dinsdag 28 december 2010

Kerstvakantie

Als je zelf even stil staat, komen de indrukken voorbij. Net als de kou en de relieken van de kou. De sneeuw, de handschoenen, het witte licht. De wereld dringt zich op. Niet rennen dus, maar kijken. Je open stellen. Beschikbaar zijn zonder iets te doen. Zomaar. Even en als je het aan kunt.
Ik zie Witteman en Herman Finkers. Finkers met z'n eigen kapel. Finkers van het 'Kraomschudden in Mariaparochie'. Buiten tiert de vrede welig. Liever dan geluk. Daniël Lohues. Finkers, die in de tuin de urn van Willem Wilmink heeft begraven, onder een wat verweerde steen.

Ik lees de eerste veertig pagina's van de Utopie van de vrije markt. Hans Achterhuis bespreekt de ideologie die de Amerijkanen verenigt. Die rare Amerikanen, waarvan we denken dat ze dicht bij ons staan qua cultuur, maar die in hun afkeer van een redelijke ziektekostenverzekering, hun bizarre en strenge rechtsysteem en hun drang tot wapenbezit zo vreselijk ver van ons weg staan. Hoe komt dat toch? Ik leer Ayn Rand kennen, de moeder van deze ideologie.

Dan moet ik even naar Ootmarsum op familiebezoek, het Ootmarsum waar Ton Schulten zijn kunst heeft omgezet in commercie, en daarmee Ayn Rand, de huidige politiek en Willem Wilmink aan elkaar verbindt. En dan is het avond.

Ik had nog nooit van hem gehoord: Antanas Mockus. Ik zit met open mond te kijken als hij z'n bijzondere ideeën uiteen zet tegenover Raoul Heertje. Mockus, voormalig burgemeester van Bogota, man met hele bijzondere oplossingen. Man die echt out of the box kan denken.

Mijn bloed ruist en mijn hart is vol dus loopt mijn mond over van Antanus Mockus.

Ik vraag me af wat een mens aan kan. Hoeveel indrukken. Ik kom weer bij Joke Hermsen terecht en pleit voor een langzame toekomst. Want ik heb minstens twee weken nodig om al deze indrukken te verwerken en te delen. Om het gelukzalige van deze ervaringen in mijn lichaam op te nemen. En ik ben nog lang niet klaar.

donderdag 23 december 2010

Friesepaardenpink

Op het immense podium van de schouwburg staat alleen een vleugel. De koliezen zijn van hout en saai en eenvormig. De zaal van de Spiegel in Zwolle is slechts half vol. In mijn beleving zijn er nog minder mensen dan er plaatsen op de reserveringspagina van het theater waren uitgegeven. De meeste mensen zijn bangschijters. Lijdend onder hun vrees voor gladheid. Ik voel me ontheemd in de te grote lege ruimte.

Als Anna binnen komt ziet ze er breekbaar, verlegen en onwennig uit. Een lange, rood met antracieten avondjurk is passend. Blote schouders. Haar hooggehakte schoenen in bijpassend antraciet. Net zo oud als mijn dochter is ze. Mijn dochter, die ook ooit pianoles had. Maar geen ouders die beiden concertpianist waren.

Dan gaat ze zitten en sluit de omgeving buiten. Als ze begint te spelen blijft het ontheemde gevoel nog heel even bestaan. Dan komt de piano steeds dichter bij en vergeet ik waar ik ben. In volle concentratie speelt ze alsof haar leven ervan af hangt. Soms onderbreekt ze haar recital om welwillend een applaus in ontvangst te nemen. Maar ze laat het nooit lang duren. Het liefst gaat ze zo snel mogelijk terug naar de veilige pianokruk.

Als ik naar haar handen kijk blijkt ze een razend tempo aan te houden. Maar het mooiste is haar pink, die veel weg heeft van een Fries paard. Steeds als hij even niet aan de beurt is springt hij spontaan in een vierkante ruststand, waarbij het middelste kootje de andere beide stukjes lijkt mee te trekken. Even later neemt het kleinood weer ongegeneerd deel aan het virtuoze vingerballet.

Eén toegift en dan is ze weg. Als ik m'n jas op haal staat ze al in de garderobe CD's te verkopen in een zwart buitenjack met bontkraag. Het podium moet koud zijn geweest.

Anna Feodorova. Onnavolgbaar. En vanaf nu het meisje met de Friesepaardenpink.

woensdag 15 december 2010

Montaigne aan het werk

De filosoof Michel de Montaigne leefde van 1533 tot 1592. Ik hoorde voor het eerst van hem toen ik deze zomer een licht leeswerkje had meegenomen op vakantie, als troost in een periode waarin ik me, werkgerelateerd, verre van optimaal voelde. Montaigne verscheen in "De troost van de filosofie", het genoemde lichte boekwerk van Alain de Botton, dat troost belooft voor impopulariteit, geldzorgen, frustratie, onmacht, liefdesverdriet, en andere niet bij name genoemde algemene moeilijkheden. Aangezien de mijne alleen in deze voorgaande opsomming al rijkelijk vertegenwoordigd waren, leek aanschaf ervan me, ondanks het tweede probleem, niet onverantwoord.

Montaigne is een wijs man, die je aan het denken zet. Zo gaat hij enorm te keer tegen mensen die schrijven over boeken van anderen. Ik ben klaar wakker! Toch is zijn eigen belangrijkste werk: 'Essays', een verzameling van zijn commentaren op uitspraken en teksten van anderen! Middenmoterroerselen heeft zo z'n basis in de filosofie gevonden!

Montaigne schrijft over zichzelf en zijn eigen ervaringen en gedachten, omdat in ieder leven interessante ideeën te vinden zijn. "Hoe bescheiden ons levensverhaal ook is, we kunnen er diepere inzichten uit putten dan uit welk oud boek dan ook".
Vanuit dat inzicht vertelt de Montaigne over z'n eigen leven en problemen. Hij is de eerste die schrijft over sexualiteit, z'n kleine penis, het verlies aan decorum tijdens de geslachtsdaad, de behoefte aan rust als hij op de WC zit, het belang van een regelmatige stoelgang.
Cabaretiers en schrijvers anno nu putten er nog steeds uit. Men leze bijv. het 'Dovemansorendieet' van Maarten 't Hart er nog maar eens op na.

Montaigne zegt ook belangwekkende dingen over onderwijs. Hij wenst een school, waar kinderen geen kennis wordt bijgebracht, maar wijsheid. Het examen zou gelardeerd moeten zij met vragen over liefde, sex, ziekte, dood, kinderen, geld en ambitie. De antwoorden zouden moeten getuigen van eigen inzichten en persoonlijke ontwikkeling.

Ik was Montaigne al weer bijna vergeten, toen ik vandaag het filosofiemagazine kocht. Negen pagina's zijn geweid aan de Montaigne! Als God knipoogt moet je wel omhoog kijken!
Morgen is er crisisberaad bij mijn werkgever. Enkele directeuren hebben wijze beslissingen genomen over de toekomst. Andere leidinggevenden praten ze na. Als buikspreekpoppen hun meester. Als filosofen de door hen gelezen boeken.

"Wij zijn het aan ons verplicht om goed te leven, om kalmte en rust te vinden bij de dingen die we doen. Een zinvol leven te leiden, als een meesterwerk waarop we troost kunnen zijn". Na afronding van de school van de Wijsheid, voeg ik er aan toe.

Ik hoop dat morgen blijkt dat de leidinggevenden tijd op die school hebben doorgebracht. Anders zit ik over enkele maanden zonder werk ben ik bang.

vrijdag 10 december 2010

De vader van Jezus

Het gaat goed met mijn godsdienstbetrokkenheid. D.w.z. die neem gestaag en onomkeerbaar af. Het is de enige verklaring voor het feit dat ik niet meteen de straat ben op gerend om de kennis te delen die ik al enkele maanden geleden haalde uit het boek van Paul Verhoeven over Jezus van Nazareth. Want wat blijkt? Jezus had gewoon een vader! Sterker nog: de naam van deze man is zelfs bekend!
Deze informatie is zo verbijsterend, zo wereldschokkend, zo onmeetbaar van belang, dat ik niet kan begrijpen dat dit niet algemeen bekend is. Dat Wikileaks dit is ontgaan! De belangen om dit niet bekend te laten worden moeten zo groot zijn, dat alleen al het opschrijven van deze informatie goed is voor doodsbedreigingen. De kinderen van Jezus uit de Da Vinci Code zijn een stofje in de marge van de geschiedenis, vergeleken bij dit plot! De theologe Jane Schaberg, die als eerste met deze informatie naar buiten trad in 1990 kreeg dan ook onmiddellijk een bombrief thuis gestuurd.

Het zit zo: Onmiddellijk na de dood van Herodes de Grote in 4 voor Christus, braken in Palestina allerlei opstanden uit tegen de Romeinen. Eén van de brandhaarden, aldus Verhoeven, was Sepphoris, zo'n 6 kilometer van Nazareth. De opstand werd neergeslagen door de Romeinen en Sepphoris werd in brand gestoken, de rebellen werden, bij honderden tegelijk, gekruisigd, en de bevolking werd afgevoerd.

Eén van de vrouwen, die tijdens de geweldadigheden werd verkracht, was Maria. Door een Romeinse soldaat met de naam Pantera. Hij behoorde tot een cohort boogschutters, dat vanuit het huidige Duitsland naar Sepphoris werd gestuurd. Hij keerde daar ook terug en werd daar begraven. Zijn graf werd in 1859 gevonden. Jezus was dus eigenlijk ook een Duitser!

Waarschijnljk wisten de mensen in Jezus' tijd van zijn betwiste achtergrond. Ondanks Jozef. In Johannes 8:41 staat te lezen dat de Farizeeën tegen Jezus zeggen:"Wij zijn geen bastaardkinderen!". Dat wijst er op dat er praatjes rond gingen dat Jezus een onecht kind was. Het kan ook heel goed verklaren waarom Jezus en de bijbel veel dames met een 'losse moraal' als heldinnen heeft, zoals Tamar, Rachab, Ruth en Batseba.

Jozef wordt zo een aardige man, die een verkrachte vrouw opvangt. Het nogal ideote verhaal over de maagdelijke bevalling uit de bijbel krijgt zo wel wat reliëf. Het is mooi literair werk van de schrijver om zich zo uit deze benarde situatie te redden. Natuurlijk is een kind uit verkrachting niet de ideale Messias voor een deel van de mensheid, hoewel het mij wel kan bekoren. Ik zou er bijna gelovig van worden.

Er staan nog veel meer onthullingen in Verhoevens boek. En je kunt het verhaal over Jezus' vader ook genuanceerder lezen. Hoe dan ook: voor ex-gereformeerden (of andere denominaties) met een godsdienstbelangstelling is het een niet te missen werk!

maandag 6 december 2010

Vergeetboek

In het weekend werd ik tot twee keer toe geconfronteerd met de dood. De eerste keer was toen ik in een opwelling het boek "Koning van de kist" van Pieter Jouke en Michiel Peereboom kocht van boekenbonnen, die ik nog had van een klant, die zo z'n waardering uitsprak voor mijn werk. Altijd prettig als je die van je baas niet krijgt. Het boek heeft als ondertitel 'een humoristische voorbereiding op het onvermijdelijke', een oproep, die ik goed kan gebruiken en bovendien altijd tot mijn repertoire heeft gehoord. Zwarte humor dicht bij de werkelijkheid. Grappen maken over de dood als hij niet al te dichtbij is. Want zodra dat het geval is, bij jezelf of iemand in de omgeving, vergaat je het lachen al weer snel om de één of andere reden.

