zijn.
Het moet mensen uit hun evenwicht brengen.
Het mag geen landschap zijn.

Daarmee blijken de deelnemers aan de discussie zes kunstfilosofische stromingen te vertegenwoordigen. Vertegenwoordigd door Plato, Kant, Hegel, Tolstoi en andere grootheden. Maar ze weten dat niet. Ze praten over kunst en vinden er iets van. En daarmee wordt het op zichzelf al weer kunst. Tenminste, volgens al weer een andere stroming.

En ik? Ik vind het mooi. Landbouwmachinekleuren, in de vorm van abstracte paarden, die de plattelandsgemeenschap verbinden met de natuur. Passend bij een dorp waarin natuur, arbeid, inkomen en cultuur nauw verbonden en van elkaar afhankelijk zijn. Ik blijk een symbolist. Nog een stroming.

- "Natuur zo mooi als in Dalfsen heeft geen kunstwerk nodig", werpt de buurman tegen.
- "Dalfsen wel" zeg ik, "want iedereen is nu kunstfilosoof. En dat is goed voor de vaart der volkeren".

Binnenkort de Overijsselse kunstroute. Ik hoop dat iedereen mee doet.



dinsdag 31 januari 2012

Vrij!

Een crimineel is vrijgelaten. Dat is een goede zaak. We gaan zorgvuldig met onze criminelen om. Daar hoort vrijlaten ook bij. Meestal. Als ze geen levenslang hebben gekregen. En als ze geen levenslang hebben, horen ze te worden vrijgelaten. Want dan hebben ze hun straf uitgezeten. Zo denken wij!

Waarom zetten we eigenlijk mensen gevangen?  Wat is de gedachte achter ons rechtssysteem? Op TV zie ik mannen in oranje pakken met handboeien om en ijzeren kettingen tussen de enkels. Ze kunnen maar kleine stapjes zetten. Dat is omdat het criminelen zijn natuurlijk. Anders lopen ze weg. En dat willen we niet.
Ik zie dat ze de mannen in oranje pakken in een kooi stoppen. Misschien zijn het recente afstammelingen van apen. Recente primaten. Gevonden in een ghetto. Een pas ontdekt primatenghetto. Geen mensen, dat is zeker. Ik kan het niet aan zien.

Gelukkig blijken die mannen in Amerika in de gevangenis te zitten. Ik heb met ze te doen. Ik kijk de andere kant uit. Want wij denken anders. Die mannen in oranje pakken hebben trouwens levenslang. Ook als ze onverhoopt vrij mochten komen. Want dan krijgt de hele buurt een briefje in de bus met daarop een grijnzende boeventronie en het strafblad. Want hij zal zeker opnieuw in de fout gaan. Misselijk vinden wij dat stigmatiseren. In ons rechtssysteem. Wij zijn beschaafd.

Wij weten wel beter. Als een crimineel vrij komt hebben wij hem heropgevoed. Dat is namelijk één van de functies van onze gevangenissen. Daarom behandelen wij gevangenen ook alsof het mensen zijn. En niet als  dieren. Terwijl ze worden heropgevoed beschermen wij onze maatschappij tegen deze doerakken. De tweede functie van ons rechtssysteem. En als ze straks zijn heropgevoed, kunnen ze de vrijheid aan. En is onze wraak voorbij. We spreken liever van vergelding. Dat is beschaafder. De drieslag is compleet. Maatschappij beschermen, vergelding als wraak, heropvoeden. Daarna krijgen ze een nieuwe kans.

Soms. Of zijn we van mening veranderd?

maandag 16 januari 2012

Dode dingen

Als ik een nieuw pak crackers open maak ontwaar ik binnen plotseling een lichte paniek. De crackers zitten stijf vast in het pak en ik ben maar van plan er één op te eten. Ik weet nog niet welke. Plotseling vraag ik me af, of er ik het pak crackers nu ook collectieve paniek is uitgebroken. Of ze rillen van spanning.
- Ben ik het?
- Ben ik aan de beurt?
- Zou hij mij kiezen?
Voor één van de crackers is het bestaan zo meteen voorbij. Weldra zal zij vermalen worden tussen mijn kaken, na te zijn ingesmeerd met een beetje boter en smeerkaas. Wat trouwens een smerige combinatie is volgens mijn levenspartner. En volstrekt overbodig.
Ik kan ook kiezen voor de combinatie van dezelfde boter met een plakje magere achterham, maar een einde wordt het. De crackerhemel of -hel is nabij. Wat voor mensen niet bestaat kan best mee een materiële configuratie hebben. Meedingen in de letterlijke zin van het woord. Hebben dingen geen gevoel?