De tweede keer was toen ik het laatste hoofdstuk las van het 'Vergeetboek' van Douwe Draaisma. Douwe is nog een jaargenoot van mij. Dat is een volstrekt onbelangrijk en irrelevant detail, maar op de één of andere manier straalt zijn roem daarmee weer op mij af. Ook al is hij mij waarschijnlijk al lang vergeten, aangenomen dat hij mij al ooit heeft gekend of herrinnerd. Want hoe kun je iets vergeten, wat je nooit hebt geweten of gekend?
Douwe schrijft over de periode zomer 1793 en zomer 1794, een periode waarin in Frankrijk 1370 mensen werden geëxecuteerd. Vlak voor de onthoofding mochten zij een afscheidsbrief schrijven aan hun dierbaren, een brief die daarna door de revolutionaire raad gelezen en gescreend op informatie, waarmee weer anderen konden worden onthoofd; en daarna opgeslagen in het gevangenisarchief. De brieven zijn dus nooit bij de dierbaren aangekomen. Het lezen van deze brieven moet een vreemde gewaarwording zijn. Het lezen van de citaten in het boek van Douwe is dat al.

In het hoofdstuk wordt ook een verbinding gemaakt met Marcel Proust, iemand die me onmiddelijk doet denken aan Gerrit Krol. Omdat ik op de middelbare school wel eens gedichten schreef, die mijn leraar Nederlands deden denken aan de Gerrit Krol, de Nederlandse Marcel Proust, vooral omdat het proza van Proust en Krol volgens diezelfde leraar volkomen onbegrijpeljk was, hetgeen weer weinig goeds beloofde voor het oordeel over mijn puberpoezie.
Ik verwar Gerrit Krol overigens steeds met Sybren Polet, die ik trouwens niet ken en waarvan ik nooit iets heb gelezen, maar die blijkbaar in hetzelfde namenlaadje in mijn geheugen zit als Krol. Dat namenlaadje is in mijn herinnering weer een uitvinding van taalpsycholoog Noam Chomsky, maar als je dat nazoekt blijkt daar weer niets van te kloppen.

Proust kwam ik trouwens het weekend ook tegen in het boek van Joke Hermsen, 'Stil de tijd', dat al een tijdje op mijn (niet Sinterklaasgerelateerde) verlanglijstje stond, en dat ik in dezelfde opwelling meenam als het dodenboek, van de andere helft van de boekenbonnen. 'A la recherche du temps perdu, een boek waarin voor het eerste de chronologie van het verhaal wordt verlaten, al kan ik dat natuurlijk niet controleren. Ik snap echter nu wel mijn Nederlandse leraar.

En al mijmerend kom je dan weer terug bij Douwe Draaisma en zijn prachtige boek, geschreven als professor in een vak, de geschiedenis van de psychologie, waar ik destijds een enorme hekel aan had omdat het zo saai was, en dat ik alleen maar heb gehaald doordat op de dag voor het tentamen plotseling alle vragen circuleerden, iets waar volgens mij na afloop nog wel onderzoek naar is gedaan, maar of ik dat tentamen later nog een keer heb moeten over doen, dat weet ik niet meer.

Misschien deed Douwe wel aan hetzelfde tentamen mee. En had hij het wel geleerd.
Ik kan niet in zijn schaduw staan.

maandag 29 november 2010

Voorschotbenadering

Ze zit naast de juf, d.w.z. er zit nog één jongetje tussen haar en de juf. Dan komt zij. Ondanks dat ze het kleinste stoeltje heeft kan ze net niet helemaal met de voeten bij de grond. Ze heeft een rose vestje aan. In haar nek hangt de capuchon. Blond en stil zit ze daar.

De juf herhaalt met de klas de letters die ze al kennen en wijst op de waslijn, waar de letters aan knijpers hangen. Een drukke gele vogel denkt dat hij de letters kent en de kinderen reageren ontzet:
- "neeee!".
De juf speelt met verve. De kinderen genieten en leren. De meeste van hen kennen de letters, zoveel is duidelijk. Ze oefenen samen de klankgebaren: de 'mmmm' met drie vingers bij de mond, de 'p' met een gebalde ploffende vuist.
Mijn rose prinses doet voorzichtig mee. Ze heeft geen enkel idee wat de letters kunnen zijn. Of waar de letters zijn. Maar ze let wel op. Ze wordt onder gedompeld in een voor haar nieuwe wereld en techniek. Vol verbazing aanschouwt ze deze wonderlijke wereld. Ook al is ze er nog niet aan toe, ze maakt het wel mee.

Vandaag las ik dat het 'voorschotbenadering' wordt genoemd.
Vanaf nu is zij mijn persoonlijk symbool van deze onderwijsleer.

zondag 14 november 2010

Rollatoronderneming


Als ik via de personeelsingang door de kelder het verpleegtehuis binnen kom, struikel ik over minstens 40 rollators. Allemaal bekostigd door de ziektekostenverzekering. De meeste hebben hun baasje slechts kort terzijde gestaan. Bij sommige hangt het prijsje er nog aan. Hennie van der Most zou z'n vingers af likken bij zoveel ondernemingskansen!

Veel van de familieleden van de overleden rollatorbezitters hebben de verzekeraar opgebeld, wat te doen met de rollator:

- "Wat wilt u dat we met de rollator doen?"
- "Hij is van u mevrouw".
- "Maar hij is nog goed en bijna niet gebruikt".
- "Misschien kun u hem later gebruiken".
- "Ik ben pas 34!"
- "Ze roesten nauwelijks hoor!"
De mevrouw aan de andere zijde van de telefoon moet lachen om haar eigen scherpzinnigheid.

Als je alle rollators die zo zijn opgeslagen in kelders van verpleegtehuizen, bejaardentehuizen en zolders van mantelzorgers, zou opkopen en voor het leven verhuren voor € 100.- per stuk (gratis vervanging als-ie kapot gaat, ook voor raggende bejaarden), zou je rijk kunnen worden. Maar dat gaat niet, want de concurrentie stelt ze gratis en spiksplinternieuw beschikbaar. In plaats van het bedrag voor de huur. Hennie schudt z'n wijze hoofd.

Nee ik snap het wel: We moeten allemaal bezuinigen, maar de rollator moet in het basis-verzekeringspakket blijven!

woensdag 10 november 2010

Realisme

Ik had nog nooit van hem gehoord: Jan Worst. Een Fries nog wel, landgenoot. Nuchter.

Ronddolend door de kunsthal in Rotterdam, sta ik plotseling oog in oog met zijn 'egoïst'. Ik weet niet wat te doen. Schaamte, woede, lachstuipen en bewondering vechten om voorrang. Wel ongeveer in deze volgorde.


Hoe maak je zoiets?
Hoe voel je zoiets?
Maar bovenal: Hoe laat je zoiets ooit weer los?
Hoe onthecht je van deze bevalling?

Het werk roept een onbeschrijfelijk gevoel op, een gevoel dat ik de afgelopen jaren vaker heb gehad. Ooit las ik 'Knielen op een bed violen'. Nou ja, niet helemaal, misschien de helft. Daarna kon ik niet meer verder. De eindeloze beknelling heeft me nog steeds niet los gelaten. Het medelijden met de moeder, de woede over de vader, het verdriet van de kinderen. Mijn eigen opvoeding. Alles komt in dat boek bij elkaar. Een emotiecocktail.

Ik had zo'n cocktail ook bij Terry Rodgers en zijn glamourschilderijen.

En nu is er Jan Worst. Dit schilderij is nog veel erger.

dinsdag 9 november 2010

Woede

Woede is een wervelwind,
ik voel mijn buik ontploffen.
Omdat ik de waarheid vind.

Ik boer van tegengas.

Uitgeraasd ben ik weer licht,
de vrijheid lonkt me aan.
Ik verlies wel mijn gezicht.

Het leven voor de boeg.

zondag 31 oktober 2010

Mulisch

Mulisch is dood. Het zat er aan te komen. Iederen wist het, maar niemand wilde het toegeven. Ik heb er een gemakkelijk verdiend punt mee gescoord. In het kerstspel. Het is zondag. Natuurlijk is het zondag. Ook in z'n dood is Mulisch groots. Zodat het journaal de hele dag helemaal aan hem gewijd kan worden. En zo hoort het ook.

Mulisch was een vriend van Donner. Mijn held. De man die overleed op de dag dat mijn zoon werd geboren. Die Donner was de hoofdpersoon in de ontdekking van de hemel. Stephen Fry, de vertolker van Donner, was de belichaming van de wereld, of beter het wereldbeeld, dat ik kende uit mijn jeugd.
Mulisch was gelieerd aan Cuba. Het socialistisch paradijs. De verbeterde versie van Rusland. Daar waar het wel goed zou gaan. Castro als voorvechter voor de armen. Tegen het analfabetisme. Samen met Che Guevara. Ikonen van een tijd. Was die Cubaconnectie een vergissing? Mulisch vond dat wel, maar had er geen spijt van. "Je moet niet spugen in de bron waaruit je hebt gedronken".

Mulisch was een ijdel mens. Of iemand die z'n eigen PR goed verzorgde. Iets waar Jan Cremer om werd geprezen. Op mijn middelbare school was er een vast verhaal over Mulisch. Zittend in de lobby van Krasnapolsky werd er ieder uur omgeroepen:
-"Telefoon voor de Heer Mulisch".
- "Dat ben ik"

Maar hij ging niet opnemen. Het was een door hem zelf geënsceneerd toneeltje. Een demonstratie van bewuste grootheid. En van sterfelijkheid.

dinsdag 26 oktober 2010

Mechanisch trauma

Ik ontmoet hem aan de bridgetafel. Een vrolijke dikkerd, met een praatje. Complementair aan z'n vrouw, die volstrekt stoïcijns blijft bij zijn grappen en grollen. Een voorbeeldig stel, gevormd door het leven en 40 jaar huwelijk.

Als na een 'rondpas' mijn partner mij in de gevonden tijd complimenteert met het verhaal van de mechanische hond, blijkt er een onvermoed trauma schuil te gaan in mijn tafelgenoot.
- "Mijn váder was bakker".
Dag in dag uit zeulde hij 200 kilo brood door Zutphen, ondanks zijn zwakke gezondheid. Na 20 jaar ging het niet meer.
- "Versleten tot op het staartbeen, jongeman".
Ik zie dat zijn omgevingsanalyse, ondanks mijn 53 jaar, scherp is.

En zo belandde vader in de WAO, die toen geen WAO heette en pure armoede beloofde.
-"Het was sappelen thuis".
-"En we werden uitgemaakt voor steuntrekkers".
Ik zie er blijkbaar niet rechts uit, of hij heeft daar lak aan, want hij vervolgd met:
-"Ik krijg nog elke dag jeuk van al die rechtse lui".

Thuis zittend werd vader gestalkd door iemand van 'de steunpolitie', door soms tot drie keer per dag te controleren of pa wel thuis was.
En toen kwam de eerste mechanische hond.
- "Ik was 18. Mijn vader zat te janken in de keuken".

Ik heb met terugwerkende kracht met hem te doen.
Z'n vrouw heeft het al eens eerder gehoord. Zij vertrekt geen spier.

maandag 25 oktober 2010

Gedenkteken


Op een stenen zuil midden in het bos staat:



Mevrouw U.M. Kneppelhout geb. van Braam


en


wijlen haren onvergetelijken echtgenoot


Het dankbare Oosterbeek

Zij wordt genoemd. Hij is slechts het 'onvergetelijken' aanhangsel. Hoe ongewoon!

Ook het lettertype van zijn anoniemen bestaan is veel kleiner dan dat van haar bijdrage. Het geheel doet vermoeden dat zij aanzienlijk meer aan de dankbaarheid van het Oosterbeekse volk heeft bijgedragen dan hij. Ook al omdat zij blijkbaar nog leeft en hij al 'wijlen' is.

Ik gun haar deze blijk van hulde, die ze ongetwijfeld verdient naast deze, in mijn gedachten nu al, grijze echtgenotelijke muis. Hoe onvergetelijk hij ook misschien was! Mijn fantasie ziet haar helemaal zitten.

Enig zoekwerk levert op dat zij Ursula heette en hij Jan. Hij schreef humoristische en moralistische verhalen. Voor zover dat samen kan gaan. Verder was hij aristocraat en filantroop, die kunstenaars ('behoeftig talent' (!)) kansen gaf, en een aanhanger van Thorbecke.

Over haar is bijna niets bekend. "Ursula van Braam overleed als weduwe op 18 mei 1919 op De Hemelsche Berg te Oosterbeek, een landgoed dat Johannes Kneppelhout in 1847 had gekocht en waar hij vanaf 1851 permanent woonde. Hij overleed in 1885 na een langdurig lijden", aldus Wikipedia.

Zoals meestal overstijgt fantasie de grauwe werkelijkheid.

zondag 3 oktober 2010

Bekentenis

Het is heel, heel heet. Het is mijn eerste dag als bakker. Ik ben 17 jaar en heb een vakantiebaantje, waar anderen van dromen. Met mijn mechanische hond langs de deuren in Leeuwarden. Hoge flats, het Cambuurstadion, de Bankastraat.

Als ik de Hertoginnelaan in rijdt is het één uur. De warmte trilt boven het asfalt. Ik moet in één van de flats zijn, al weet ik niet meer precies welke. Ik meen de tweede. Als ik langs de stoep stop,om op mijn lijstje met klanten te kijken, blijk ik het huisnummer al voorbij. Toch de eerste flat. Voorzichtig rijdt ik achteruit. En achteruit. En achteruit. Best lastig met zo'n hond, maar ik kan het wel. We hebben thuis een trekker, daar kan ik het ook mee. Vol zelfvertrouwen geef ik gas.

Plotseling gaat het niet meer zo hard. Ik geef wat meer gas. Ik hoor geschuur. Als ik een beetje vooruit ben gereden en daarna uitgestapt , sta ik oog in oog met een klein jongetje. Hij draagt alleen een luier. Hij heeft de duim in z'n mond. Net als ik staart hij naar een donkerrode Ford Cortina, waarvan het portier zwaar is beschadigd. Eigenlijk is zwaar beschadigd een eufemisme, er zit een scheur in de deur.

Voorzichtig pak ik de mand met brood uit de zijdeur van de hond, en loop naar de flat van mijn klant. Even nadenken. Het zweet breekt me uit. Op de eerste dag en nu al schade! Weliswaar zijn de woorden 'ongeluk' en 'verzekering' gevallen bij het sollicitatiegesprek, maar ik weet eigenlijk niet wat 'verzekering' betekent. Ik weet wel dat mijn vader niet blij zou zijn met een dergelijke schade.

Als ik terug kom bij mijn mechanische hond is het nog steeds doodstil in de straat. Ook het luierjongetje is verdwenen. Ik stap in, en en rijd naar de volgende klant. En de volgende, en de volgende. De straat uit. Als ik twee straten verder ben lijkt er niets gebeurd. De volgende dag, als ik weer door de Hertoginnelaan kom, staat de auto er nog. Ik parkeer zo ver mogelijk uit de buurt. Woensdag is er geen bakker. Donderdag is de auto verdwenen. Gelukkig!

Als ik vier weken later in mijn laatste bakkersweek met klotsende oksels weer de straat in rijd, staat hij er weer. Met een cremekleurige deur. Ik voel me merkwaardig opgelucht. En schuldig. En beschaamd. Tot op de dag van vandaag.

zaterdag 2 oktober 2010

Mechanische hond


Het is 1973. Ik werk bij Vonks Bakkerijen. Een vakantie-baantje met potentie. Elke dag om 08.00 uur laad ik mijn mechanische hond vol met King Korn- en Tarvo broden, roggebrood en Prince fourrees, en trek Leeuwarden in, als vervanger van de vaste bakker.

Zo'n mechanische hond is een wonder van techniek en duurzaamheid. Elke avond als ik terug keer van mijn ronde, steek ik hem in het stopcontact, en de volgende dag is hij weer vol. Opgeladen, stil en schoon.
De 'mechanische- hond- oplader' kent twee standen: snel laden en langzaam laden. Snel laden is voor de dagen dat er de volgende dag weer verkocht moet worden, langzaam laden is voor na de zaterdag en na de dinsdag. Want woensdag ben ik vrij. De bakker komt maar 5 dagen per week.
Je moet er wel aan denken om de knop van langzaam laden naar snel laden om te zetten iedere maandag en donderdag. Anders haal je de dag daarna de bakkerij niet. Een nacht langzaam laden is (net) niet afdoende om je route helemaal af te maken.
Soms kom je er mee weg, maar meestal niet. Vlak bij de bakkerij is namelijk een tunneltje, waar je als bakker door moet, alsvorens je hond te parkeren in de gestekkerde garage. En met een lege batterij kom je de helling niet op. Dan blijf je op vrijdag steken onder in de tunnel. Dan moeten ze je komen halen met een sleepauto. En ben je het onderwerp van een niet aflatende stroom bakkersgrappen. Het overkomt elke week minstens één collega.

Vonk bestaat niet meer. Bakkers komen niet meer langs de deur. Jammer. Maar 'donderdagstand' of vrijdagstress. Bakkers van Vonk dromen daar nog wel eens van.

vrijdag 1 oktober 2010

Dodelijke conversatie

- "Heb je nieuwe laarzen?"
- "Wat leuk dat dat je op valt! Vind je ze mooi?"
- "Ik zag het, want het prijsje zit er nog onder".

Best leuke laarzen trouwens. € 129.-

maandag 27 september 2010

Keerzijde: Het einde van de wereld

Hoe slecht is het eigenlijk met de wereld gesteld? Hoe lang zal de wereld nog bestaan? Zijn wij of onze kinderen 'De laatste generatie', zoals Fred Pearce beschrijft? Besteed je laatste € 5 aan het komen tot dat ultieme inzicht.

Het beeld bij dat onontkoombaar lot is voor mij de IJsberg. Lang onaan-tastbaar, en nu aan het ontbinden. Stukken storten zich in zee, als een aankondiging van het onafwendbare einde. Een knallend, dan weer ruisend, verwijt aan de boze consumptie-maatschappij.

En dan plotseling is daar dat ene beeld, het bijpassende beeld, het negatief van de IJsberg. De ontroostbare keerzijde van deze voormalige rots in de branding.
Het is mijn associatie, mijn hoofd, mijn verwrongen geest.
Een associatieve combinatie, een personlijke keerzijde, een huivering van ijs:

Een olifant staart mij aan:
onbehouwen, uitgehouwen.
Uit blauw, uit eeuwig ijs.
hij weet het einde is nabij,
de mens vreet aan zijn voortbestaan.

Zijn slurf is mat en uitgewoond,
zijn ogen liggen diep in kas,
zijn wang gewond.
van buitgemaakt ivoor.
Zijn leven weg gehoond.

Een waterval vervangt zijn neus
een nieuwe kans? Nog even dan.
nog even hopen,
dan is het eeuwig einde daar,
voor deze reus.

Een traan is wereldwijd
de hoop van stil verdriet,
geen toekomst voor ons kind,
alleen een olifant

Vereeuwigd, net op tijd.

woensdag 22 september 2010

Huilende wandelaar uitgezet.

Mijn vader was een streng man. Hij sloeg. Hij sloeg vooral als ik al huilde. Ergens om, of nergens om. Want ik was een huilebalk. Dat irriteert een vader.
Ik kan me geen enkele aanleiding voor een klap herinneren, maar wel de toelichting, de uitgesproken rechtvaardiging: "Dan weet je waarom je huilt".

Op de snelweg loopt een man. Een zwarte man. Hij weet niets van de mensen die de afgelopen weken ook het pad van de snelweg hebben gezocht. En de spatie hebben aangebracht. Onvrijwillig, maar onherroepelijk. Hij weet niets van esoterische velden, waarvan hij het slachtoffer is. Hij kent Sheldrake niet.
Hij is alleen maar moe. Heel moe. Het is ver van Heerenveen naar Burgum, en hij is het lopen in de uitlaatgassen niet gewend. De buschauffeur wilde hem niet mee nemen voor € 1,50. Dat was te weinig. Vier Euro te weinig om precies te zijn. En dus zat er niets anders op dan lopen. Om het brood voor de kinderen terug te verdienen.

De zwarte man kent de weg niet. En de witte mannen stoppen niet. Op één na:
- "Zo meneertje: Wat doen wij op de snelweg?"
De wandelaar kijkt om zich heen, maar ziet niemand. Hoopvol droomt hij van een lift in een echte politieauto. Ondersteuning van de Hermandad, gericht op de vertrapten in de maatschappij.
Maar de tijden zijn veranderd. Oom agent in crisistijd weet wel weg met deze boef. Een boete van € 40.- dat zal hem leren. Zichzelf in gevaar brengen, dat mag zomaar niet! En de gedogende PVV die wil dit niet! Op de snelweg lopen, dat wordt een vliegtuig naar Iran. Wilders herinnert zich zijn vader: "Dan weet je weer wat gevaarlijk is!"

Ik zucht. Ik pas niet meer in deze wereld.

vrijdag 17 september 2010

Feodaal plezier

Vanaf de tafel waar ik zit kan ik de draaimolen goed zien. Hij staat er wat zielig bij. Het regent en ondanks het toeristische karakter van dit dorp, is er niemand die een rondje wil maken. De regen drupt van het canvas.

De attractie is ongeveer 3,5 meter in doorsnee. Bovenop ontwaar ik een bordje 'Asia'. Binnen staat, achter een bankje met een luifeltje, een indonesische bediende. Zijn tulband is glimmend wit. Achter de bediende staat een leeuw. Er zijn drie paarden en ik ontwaar een auto met 'Indië ' op het nummerbord. Een riksja completeert de ronde.

Hoe langer ik kijk hoe meer het feodale karakter mij tegemoet lacht. Ik stel me voor dat het politiek correct is om nu een afkeurend gezicht te trekken, of een kritisch empatische opmerking te maken. Iets over 'spijt van onze daden' , misschien zelfs excuses. Maar ik zie alleen de prachtige draaimolen.

In een al even feodaal hokje, even verderop, zit een man te wachten op klandizie. En zodra de zon even doorbreekt komen er inderdaad een paar ouders met kleine kinderen. Ze zwaaien als de caroussel draait.

Een uurtje later als het donker wordt, dekt de man uit het hokje de draaimolen zorgvuldig toe. Hij is zuinig op z'n spullen. Hij bestaat van deze kleine attractie.

Hij bestaat van het laatste restje feodaal geluk!

zondag 12 september 2010

Dood gaan

Dood zijn is niet erg, het is het dood gaan, dat angst aan jaagt.
Het is zo'n mooie zin, dat hij wel gejat (geciteerd?!) moet zijn. Al weet ik niet van wie. Het is in ieder geval een zin die getuigt van het niet bestaan van -, angst hebben voor-, of geloven in een hiernamaals.

Deze week dacht ik na over het doodgaan:
Wil ik het zien aankomen, of juist liever niet?
Hoe hoop ik dat het zal zijn? Kalm in mijn slaap?
Alleen, of in gezelschap van enkele, (misschien, als het mee zit) enigszins verdrietige, mensen? Of wil ik juist liever niet dat ze verdrietig zijn?
Ben ik het liefst gewoon thuis, eventueel in bed, of wil ik het zo bizar dat het in de krant komt?