Als ik een nieuw pak koffiepads open maak, en die in de guitig versierde rood met zwarte koffiebus doe, blijkt er nog één achtergebleven pad van het vorige pak in te zitten. Op het moment dat het bijkeukenlicht op zijn bolle kopje valt vraagt hij zich af:
- Is het ook voor mij nu voorbij? Lonkt de pads-hel? Is de verdrinkingsdood echt het einde?
Ik weet niet of hij hoopt dat ik hem nu ook in het apparaat klem om na een persdouche het eeuwige koffiepadleven in de vuilnisbak te ondergaan, of dat hij hoopt dat ik de nieuwe pads op zijn kop zal kieperen, zodat hij minstens nog één cyclus mee gaat. Waarom zouden dooie dingen geen leven hebben?

In mijn auto ligt al maanden een pasje, waarmee ik de slagboom van het werk open. Hoe hard ik ook rijd of door bochten scheur, hij blijft daar rustig liggen. Bleef daar rustig liggen. Tot gisteren. In een op zich onbetekenend curfje van een graad of 30 dook hij plotseling in het vooronder, richting de pedalen. En nu is hij niet meer te houden. Ieder hobbeltje of bochtje is aanleiding de enorme lege ruimtes rondom te zoeken. Nu hij weet dat het kan.

Ik weet dat Rupert Sheldrake de morfogenetische velden bedacht heeft, voor de koolmezen in Japan, die zonder enig aantoonbaar contact de Engelse soortgenoten nabootsten in het openen van eerder volkomen onbedreigde melkflessen met papieren doppen. Hebben pasjes, crackers en koffiepads ook spirituele contacten met soortgenoten of zelfs cross-genderiaanse esoterische contacten?

Ik weet het niet. Maar het openen van een pak koffiepads of crackers is zo wel een spannende en levensverrijkende ervaring. Ik ben geen vegetariër. Ik denk dat ik ga leven zonder dingen die samen in een pak zitten. Voor de zekerheid.

Ik word boksielist. Vanaf nu het vegetarische woord voor een dingenloos leven!

donderdag 5 januari 2012

Depressie

Na de euforie komt de depressie. Het citaat van Egel uit mijn vorige blog bewijst dat. Trouwens, de gedachte die Toon egel in de mond legt was ook al niet origineel. Die had ik ook al wel eens gedacht of gelezen. En daarna geïncorporeerd als mijn eigen idee, wat weer verklaarbaar is vanuit de psychologie en onderzocht door Douwe Draaisma. Ik heb zelfs in zijn 'vergeetboek' een bladwijzer op pagina 104 over onbewust plagiaat. 'Cryptomnesie' heet het dan. Hilarisch beschreven trouwens.

Niets is de moeite waard. Nadenken en lezen al zeker niet. Als je je al uniek wilt voelen, moet je dat zeker niet proberen door een mening te ontwikkelen. Alles wat ik vind is al gevonden of kan ik al ergens vinden. Elke keer als ik een boek lees kom ik wel een deel van mijn mening tegen. Over alles wat ik vind bestaan al duizenden pagina's. Waarom nog bloggen?

En zeg wat je vindt maar eens kort en aansprekend. Ik voel een enorme machteloze woede als ik niet in twee zinnen kan overbrengen wat ik vind. Het is frustrerend en onredelijk dat alle in mijn hoofd aanwezige argumenten niet meteen mee komen in de tekst, die door mijn mond  naar buiten komt. Sterker nog: het is enorm stom, dat mensen niet begrijpen wat ik bedoel, nog voordat ik ben begonnen met praten. Ik ben al moe voordat ik mijn mond open doe. Om het nog één keer uit te leggen. En van die moeheid word ik boos.