In mijn kennisenkring is het onderwerp doodgaan niet iets van regelmatige of verhitte discussies. Hoewel je weet dat je dood gaat, is het nadenken over doodgaan, of het alvast regelen van enkele dingen voor als het zover is, een laag geprioriteerde conversatieonderwerp.

En toch:
De cellist van de voormalige rockgroep ELO (Electric Light Orchestra) werd in zijn auto (!) getroffen door een, van een heuvel afrollende, hooibaal. Hij was op slag dood. Hij zag het vast niet aankomen. Had hij iets geregeld? Hoe vertelt zijn familie dit aan anderen?
"Waar is je vader"?
"Die is met de auto onder een hooibaal gekomen."
Hoe groot is de kans dat dat gebeurt? Hoe lang was de rolweg van de hooibaal? Hoeveel honderdste van een seconde had de auto eerder of later moeten vertrekken om net voor, of net na, de hooibaal te passeren?

Een vrouw is in Arganda del Rey gedood bij het stierenrennen. Niet dat ze mee deed, nee ze was toeschouwer. En toen de renners en daarna de stieren voorbij waren, stak ze haar hoofd door het hek om de kudde na te kijiken. Daarbij werd ze getroffen door een achterblijvende stier.
"Wat is er met je moeder gebeurd kerel?"
"Die is gedood door een achterblijvende stier".

De combinatie van de woorden 'achterblijvende' en 'stier', wekt bij mij een enorme gedachtenwereld op. En stel je deze activiteit eens voor uit het perspectief van de stier!
Iemand heeft bedacht, dat er voor stieren uit gerend moet worden. Je wordt uit de stal gehaald en wordt geacht achter een groep mensen aan te rennen, die zelf hebben gekozen voor het voorop rennen. Misschien kun je er één krijgen, maar waarschijnlijk niet. Dus je sukkelt achter de groep aan ("Je ziet mij straks wel komen, ga gerust vooruit"), en dan krijg je zomaar een hoofd in de schoot, of beter op je hoorns geworpen. Sta je alsnog voor paal: "Waarom bleef je zo achter?"

Ik kies toch maar voor "Na een kort ziekbed".
Weten zonder lijden. Mijn ideale dood.

dinsdag 31 augustus 2010

De Wandelaar

Als ik binnen kom is er niemand. Achter in het cafe staan nog de resten van een ontbijt. Voor minstens vier personen. Vliegen verraden dat het al even geleden is dat de deelnemers er aan zijn vertrokken. Ik laat me niet af schrikken. De wandeling was zwaar, de koffie lijkt nabij. En ik hoor geluiden.

De binnenplaats is enigszins overwoekerd, al kan ik de tegels nog zien. Op de bar staan de ongespoelde glazen van de vorige avond (of zou het al langer geleden zijn?). Een enkele nog half gevuld met verschraald bier. Een stoel ligt om. Het ruikt bedompt, maar er is ook aan de voorkant een terras. Dus ik laat me niet ontmoedigen. Ik heb er net 10 kilometer door de Voerstreek op zitten en het cafe heet tenslotte "de Wandelaar".
- "Volluk!"
Thuis in mijn dorp is deze kreet meestal goed voor een reactie, en ik zwijg verwachtingsvol.
- Niets.

Ik loop voorzichtig achter de bar en kijk om een hoekje in een ruimte waar ik de waard vermoed. Een TV staat aan op een franse zender. Boven het geluid uit hoor ik gesnurk. Een bruine buik beweegt zwoegend. Het moet laat zijn geworden gisteren. En hij moest vanmorgen voor de gasten weer vroeg op natuurlijk. Een hard werkende ondernemer.

Begripvol sluip ik weg.

maandag 30 augustus 2010

Zwarte reactie

Elke dag ga ik er kijken:
naar het zwart met blauw gedicht.
Diepte, ruimte, duister,
het prachtig hemels licht.

Ik ruik er de Vogezen,
een rots verbergt de tijd.
Het pad leidt naar het einde,
zwart en zonder spijt.

Ik zie er bomen, stenen, webben,
ik zie ravijnen vol met kans.
De schilder vindt het matig
Ik doe een regendans.

Het gaat niet om het plaatje,
want dat stelt niet veel voor
ik kom er graag en hevig,
het voelt mijn eigen spoor.

zaterdag 28 augustus 2010

Ramadan

Het is tien uur. Mijn Marokkaanse collega staat bij de koffiepaal en heeft voor alle collega's suikerzoet snoepwerk meegebracht. Gefrituurd en wel. Marokkaans eten voor na de zonsondergang. Gretig gaat e.e.a. van de hand. Zelf neemt hij niets. Want het is Ramadan.

Ik heb met hem te doen. Hij is zonder twijfel de aardigste man op deze planeet. Altijd bereid te helpen. Genuanceerd en wars van elk extremisme. Hij voert gesprekken met Marokkaanse jongeren, die dreigen te vervallen tot extremiteiten. Hij bemiddelt tussen scholen en ouders als de werelden van beiden te ver uit elkaar liggen. De meisjes die (niet) mee mogen naar het schoolkamp in groep acht, denken met dankbaarheid aan hem.

Het is ramadan. Hij eet niet. Hij drinkt niet. Omdat Allah dat niet wil. Ik weet dat hij dat doet voor iets of iemand die niet bestaat. Het is mijn ergste nachtmerrie geworden de achterliggende jaren: "Waarom lopen zoveel mensen toch weg met iets dat niet bestaat?" God, Allah, machteloze figuren, die hun volgers de meest vreselijke dingen aan doen.

De afgelopen week heb ik Andre Comte-Sponville gelezen. Kunnen we het zonder God stellen? En André geeft mijn persoonlijke standpunt weer: Ik heb het geloof verloren en het is al een bevrijding: alles werd eenvoudiger, minder zwaar, minder gesloten, sterker! (...) Ik heb het gevoel dat ik beter leef sinds ik atheïst ben. Wat een vrijheid, wat een verantwoordelijkheid. Wat een uitgelatenheid! Weg met de angst voor de dood, de dreiging van de hel, opgenomen in het hier en nu! Leef omdat het mag. Leef tot de dood, want verder is er niets!

Andre Comte-Sponville heeft het over spiritualiteit. "Spiritualiteit is te essentieel om het aan de fundamentalisten prijs te geven". Of: "Zonder het humanisme zijn we aan de goden over geleverd", hoor ik op de radio. Misschien. Maar spiritualiteit heeft net zo goed een fundamentalistische geur! Ik heb er een vanzelfsprekende weerzin tegen.

Mijn collega leeft nog in de religieuze wereld. En hij is zo aardig. Wat zou ik hem het hier en nu gunnen! Weten dat God noch Allah bestaat! Wat een zegen!

maandag 23 augustus 2010

Nij Beets

Op de hoek van zijn erf staat onder een boom een boer op zijn zeis geleund. Hier wordt nog in stilte met de zeis gemaaid. Hier kunnen boeren dat nog.
Aan de overkant van het kanaal staan twee mannen met een camera en een buitenmaat langharige teckel op een stok. Ze wachten op een voorbijganger. Om het te kunnen vragen:
- Kende U haar?
- Wie was ze?
- Wat deed ze?
- Heeft u nooit gezien dat ze zwanger was?
Maar er komt niemand voorbij. Iedereen weet beter. De boer blijft in de schaduw.

Er zijn vier kinderen dood. De buitenwereld denkt er over na.
De politie vraagt zich af wie de vader is.
Een psycholoog vraagt zich af of het meisje niet condooms had kunnen kopen.
Het journaille ziet nieuws en bedenkt originele vragen. Bemoeien zich er mee. Want er moet nieuws komen, nieuw nieuws.
Sommige vragen worden niet gesteld.

  • De ouders weten van niets?!
    Of: vader weet er meer van en moeder houdt haar mond?
  • Stinkt dat niet vier koffers op zolder met lijkjes?
    Of waren ze vacuüm verpakt?
  • Als de tandarts wist dat ze zwanger was, heeft ze dan ook zwangerschapsverlof gehad?
  • En natuurlijk: Waar heeft ze al die koffers gekocht? Ik ken Nij Beets.
    Er is geen kofferwinkel.

Nij Beets is ontwricht. Ramptoeristen trekken langs het kanaal en over 'de Prikwei'. Kinderknuffels worden als uitingen van onmachtige liefdesbetuigingen neergelegd. Ze irriteren. Alsof mensen hun affectie niet in hun omgeving en bij bekenden kwijt kunnen of durven.

De overgrootvader van Sietske was de bakker van mijn grootmoeder, waar ik ieder jaar logeerde, de hele zomer lang. Het moorden komt dichterbij.
Mijn ooms staan onder een boom.

zaterdag 21 augustus 2010

Digitale leegte (2)

Of is het misschien toch deze?

De lucht bepaalt mijn kijkfestijn,
de horizon vliegt laag.
Ik had van Ruysdael willen zijn,
mijn moeder was te traag.

De lucht bepaalt mijn ogenblik
de wolken zijn geluk.
Ik had toch schilder moeten zijn,
de taal maakt het té stuk.

vrijdag 20 augustus 2010

Digitale leegte

Vooruitgang is verbetering. Ik behoor niet zo tot de sentimentelen, die vroeger alles beter vonden. En er is veel 'vooruitgang' geweest de afgelopen 50 jaar. Ik herinner me nog de trots van mijn vader toen hij zijn eerste 'luchtbandenwagen' kocht, ter vervanging van de kar met houten wielen en een hoepel. Ik heb nog mijn afstudeerscriptie 25 keer helemaal over moeten typen, ipv op die op de computer te verbeteren. Een kopieerapparaat is een nieuwerwetsigheid, waarin ik elke dag de vooruitgang nog zie belichaamd. De stencilmachine is een nostalgisch maar afschrikwekkend apparaat voor bij het visserslatijn in de koffiepauze.

Ook de digitale camera is vast zo'n vooruitgang. Zoveel foto's nemen als je wilt, ze later verwijderen, als het toch tegen valt. Bekijken op een computerscherm. Mijn vriend die ieder jaar in november ons een avond uitnodigde om 'de dia's te kekijken' is gedegradeerd een zielige fotofetisjist.

En toch mis ik het: het rolletje, de gang naar de fotograaf, de spanning of ze gelukt zijn. De zoektocht naar de mooiste van het jaar.

De trots op een geslaagde compositie.


dinsdag 17 augustus 2010

Koeienluxe en koeienknuffelmuur

Als boerenzoon heb ik iets met koeien. Koeien zijn in mijn geest eigenlijk de enige echte beesten. Hartverwarmend, aanhankelijk, nieuwsgierig, dommig, en natuurlijk dieren. Mijn vader hield van zijn koeien. Hij kende ze allemaal bij naam. Hij had ze, toen hij met twee koeien voor zich zelf begon, de naam van mijn moeder gegeven: Anna 1 en Anna 2. Twee zussen. Hoe ver kan liefde gaan!

We waren lid van 'Het Friesche stamboek". En daarom kwamen er regelmatig mensen bij ons over de vloer, om de nieuw geboren kalveren te 'schetsen'. Wat er op neer kwam dat de zwarte vlekken nauwkeurig werden nagetekend. Zodat ze herkenbaar waren. Nergens voor nodig duis, die gele oorflappen. En daar was mijn vader dan ook op tegen.

Natuurlijk waren de koeien ook het productiekapitaal, het inkomen. En het was vee. Netjes behandelen, maar geen menselijke trekjes. Geen partij voor de dieren. We hadden ook een kalf in de vriezer.

Koeien hebben zomers veel last van vliegen, die onvermoeibaar op de warme koe en de nattigheid af komen. Onophoudelijk moet de koe de lastige zoemers met zijn staart als vliegenmepper, verjagen. Soms, heel soms kan hij zijn rug even tegen een boomstam schaven, of z'n kop in het water steken.

Een oplettende Belgische boer heeft dit ook allemaal beleefd en gezien. Al wandelend door België zag ik hem meteen: 'De schuurpaal'. Of ook: 'Koeienschraper', misschien: 'Koeienknuffelmuur'. Met zij - en bovenbezem. Niet te hoog dan kunnen de kalveren er ook bij.

Ik was er stil van. Dit is hartverwarmend. Wat een boerenliefde!

zondag 15 augustus 2010

Voorgeborchte

Op 21 april 2007 las ik in de krant:"Paus maakt een einde aan het voorgeborchte". Het was een klein artikel, waarvan de impact mij meteen als enorm overkwam. Als niet-katholiek leek het mij dat er meteen een enorme storm van protest op gang zou komen. Met mijn protestantse achtergrond, leek me dit vergelijkbaar met de mededeling van de dominee op zondag dat de hemel, vanaf maandag, niet meer zou bestaan. Maar (tot mijn stomme verbazing) gebeurde er niets! Geen opschudding, geen commotie, geen TV programma, helemaal niets. Mijn katholieke collega's haalden hun schouders op.

In het voorgeborchte zitten (of zaten?) de kinderen die niet zijn gedoopt, en daardoor "nog niet gereinigd zijn van de zonden". In het voorgeborchte zitten ook de zielen die het niet verdienen naar de hel (het vagevuur) te gaan, maar niet weten hoe ze in de hemel terecht hadden kunnen komen. Omdat ze nooit de 'heilsboodschap' hebben gehoord.
En er zitten ook de protestanten! Mijn ouders komen daar! En nu kan dat niet meer!

Ik stel me bij een dergelijk bericht allerlei vragen:
- Waar zijn nu al die lieve ongedoopte kindertjes gebleven?
- Heeft de Paus overlegd met God, dat het voorgeborchte toch niet zo'n goed idee was?
- Heeft God de kinderen, samen met wat engelen, over geplaatst?
- Of heeft het voorgeborchte nooit bestaan?
- Heeft de kerk of de paus het op dit punt steeds mis gehad?
- En als de Paus (die toch onfeilbaar is en de vertegenwoordiger van God op aarde) en de kerk het altijd mis hebben gehad op dit punt, hoe zit het dan met al die andere onwaarschijnlijkheden van de kerkelijke leer?
- Had Spinoza (1632-1677) al gelijk toe hij zei dat de in de bijbel beschreven wonderen onverenigbaar zijn met de wetten van de natuurkunde en dus niet echt gebeurd?

En als het voorgeborchte niet bestaat, waarom de hemel en de hel dan wel? Want die blijken volgend Wikipedia, nog steeds onderdeel uit te maken van de katholieke leer.

Ik ben erg blij dat ik atheïst ben. Dan hoef ik mij het hoofd niet te breken over dit soort dingen, bijv. elke keer als ik in het Mauritshuis, tussen alle andere prachtige dingen, het schilderijtje van Brueghel sr. en Hans Rottenhammer tegen kom, met als titel:"Christus in het voorgeborchte". Wat doet Christus in iets dat niet bestaat?

En is het maken van dat schilderijtje nu niet zonde van de tijd geweest? Tijdverspilling? Zinloos?

woensdag 11 augustus 2010

De last van jong zijn

Ik word oud. Veel liever zou ik schrijven:"Ik word wijs". Maar dat is 'not done'. Daar waar anderen je ervan beschuldigen dat je "oud en wijs-genoeg', bent, mag je van jezelf niet zeggen dat je dat bent. Dat zou al te aanmatigend zijn.

Toch kun je het soms zien. Dat het misschien waar is. Veel TV kijken maakt al snel dat je je wijs voelt, maar kijken naar 'Zomergasten', kan je helpen. Dit jaar (2010), o.a. met Jan Marijnissen en Maarten 't Hart. Twee mannen, die in een avond kunnen laten zien, dat wijsheid komt met de jaren.

Jan Marijnissen bleek de essentie van onderwijs te begrijpen. Hij bleek zelf een groot onderwijzer, zijn avond was één grote onderwijservaring. Niet in de zin van kennis, of beter weten, maar in de zin van uitleggen en nadenken. Niet de waarheid, maar de reflectie stond centraal. En kennis is dan handig:
- Als de bijbel niet waar is, wat is dan de reden om het leven te accepteren?
- Bisschop Beckers, Don Camillo en de Mattheuspassie, wat hebben zij gemeen?
- Kunst, verbeelding en muziek. Wat is de functie van kunstuitingen en wat kan kunst met emotie?
- Is de mens goed of slecht? Wat hebben de filosofen daar over gezegd en wat is daarvan van nut voor het dagelijks leven? Wat is de relatie met het streven naar eigenbelang?
- Waar komt gemeenschapszin vandaan en waar is het voor nodig? Kan het van rechts komen?
- Macht corrumpeert, ideologie inspireert. Maar wat is het verschil en hoe bewaak je de overgang?

Jan had geen oordeel, was genuanceerd en standvastig.
En voor Jelle Brand Cortius was het te moeilijk.

Nergens om, maar hij was in dit gesprek nog te jong. Heerlijk!

woensdag 4 augustus 2010

Euthanasie?

Als ik over de strandopgang kom, zie ik haar meteen staan. Het strand is bijna leeg en de rolstoel valt op als een boom in de Sahara. De zonsondergang is adembenemend.

Als ik een uur later mijn etensbord bij de strandtent aan de kant schuif, staat ze er nog. Het moet koud zijn. Enkele voorbijgangers negeren haar. Ze hangt een beetje scheef in haar rolstoel.

Net als ik begin te twijfelen of ik niet eens een kijkje moet gaan nemen, komen twee mannen het strand op, luid discussiërend en gesticulerend. Ik kan nog net de woorden 'vergeten', en 'koud' opvangen.

Even later zeulen ze oma mee over de strandopgang. Ze beweegt nog. Misschien was ze liever achter gebleven.

maandag 12 juli 2010

Wereldkampioen

Ik kon niet voetballen, tenminste dat zeiden de anderen. Er waren trouwens ook wel aanwijzingen: ik schopte wel eens naast de bal, ongeveer net als Matthijsen in de WK finale van 2010 tegen Spanje. En dan word je geen wereldkampioen.

Zelf had ik een optimistischer kijk op mijn talenten. Ik kon best hard rennen, legde veel kilometers af, in diverse en waarschijnlijk relatief willekeurige richtingen, en was bloedfanatiek. En anderen waren bang voor mij op het veld. Dat helpt.
Soms, heel soms, mocht ik mee doen. Bijv. in de eerste klas van de middelbare school, in het schoolvoetbalteam. Als keeper. Want daar konden ze echt niemand voor vinden.

Ik was een keeper met grote handschoenen. Die waren weliswaar nooit gemaakt om mee te keepen, maar ik had op TV gezien dat keepers handsschoenen dragen. En daarom had ik de bruine wollen handschoenen van mijn vader uit de kast gezocht. Hij miste ze toch niet zo rond de pasen, de traditionele periode voor het schoolvoetbaltoernooi. Nadeel van die handschoenen was, dat mijn vingers maar halverwege de vingers van de wollen monsters kwamen, hetgeen mijn gevoel voor de bal niet bevorderde, voor zover het al aanwezig was.

Gelukkig hadden we goede voetballers en kwam de bal bijna nooit in mijn buurt. Tot in de finale. Een bal werd zachtjes door een verdediger op mij terug gespeeld. Ik probeerde de bal op te pakken. Dat mocht toen nog. Helaas, doordat ik met de te grote handschoenen weinig gevoel had voor de afstand tot de bal, stuitte de bal tegen mijn vingers en weer het veld in. Alwaar het kleinste jongetje van de tegenpartij, type 'ik mag anders ook nooit mee doen', klaar stond om de bal in het doel achter mij te schieten.

De verdedigers waren niet blij. Nog meer werd de bal uit mijn buurt gehouden, en gegeven aan onze stervoetballer: Piet Wildschut. Piet speelde in het nationale jeugdteam. Maar Piet had één zwak punt, hij speelde steeds over. Liever zagen wij dat Piet de bal pakte en langs de tegenstanders slalomde, om de bal in het vijandelijke doel te schieten. Maar dat deed hij alleen als we niet voor stonden en het al tegen het einde van de wedstrijd liep.

Mijn blunder maakte dat Piet wel moest. Even later was het al 1-1. En vlak voor tijd deed Piet z'n plicht, door een zelf verdiende strafschop in de bovenhoek te schieten. Ik had het beste in Piet boven gehaald. Ik voelde me wereldkampioen.

Acht jaar later verloor Piet de finale van het WK in Argentinië.
Ik ben benieuwd welke herinneringen er bij hem boven komen.

woensdag 7 juli 2010

Ont-moet-ing

Terwijl ik voor het klaterend urinoir sta, gaat achter mij met een WC deur open. Aan de geluiden te horen kost het de bewoner enige moeite. Maar als het gelukt is, maakt daarna iemand klakkende geluiden. Ik ben lang niet meer zo benaderd. Mijn homo-sexuele neigingen zijn blijkbaar dermate latent, dat mijn afwateringsproces niet merkbaar wordt verstoord. Dan sluit de deur zich weer.

Even later, terwijl ik mijn handen sta te wassen, gaat de deur opnieuw open. Op een kier, die voldoende zicht biedt op de toestand binnen. Uit de WC kijkt een klein jongetje mij aan. Hij heeft de broek nog op de knieën en samen met de odeur die mij langzaam bereikt is er weinig fantasie meer nodig voor het vaststellen van zijn bezigheden.

- "Bn J eie oen ebeestje"?
Uit de toon van zijn zinnetje kan ik opmaken dat hij een vraag stelt.
In mijn hoofd vormen zich enkele vragen die hij zou kunnen stellen, vragen, waarop ik me niet meteen verheug. En ik begin dus met:
- "Wat zeg je, Heb je iets nodig? "
- "Ben je ook op een feestje?", herhaalt het jongetje.
Ik vraag me af of de barbecue met collega's kan worden gecategoriseerd in de sectie 'feestjes', maar besluit het jongetje niet met deze overweging lastig te vallen.
- "Ja", zeg ik.
- "Ik ook"
Nieuwe mogelijkheden voor de verklaring van zijn gedrag bereiken mijn brein. Misschien denkt hij dat ik ook op zijn feestje ben. Als kind lijkt het me een hele toer al die volwassenen uit elkaar te houden. Ik zie me al in een onbekende groep mensen de vader zoeken van een jongetje, die wellicht hulp nodig heeft. Het zou natuurlijk ook een moeder kunnen zijn, maar in mij hoofd is het een vader, waarschijnlijk gezien mijn ervaringen.

Maar dan sluit de deur zich weer. Ik ga terug naar mijn 'feestje'. Blijkbaar is zijn nieuwsgierigheid bevredigd. Misschien ook denkt hij na over de te nemen vervolgstappen. Ik hoop dat ouders nog steeds hun kinderen enigszins monitoren, al noemden wij dat vroeger anders.

Anders zit hij er nu nog.

zondag 4 juli 2010

Verwarrende belevingen

Ik lees vandaag vijf boeken tegelijk. Dat lijkt een bijzonder intellectuele en geplande bezigheid, maar dat is het niet. De boeken zijn er nu eenmaal. En ik kan niet zo lang achter elkaar hetzelfde doen. Ik hop van het één naar het ander.

Allereerst is er "Het recht om wij te zeggen", van Kees Schuijt. Democratie bestaat uit tegenstellingen, omdat tegenstellingen de essentie van democratie zijn. Een vaderlijk boek, dat het nog één keer uit legt.

Dan is er Luc Ferry:"Beginnen met Mythologie", omdat ik daar toch ooit mee moet beginnen, en omdat "Beginnen met Filosofie"het mooiste boek is dat ik ken.