Bij de eerste voorzichtige tegenwerpingen weet ik al dat ik niet meteen uit mijn geheugen de relevante gelezen passages zal kunnen opdiepen, hetgeen ik ervaar als het bewijs dat ik e.e.a. nog niet helemaal heb doorleefd, wat weer en bewijs is voor mijn voortdurende en herhaalde falen, wat weer leidt tot enorme zelfhaat en depressie. Ook al omdat ik weet hoe buitengewoon onredelijk mijn eigen gevoelens en gedachten zijn. Wat trouwens weer een reden is om te zwijgen en het maar niet meer te proberen.

Om de wereld te verbeteren moet je
- een denkproces doormaken
- kennis en argumenten paraat hebben
- tegenargumenten voorzien
- de duur van de discussie, die je bij voorbaat tegenstaat en verveelt, inschatten
- omgaan met de ergernis aan en over jezelf, omdat je weet dat je opnieuw niets gaat bijdragen aan de wereld.

Het is allemaal zo dodelijk vermoeiend, dat de meeste mensen er maar niet aan beginnen. Ik ook niet?

maandag 2 januari 2012

Zelfingenomen gelukkig.

Oudejaarsdag. Tijd om goede voornemens te evalueren. "Dat zouden meer mensen moeten doen", zo'n reclamezinnetje dat blijft hangen. Voor mij gemakkelijk. Ik had er geen.

Het is zaterdag. In de achterliggende maanden ben ik 21 kilo afgevallen. Dat was ik op 1 januari nog niet van plan, maar plotseling leek het moment geschikt. Ik meen op 6 oktober. Altijd een mooie datum. Vijf oktober had ik nog een etentje, dus dat was duidelijk te vroeg. Ik ben tevreden.

Om 10 uur doe ik mee aan een spinningles. Niet om af te vallen, maar omdat je toch iets aan sport moet doen, nu hardlopen niet meer gaat. We spinnen op de top 11 van de top 2000. Zonder commentaar er tussendoor. Ideetje ook voor de radio? Ik kan de hele les het moordende tempo bij houden. Ik ben trots.

Om 12 uur lees ik een boek. Of eigenlijk meerdere boeken tegelijk. Ik deel mijn geluk met de sprinkhaan. En met Toon Tellegen. Na ieder verhaaltje wil ik stoppen. In gelukzaligheid. Soms sta ik mezelf toe om even weg te dommelen, omdat dan het verhaal misschien mijn onbewuste binnen dringt. En omdat het volgende verhaal niet nog beter kan zijn. Of toch wel? Ik ben gelukkig.

Om 4 uur haal ik witlof bij de kruidenier. In de auto heb ik tijd om even niet naar de top 2000 te luisteren. Een CD met de pianoconcerten van Giovanni Paisiello (1740-1816) is zo prachtig, dat ik bijna tegen een boom droom. Maar ik houd me staande. Ik had nog nooit van Paisiello gehoord, maar gelukkig mijn cosmeticakruidenier wel. Die stelt hem beschikbaar voor € 2,99. Ik ben tevreden.

Om 6 uur word ik uitgenodigd om oudejaarsavond ergens een glaasje te komen drinken. Tot die tijd met een boekje in een hoekje. Daar zit ook Toon Tellegen. Daar ligt "Speel ik met mijn kat of zij met mij?" , Saul Framptons prachtige boek over mijn held Michel Montaigne. En ook Bill Bryson vraagt nog aandacht. En het filosofiemagazine over helden. En Beethoven is dood terwijl er zoveel idioten leven. Het is warm, de regen tikt op de glazen koepel, het leven is goed voor mij.

Zoveel geluk moet je delen. Toon moet je voorlezen! Iedereen moet het horen! Ik moet bloggen! Een onmogelijke opgave dringt zich op. Zelfingenomenheid glijdt tussen de regels door. Het leven is prachtig! Vertel het aan niemand!

Weet je, zei de egel, ik ben nu tevreden. Heel tevreden.
Maar altijd als ik tevreden ben, ben ik ook verdrietig. Nu dus ook.
Ik vind dat zo raar. Hoe tevredener, hoe verdrietiger.
Soms denk ik: was ik maar nooit tevreden, dan was ik ook nooit verdrietig. 
Dan wou ik dat ik niks was. Niet tevreden. Niet ontevreden. Niet verdrietig. Niks
Hoe kan dat?
Ik weet het niet zei sprinkhaan.

Uit: Het geluk van de sprinkhaan. Toon Tellegen, 2011.

http://middenmoterroerselen.blogspot.com/2011/05/top-21.html