Ik lees Safranski, de biografie en beschrijving van Nietsche, toch de grootste filosoof, of in ieder geval de filosoof die je moet kennen, en ook omdat hij eigenlijk reproduceert wat Spinoza al zei, alleen gaf Nietsche wel toe dat hij Atheïst was. En omdat ik van Spinoza hou.

Moeilijk allemaal en dus lees ik "het wezen van de olifant", van Toon Tellegen. "Als ik de olifant was, zou ik zeggen dat ik onlangs jarig ben geweest", aldus de wezel.

Op mijn koptelefoon heb ik ondertussen een CD gezet, die hoort bij het boek "Wagner en ik" van Gerrit Komrij, omdat Nietsche volkomen kapot was van het talent van Wagner en hoopte te componeren met woorden. En ik dat ook hoop te horen, of beter nog te voelen.

Ik zit in de tuin. Het is warm. Ik drink appelsap en rosé. Ik lees van alle boeken 20 pagina's. Tussen de liefde voor de kinderen door, die met hun geliefde vandaag beide thuis zijn. En mijn geliefde vindt het goed.

Ik hou van het leven.
Ik hou van mijn eigen authentieke weekendervaring.
Hoe verwarrend ook.

donderdag 24 juni 2010

AVI 9

Ooit werkte ik bij de Wychense Omroep. Lokale omroepen zijn de speelplaatsen van eigenbenoemd talent. Dat gold vast ook voor mij. Ik was razend trots op mijn rubriek:"de Horoscoop van de afgelopen week". Ik las een horoscoop voor van een al voorbije week, en liet mensen bellen om te vertellen of het klopte. Het leverde wel degelijk hilarische radio op. Eén jaar lang. Toen had ik er genoeg van.

We werkten ook toen al met duopresentatie. Het feit dat ik nooit wereldberoemd ben geworden wijt ik nog steeds aan mijn duopresentator, die helaas niet op toon kon lezen. Net als Fok bij meester Staal (de lezer kent toch wel Theo Thijssens 'de gelukkige klas'?).

En nu bestaat dat nog steeds. Wie 's morgens om 07.45 de radio aan zet op radio 4 kan haar live horen. Ze leest systematisch verkeerd. Bij het krantenoverzicht. De klemtoon klopt nooit. Ze heeft nog geen AVI 9, de lees-standaard voor groep 6. De netcoördinator heeft bedacht dat 's morgens voor acht uur, de radio een sociale werkplaats hoort te zijn.

En geeft het onderwijs de schuld. Vast en zeker.

vrijdag 18 juni 2010

Draagbare opbergruimte

In de gang staat op de kast een blauwe doos: 'Tedi-Math'. Hij lijkt me van één van onze orthopedagogen, die wellicht een kind heeft gepest met deze wiskundekoffer.

Het is 1983. Bij mijn nieuwe baan in Venlo hoort een nieuwe bankrekening. De Postbank heeft een aanbieding: Bij een nieuwe rekening krijg je een draagbare opbergruimte kado! Ik ben meteen geïnteresseerd. Een draagbare opbergruimte, die heb ik nog niet!
Ik open een rekening en enkele dagen later valt er in mijn bus een ccertificaat. Met dit certificaat kan ik op het plaatselijke Venlose postkantoor mijn draagbare opbergruimte op gaan halen. Vol verwachting klopt mijn hart.
De (toen nog) ambtenaar achter het loket kijkt een beetje stuurs. Er is geen enkele andere klant en hij verwacht blijkbaar geen storing tijdens het werk. Ik toon hem mijn certificaat. Ten overvloede voeg ik er aan toe:
- "Ik kom mijn draagbare opbergruimte halen".
- "Wablief?"
Ik ben nog niet aan het Venlo's gewend. Maar ik begrijp dat hij wil dat ik mijn vraag herhaal.
- "Ik kom mijn draagbare opbergruimte halen".
- "En wat mag dat dan wel wezen?"
Wie werkt er hier nu bij het postkantoor?
"Ik ben net zo benieuwd als u".

De man bestudeert lang en nauwgezet mijn certificaat. Daarin staat nadrukkelijk vermeld dat ik op het postkantoor moet zijn voor mijn zo fel begeerde kleinood.
Zuchtend verlaat hij z'n confortabele zitplaats om deze lastige klant ter wille te zijn. Het logo op de brief laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Ik ben niet verkeerd. Twee collega's helpen bij de zoektocht.

En nu bestaan ze nog steeds. De hard plastieken opbergruimtes.
Er past net een klein pakketje A4-tjes in.

Naast een dierbare herinnering.

dinsdag 15 juni 2010

Klein geluk

Ik moet wachten voor het spoor. De zon schijnt. Even verderop is een vader even uit de auto gestapt. Hij staat langs de zandweg bij het station en draagt z'n zoontje van ongeveer drie op z'n arm. Samen kijken ze naar de langzaam binnen rollende trein, die stopt op het station. Wat een voorrecht: de trein voor je neus! Het jongetje geniet als de spoorweg open gaat. Hij doet met z'n armen de opengaande bomen na. Vader wijst op de trein. Ze lachen.

Pa geniet
Het kind geniet
Ik geniet

Tranen biggelen over mijn wangen:
Hoe groot is klein geluk!

woensdag 9 juni 2010

Beoordelen

Arbeiders werken, zweten, maken uren.
Verantwoorden, zweten, maken uren.
Werken, zweten, maken fouten.

Arbeiders sluipen binnen.
Met het hoofd al op het hakblok,
worden ze onverwacht overreden.
Zijn ze liever dood.

Bazen weten, zoeken, kennen.
Denken, rubriceren, plaatsen in een hokje.
Managen, durven, wikken en wegen.

Bazen maken geen fouten.
Standvastig, besluitvaardig, doelgericht.
kunnen beoordelen.

Arbeiders maken bazen.
Bazen breken arbeiders.

Links gebral, rechts gekraak
Verkiezingen, wat een feest!

maandag 7 juni 2010

Stemadvies

Ik moet stemmen. Woensdag is het al zover. Ik kijk niet naar debatten en wil niet mee doen aan de waan van de dag. Ik wil alleen op inhoud stemmen.

Ik wil dat de rijken betalen voor de armen.
Ik wil dat de AOW op 65 blijft.
Ik wil dat de hypotheekrenteaftrek blijft, zeker tot 350.000.
Ik wil dat er een kwalitatief goede publieke omroep komt zonder zuilen.
Ik wil dat het begrotingstekort zo snel mogelijk wordt aangepakt.
Ik wil dat de winkels zondags dicht zijn, al was het maar voor de werknemers.
Ik wil dat de studiebeurs blijft.
Ik wil geen nieuwe kerncentrales.

Ik ben gek.
Er is geen enkele partij die het met mij eens is.

Ik zie het wel, als ik in het stemhokje sta.

dinsdag 1 juni 2010

Geluksbeleving (2)

Trouwe lezers van mijn blog hebben natuurlijk met verbijstering mijn laatste bericht gezien. Geluksbeleving? Amehoela! Alle vorige blogs gingen ook over geluksbeleving! Of het nu het ritje door de zon, de aardappeleetster in Portugal of een verdreven ergernis op maandagmorgen is.

Emotie is ook al zoiets raars. Ik ben een emotioneel mens, ja beslist! Maar dan vooral een strovuurtjesemotionalist. "Himmelhochjauchzend oder zum tode betrübt". Want om nou te zeggen dat ik erg lijd onder al die emoties, of dat ik er levenslang gelukkig van word, dat nou ook weer niet. Ik geniet van de beleving. Ik kan huilen en daar enorm van genieten. Maar dat geen diepgaande emotie willen noemen. Er blijft weinig van over. Ook geen maagzweer dus.

Hoe beleven mensen hun emoties eigenlijk? Sommige mensen zijn binnenvetters. Beleven zij intenser dan ik? Als ik wat roep, "met opgestoken zeilen", zijn zij dan dieper beledigd? Of (be)leven zij helemaal niet?

Misschien weer eens iets voor een onderzoek.

maandag 31 mei 2010

Geluksbeleving

Ik ben een emotioneel mens. Dat is heerlijk en lastig tegelijk. Lastig soms in je werk of in de omgang met anderen, die het 'communiceren met gebolde zeilen' niet altijd kunnen begrijpen en waarderen, en betrokkenheid al snel uitleggen als ruzie of een vorm van persoonlijke aanval.

Maar het is vooral heerlijk. Leef en beleef! Je hoeft er niet veel voor te doen. Je omgeving laten binnen komen is eigenlijk alles. Bij mijn lievelingsbezigheid, het ronddolen in Plato op de klassieke afdeling, of bij een boekenzaak, stuitte ik op een CD uit de serie Romantic Piano Concerto (deel 17) , de pianoconcerten van Mendelssohn. Thuisgekomen kon ik in de tuin zitten met de koptelefoon, en het boek van Rüdiger Safranski over Nietsche. Nietsches droom was om te kunnen filosoferen alsof hij muziek componeerde. Nietsche ervoer de muziek als vervoering. 'Zodra de muziek stopt komt de walging terug'. Ach, ik kon me er weinig bij voorstellen.

En toen is het gebeurd! Plotseling begon ik volkomen te shaken. De muziek gespeeld door Stephen Hough en het symphonieorkest van Birmingham, drong in al mijn porieën. Het bracht een oneindig geluksgevoel teweeg. Iets dat Maslow waarschijnlijk als piekervaring zou hebben geduid. Een oneindig onbewustzijn van het eigen zelf, alleen die muziek.

Toen het stuk afgelopen was, borrelde mijn ratio weer op. Kwam dit nu van dit stuk, van de uitvoering, van de combinatie met de tekst over Nietsche? Of nog van iets anders? Als experiment draaide ik twee andere versies van hetzelfde stuk, die ik ook heb: die van Lang Lang, door mij zeer bewonderd, en die van Elisabeth Leonskaja. Beide prachtig! Maar geen van beide leverde het gevoel op van eerder die dag. Dus terug gekeerd naar de eerste versie. In de veronderstelling dat het eenmalig en onduidbaar was. Maar zie, het was er weer! Kippenvel, nu ook zonder Nietsche!

Ik kan het verschil tussen de drie opnamen niet horen, maar mijn onderbewuste wel!

donderdag 20 mei 2010

Ochtendgedicht

Prachtig is het weggetje dat dagelijks leidt naar het werk.
De zon, het groen, de appelboom, de wolkjes aan het zwerk.

Zelfs de spoorbomen rood en wit, doen hun best om mooi te zijn,
wanen zich aan hun houten bestaan ontrukt.

Iets wat de electriciteitsmasten, lelijk en in de verte,
toch maar erg moeilijk lukt.

maandag 17 mei 2010

Maandagmorgen

Ik blijf wat langer thuis deze morgen, om de file te mijden. Een uurtje thuis werken. Al om half negen gaat de telefoon. Een druk bezette collega heeft kans gezien haar voet (niet been!) te breken bij het afstappen van een stoepje in Amman. Ik wist niet eens dat ze stoepjes hadden in Amman. Wat doet een mens trouwens in Amman? Of ik vervanging kan regelen. Nog geen vijf minuten later, laat een andere collega weten dat ze een opdracht die ze zou overnemen, toch door mij moet worden uitgevoerd. Ze kan zich niet vrij maken. Ik baal. Het is 08.45.

Als ik in de auto stap regent het. Om de file echt te vermijden besluit ik grotendeels binnendoor te rijden. Op het fietspad naast de weg zie ik twee oudere echtparen, die hebben besloten dat maandagmorgen om 08.45, bij een beetje regen, het ideale tijdstip is om eens een lekker fietstocht te maken. Ik heb een hekel aan deze lijn van denken. Deze vorm van irriteren, óf door te laten zien hoe dom je bent, óf hoe raar je denkt, óf ook door expliciet en doelgericht anderen op deze manier de ogen uit te steken, zou verboden moeten worden.

Halverwege mijn autoritje begint de zon te schijnen. Ik haal drie joggers in, die onafhankelijk van elkaar hebben besloten dat maandagmorgen om 09.00 de ideale tijd is om je kilometers te maken. Op de één of andere manier kan ik dat beter hebben dan bejaarde fietsers. Maar als ik me betrap op die gedachte heb ik wel meteen een hekel aan mezelf. Ik ben een nare man.
Dan moet ik remmen, want er staat een opnverklaarbare file op mijn weggetje binnendoor. Sluipverkeer, bah! Het is 09.15.

Mijn dochter belt. Ze is geslaagd voor haar rij-examen. Meteen de eerste keer. Vanmorgen om 09.15, het perfecte tijdstip voor een rij-examen. Het is 10.15 uur

Ik hou van haar. Vooral op maandag! Door haar kan ik er deze week weer tegen!

zondag 16 mei 2010

Aardappeleetster in Portugal


Ze staat bij een bushalte. Uit de verte valt ze mij meteen op. Hoeveel goudkleurige bejaarden zie je tenslotte op straat. Stilletjes wacht ik tot ik meer zicht heb, maar de buslijn is blijkbaar naar een populaire bestemming. Steeds meer wachtenden verzamelen zich en vervuilen de zichlijnen. En dus moet ik rondlopen.

Voorzichtig loop ik achter langs. Ik wil vooral geen aandacht trekken of de natuurlijke gang van zaken beïnvloeden. De wachtenden drentelen rond de bushalte. Mijn doelwit beweegt, maar opnieuw van mij af.

En dan plotseling zie ik haar gezicht en begrijp ik waarom ze haar eigen gouden accenten heeft gekozen. Of dat nu juist extra aandacht trekt of niet.
Ik zal haar nooit vergeten.

vrijdag 14 mei 2010

Beroemd!

Als ik wakker wordt, lig ik in een ziekenhuis. Terwijl ik de ogen nog dicht heb, hoor ik mensen praten in een voor mij onbekende taal. Ik heb pijn. Mijn benen doen zeer. Als ik me probeer te bewegen, voel ik dat op mijn mond een kapje zit. Ik blijf nog even liggen. Mijn hoofd bonst, mijn oren suizen.

Waar ben ik? Het duurt even voordat ik snap dat ik droom. We zijn immers onderweg naar huis. We vliegen vanuit Zuid Afrika. Ik wil wakker worden maar het lukt niet! Ik ben al wakker! Voorzichtig doe ik de ogen open. Om mijn bed staan twee mannen in witte jassen, met een arabisch uiterlijk. Daarnaast drie vrouwen, die verpleegsters kunnen zijn. En ook zijn er mensen met een televisiekamera.

Mijn hart bonkt, en ik kan de steen op mijn maag niet meer negeren. Ik ben bang. Waar zijn mijn broer en mijn vader? En mam, wat is daarmee? We zijn toch niet.....? Ik zak weg. Mijn hoofd kan de werkelijkheid gelukkig niet verdragen. Maar na een kwartiertje wordt ik weer wakker. Nu weet ik het bijna meteen: We zijn vast neer gestort! Wat zou er met de anderen zijn?

Als ik voor de vierde keer bij bewustzijn kom, komt een verpleegster komt een mobieltje brengen. Of ik met de Telegraaf wil spreken.

Blijkbaar ben ik beroemd.

woensdag 12 mei 2010

Met de trein

Ik zag op TV dat de NS een onderzoek doet naar de kwaliteit van haar toiletten. Dat is goed. Treintoiletten zijn plaatsen, die je bij voorkeur vermijdt. Als je er toch onontkoombaar moet zijn, en je plast er, doet de doorspoel het meestal niet. De hendel heeft vooral veel loze bewegingsruimte. Dat heeft ook degene voor jou al gemerkt. De etensresten in donkerbruine dan wel donkergele versie zijn vaak nog beschikbaar.

De NS heeft een bijzondere onderzoeksmethode bedacht. Met een camera wordt het toiletgedrag van de bezoekers verkend en vastgelegd. En wel zodanig dat de toiletbezoeker onherkenbaar blijft. Tenminste voor de NS kijker. Want thuis zal er wel eens iemand het al dan niet erecte huwelijksgereedschap herkennen.

Ik weet niet precies hoe ik in moet schatten, dat ik ergens in een NS kantoor voorbij kom als proefpersoon. Ik stoot in beeld waarschijnlijk mijn teen aan de deur en kan de waterkraan niet vinden of druk op knoppen waarvan ik denk dat het de waterkraan is, maar er komt geen water. Zie ik er erg dom uit? Of in ieder geval onpraktisch? Wordt er om me gelachen, op welke manier dan ook?

De eerste conclusie is ook al bekend: De emancipatie heeft opgeleverd dat alle mannen tegenwoordig de bril omhoog doen. Ook al zoiets. Bij mij valt die halverwege de klaterende straal dan altijd naar beneden. En zo richt ik meer nattigheid aan, dan als ik de bril naar beneden had gelaten.

Nee het is beter om maar niet na te denken over dergelijke berichten.
Ik zal opletten hoe het toilet in de nieuwe treinen er uit ziet.

dinsdag 11 mei 2010

Gevaarlijke verbanden

Ik houd niet van vliegen. Ik wil niet zeggen dat "de mens niet gemaakt is om te vliegen, anders had God hem wel vleugeltjes gegeven", maar dat is alleen omdat ik niet in God geloof. Dertig jaar heb ik nooit gevlogen. Toen één keer, daarna 23 jaar niet, toen 2 keer, daarna 2 jaar niet jaar, toen 3 keer. Wiskundig is die reeks dus nu ten einde.

Het is lastig om vliegen te vermijden. Er zijn teveel aantrekkelijke levensvullingen, die alleen bereikbaar zijn door te vliegen. Onzin, maar het klinkt geloofwaardig. Toch is het dubieus. Want is er echt geen zon in de buurt? Kun je echt niet met de auto naar de bergen, of naar Griekenland? Je bent wat langer onderweg, maar het kan wel. En misschien kom je wel langs leukere plekjes. Al is boven de wolken niet te versmaden.

Waarom vlieg ik dan? Sociale druk misschien?
Mijn kinderen vliegen,
mijn collega's vliegen,
mijn vrienden vliegen.
dat maakt mij een watje

Vliegen is trouwens ook niet gevaarlijk, zelfs niet in een aswolk. Ja, de eerste week wel, maar daarna niet meer. Dan heeft het niet vliegen zoveel gekost, dan is niet vliegen gevaarlijker geworden. Kijk maar naar Griekenland of IJsland. Wat vandaag gevaarlijk is kan morgen veilig zijn, ook al zijn de natuurlijke omstandigheden niet veranderd.

De natuur heeft de macht en as overdrekt de straten.
De stiltezoeker lacht.
IJsland lacht onbedaarlijk.

Tegen beter weten in, ga ik op vakantie. Want Portugal lonkt.
Tien centimeter tussen mij en de eeuwigheid. Ik kan het niet van me af zetten.

zaterdag 8 mei 2010

Tussenspel

Al niet bloggend gebeurt er natuurlijk niets.
Of gebeurt er niets blogwaardigs
Of gebeurt er zoveel dat je niet weet wat te bloggen.
Of gebeurt er zoveel dat je geen tijd hebt om te blogggen.
Of ben je slachtoffer van je eigen opdracht dat het wel 'leuk'moet zijn.
Of dat het licht moet zijn.
Of dat het een boodschap moet hebben.

En uiteindelijk kom je tot niets
Of tot het eindelijk lezen van ' de gelukkige klas', van Theo Thijssen
Of jeugdherinneringen van J.J. Voskuil,
Of de biografie van Spinoza van Stephen Nadler,
Of je haalt eindelijk de CD van 'Harmonielehre' van John Adams op, die je had bestelt,
Of je luistert nog eens naar de orgelconcerten van Vivaldi.

Of je doet alles tegelijk en reist en weekje naar Portugal.
En denkt na over ander werk,
en bekijkt Porto en Lissabon,
dwaalt door het prachtige klooster van Tomar,
of de kathedraal van Caldas de Rainha.

Je doet niets,
En er gebeurt niets
je doet alleen indrukken op.
Voor het naspel.

dinsdag 27 april 2010

Kraamvisite

Op weg naar een collega, die een kind heeft gekregen, stuit ik op een vrachtwagen. Letterlijk stuit, want de tocht voelt nogal frustrerend. Op een weg waar 100 km per uur is toegestaan, is het vlak achter een vrachtwagen voortsukkelen met 80 km per uur een heuse kwelling. Net zoiets als achter een bejaard stel in een Xsara Picasso, voortsukkelen op een 80 km weg, met 60 km per uur.

Op de achterkant van de vrachtwagen staat een grote reclame, die me eerst niet opvalt. Als de tocht wat langer duurt, blijk ik al langere tijd aan te kijken tegen een lachende baby. Merkwaardigerwijs is er over het hoofdje de tekst gedrapeerd:

ZWANGER?

ga na http://www.baby-dump.nl/

Ik vraag me af wat je bij de baby dump kunt dumpen. En als ik denk aan de dumpstore, wat je eventueel bij de babydump kunt krijgen. Beide mogelijkheden komen me nogal bizar voor.

Bij de pas bevallen collega krijg ik al in de eerste vijf minuten de nieuwe spruit in handen gedrukt. En daar waar ik enkele jaren geleden me buitengewoon opgelaten gevoeld zou hebben, blijkt mijn lichaam niet te protesteren. Mijn protestantse opvoeding blijkt mijn katholieke genen niet te hebben aangetast, en ik geniet van de momenten met het kind. Ik vertel haar over de baby dump. Ze lacht.

Dan doet moeder dienst als babydump en verruil ik haar voor een beschuit met muisjes.

vrijdag 23 april 2010

mens en natuur

Ver buiten Lemmer staat een waterzuiveringsinstallatie. Dat heeft zo zijn oorzaken. Water zuiveren heeft een heel eigen dynamiek en is vrij ingewikkeld. De grondgedachte is dat water ergens vuil vandaan komt. Dat kan zijn uit een fabriek, het riool, de rivier, het IJsselmeer of elders waar water zich met vuilnis heeft vermengd.

Na jarenlang studeren is het concept van de waterzuivering geworden, dat je het water en het vuil weer probeert te scheiden, een diepzinnige en consequentierijke gedachte. Briljant van eenvoud en doelmatigheid. En zo kon het komen, dat er zijn waterzuiveringen zijn ontworpen en gebouwd.

Bij de uitvoering van het procedee, wordt de vuilnis verzameld los van het water. En het water wordt aan de mens ter reiniging en laving beschikbaar gesteld. Helaas blijkt, dat de geur van het vuilnis niet zodanig is dat daarvoor de mensen reikhalzend in de rij gaan staan. Ook worden er geen flesjes verkocht om het odeur op te doen, of om de lucht in auto, toilet of woonkamer een nieuwe diomensie te geven. Uiteindelijk is zelfs besloten installaties voor waterzuivering ver buiten de bewoonde wereld te bouwen. Tot genot van de mens en tot het verkrijgen van schoon water.

De bewoonde wereld rukt op. Er wordt gebouwd in alle richtingen, onder impuls van hooggeleerde ambtenaren en, aan zware procedures onderhevige, bestemmingsplannen. En dan zie je natuurlijk niet aankomen, dat er een bewoonde wereld dreigt te ontstaan in de buurt van een waterzuivering. Het regent klachten. Van drinkende en schone mensen.

Binnenkort wordt de waterzuivering gesloten en afgebroken. Gelukkig! Van die viezigheid hadden we uiteindelijk alleen maar last.

maandag 19 april 2010

Verjaardagsvisite

Ze staan met 6 man sterk achter in de tuin. Aan de andere kant van het slootje ligt het hen zo bekende en dierbare weiland. Allemaal boeren zijn het, met getaande gezichten, gebruind, ook na de winter, en overduidelijk verknocht aan het buiten zijn. Ooms, in een heftig debat verwikkeld, als ik er bij kom staan.

Het blijkt te gaan over de onzinnige en overmatige bescherming van de natuur en van de weidevogels. Wellicht in deze vormgeving geen objectief onderwerp, maar in hun ogen wel.
- Het aangrenzende land van één van de ooms staat vol met stekels, maar er mag niets aan gedaan.
- Een beschermd stukje berm blijkt op onverklaarbare wijze steeds weer gemaaid als de milieuinspecteur langs komt, maar niemand weet wie het heeft gedaan. Hard gelach!
- Een nestje dat in het weekeinde door een onverlaat van een vogel in de draagarm van de kraan is gemaakt, houdt de aannemer van het werk.
- Je kunt per bunder braakliggend land een fikse subsidie krijgen, en je bent wel gek als je het niet doet.

- "Er zijn toch ook veel minder weidevogels dan vroeger?", probeer ik objectief.
- "Doordat dat soort jongens zoals jij dat zeggen zitten wij met de gebakken peren". Daar kan ik het mee doen.

Dan praten ze over nestbescherming en het plezier van de vogels te zien. Over de enorme hoeveelheid Roeken, die alle kleine vogels en eieren op eten. Vreselijk! Over hoe schandalig het is dat je die niet dood mag schieten. Over nog veel meer.

Als ze maar niet binnen hoeven te komen.

donderdag 15 april 2010

Secretaressedag

Voor Nanneke en Marja:

Ik heb één jaar kleuterschool. Dat klinkt misschien niet heel erudiet, maar is op zich niet heel slecht. Ik stam uit 1957, en zelfs het geheel ontbreken van een kleuterschooldiploma op je CV is voor dat bouwjaar acceptabel. We speelden destijds vaak buiten. Dat is de ruimte aan de andere kant van de muur. Op de boerderij, bij een slootje. Of op het land, of we gingen hutten bouwen, zelfs voetballen in het weiland met jassen als doelpalen. Van die ouderwetse dingen.

Op een dag was de juf heel nerveus. Het bleek dat we allemaal een moederdagwerkje moesten maken. En toen heb ik hem opgelopen, mijn jeugdtrauma: het maken en plakken van een mandje. Ik weet het nog precies:
- Je neemt een vouwblaadje en vouwt 16 vierkantjes.
- Daar maak je aan de zijkanten vier knipjes in.
- De zijkanten vouw je naar binnen en je plakt de hoekjes vast.
- Van een reep papier maak je een hengseltje, dat je weer aan het mandje vast plakt.
- In het mandje leg je je tekening: "Voor de liefste moeder van de wereld".

Als het werkje klaar is, zit ik van vingers tot in mijn haar onder de lijm. Het gele doosje (ik wist echt niet dat geel de kleur van de haat was, sorry mamma!) is drijfnat. Als je het mandje aan het hengseltje optilt, zakt het door de zwaarte langzaam van het hengseltje af.
-"misschien moet het eerst even drogen", probeert de juf opbeurend.
Een secretaresse was toen wel iets geweest, maar ik kende het begrip nog niet.

In mijn boekenkast op de onderste plank, staat een boekje van Jeanne van den Brouck, psycho-analiste te Parijs. Het heet: "Handleiding voor kinderen met moeilijke ouders". Ik citeer:

"Wij kunnen wel zeggen dat de ouder een nogal gunstige voorstelling heeft van zichzelf. Vaders zijn machtig en hebben een beschermende taak. Moeders hebben alles voor hun kinderen over en hebben een onuitputtelijke voorraad liefde. Twee dagen van het jaar zijn helemaal gewijd aan deze zelfverheerlijking: moederdag en vaderdag. Op deze dagen worden kinderen geacht allerlei cadeaus en attenties aan de ouder aan te bieden. Als zij niet veel zin hebben om vrijwillig aan deze verplichtingen te voldoen, worden er grote mensen aangewezen die hen hierin moeten raden en leiden".

Nu waarschuwen jullie ons als het moederdag is. Mijn moeder is 78.

En één dag per jaar herinneren jullie ons aan jullie dag van de zelfverheerlijking: Vandaag is het weer zover. Gelukkig maar!

Herman, kamergenoot en partner in crime, en ik, kunnen jullie nooit meer missen.

maandag 12 april 2010

Treinvandalen

Het is de maand van de filosofie. Eindelijk! Ik kies een stiltecoupe en verheug me op de thuisreis. Ik sla het speciaal voor deze week geschreven essay open: "Grenzen aan de vrijheid", geschreven door Ian Buruma.
In het eerste hoofdstuk wordt vrijheid gekoppeld aan de Verlichting, de filosofie van de rede; de Verlichting op haar beurt aan de westerse waarden en normen, en die weer aan de 'Joods Christelijke traditie'. Dan verschijnt Geert Wilders, die Jeruzalem in een toespraak op één lijn zet met Rome en Athene, als het gaat om de bronplaatsen van de beschaving. Een heerlijke denkoefening.

Het tweede hoofdstuk is nog bijzonderder. Iets van - en over Markies de Sade, van wie je toch in de trein nauwelijks een boek kunt inzien, zonder je zorgen te maken over je imago. "Het gaat misschien te ver De Sade te zien als een moralist........". Zelf verder lezen!

Bij Amersfoort komen ze binnen, de middelbare deftige dames. Krijsend en kraaiend van plezier zoeken ze een plaats in mijn stiltecoupe. Omdat de trein al behoorlijk vol loopt verdelen ze zich over de beschikbare plaatsen.
- "Hebben jullie gezien dat dit een stiltecoupe is?", blijkt één van de dames nog enigszins bij bewustzijn. Zij doet er verder het zwijgen toe, maar is wel de enige.

De dames bediscussiëren de hilarische wijze waarop ze vijftig euro hebben verspeeld in het Casino, en veroordelen de voetbalvandalen, die enige graffiti op een schilderijtje hebben gespoten.

Bij het uitstappen kan ik het niet laten:
- "Voetbalvandalen, dat is net zoiets als middelbare vrouwen in een stiltecoupe", vindt u ook niet?"
De dames zijn verbijsterd, zich blijkbaar onbewust van de overschrijding van hun grenzen aan de vrijheid. Hun negatieve vrijheid wel te verstaan. Daar gaat hoofdstuk 3 over.

En zo ben ik toch nog terug waar ik begon.

zaterdag 10 april 2010

Bij de glasbak

Vijfentwintig wijnflessen staan in de garage in gelid om te worden weg gebracht. Ze passen niet in de fietstas. Misschien moeten we toch wat vaker de flessen weg brengen. De vraag blijft welk scenario het ergste is: één keer per maand 25 flessen weg brengen, of wekelijks 10. Hoe groot is de kans dat je iedere keer bij de glasbak dezelfde persoon tegen komt? Met de auto dus maar weer.

Als ik bij de glasbak arriveer staat er net, en vlak voor mij, een andere auto. Donkerblauw. Het ontbreken van wieldoppen wijst op de winterbandenstaat van het vehikel. Vaag staat me bij: een Opel. Maar ik weet niet waarom. De bestuurster stapt uit en opent het achterportier. Ik wacht op mijn beurt. Ik wil tenslotte niet teveel opvallen. Als ze terug komt heeft ze één fles in haar hand. Die gooit ze in de bak voor blank glas.

Ik blijf lang zitten, ook nadat ze weg is gereden. Ik heb gezien hoe iemand één fles met de auto naar de glasbak heeft gebracht. Eén fles! Iemand heeft op enig moment besloten, om, nadat er na weken drinken een fles leeg is geraakt, deze met de auto af te voeren naar de glasbak. Ik denk na. Het kan niet anders dan dat ze iemand vermoord heeft met die fles. Hoe zag ze er eigenlijk uit die mevrouw? Want het was toch een mevrouw? Het kenteken van de Opel (het was toch een Opel?) weet ik ook niet.

Ik ben een hopeloze getuige.

dinsdag 6 april 2010

Katten over Kousbroek

Soms is het leven het opschrijven niet waard. Blog-onwaardig. Al zou je de hoofpersoon in je roman er graag iets diepzinnigs over willen laten zeggen. Maar je schrijft geen roman, en je hebt geen hoofdpersoon.
Op zulke momenten beleef je het leven. Verder niet. En toch is dat eigenlijk de enige reden om te leven. Doelloos, maar misschien toch niet helemaal zinloos? Althans niet voor jezelf.

Het beleven van de katholieke neukebroeders, de poezen van Kousbroek, pornokijkende pedofielen, domme politici. In het cafe weet men er wel raad mee. Met een glaasje bier is er nog meer beleving.

Alleen Kousbroek. Ik ken hem niet als schrijver, ik heb nooit iets van hem gelezen. Toch heeft hij mijn kattenliefhebbershart getroffen.
-"Wat is het verschil tussen een hond en een kat?"
Als je een kat open maakt, vind je binnenin oude liefdesbrieven.
Als je een hond open maakt vind je de uitslagen van het zaterdagamateurvoetbal.

Daar kan een hondenliefhebber het mee doen.
Zo'n conversatie, daar broed ik nog op.

zaterdag 27 maart 2010

Mc Drive

In Tietjerk wonen we in een klein groepje van drie boerderijen. Het is 1967. Tegen een uur of vier komt onze bejaarde buurman vragen of hij mag bellen. Zelf heeft hij geen telefoon. En bij de overburen kan hij ook niet terecht. Op een papiertje heeft hij het nummer geschreven: 253. Wij hebben 371. Hij geeft het briefje aan mijn vader, die de hoorn van de haak pakt en het nummer draait. Dan geeft hij de hoorn aan de buurman die voorzichtig het zwart bakkelieten geval in z'n hand pakt. Hij houdt de hoorn min of meer horizontaal voor zich. Dan buigt hij zich voorzichtig voorover en zegt in het oorstuk:
- "Is daar iemand?"

Mijn vader ondersteunt door het apparaat voorzichtig in de juiste positie te duwen, voor het oor en de mond van de buurman. Het gesprek komt van de grond.

Als na enkele korte zinnen de buurman klaar is geeft hij de hoorn terug aan mijn vader. Die legt hem, op zijn beurt, weer op het aan de muur hangende toestel.

-"Ik had het al aardig onder de slag".
- "Pardon?"
-"Ik had het al aardig onder de slag", herhaalt de buurman. Trots kijkt hij mijn vader aan.

Het is 2010. Om de één of andere reden hebben wij de tandarts op 150 km van huis. In de buurt van Nijmegen. De kinderen wonen in Leeuwarden en Maastricht, hartstikke handig. Zo levert de tandarts in ieder geval twee keer per jaar een gezinsreünie op. Nadat ik samen met deze volwassen kinderen de haljaarlijkse kwelling heb doorstaan, en zij al uren niet blijken te hebben gegeten, willen ze naar de McDrive. Ik ben daar nog noooit geweest.

- "Het staat wel aangegeven pap, je kunt het".
Op de parkeerplaats maken we een rondje. Ik zie geen ingang.
- "Je moet door de poort! Altijd door de poort".
Bij een bord waarop je kunt zien wat er te koop is stop ik even. Ik weet niet of ik wel iets wil.
-"Je moet het raam open doen pap, dan kun je bestellen".
Uit een paal die mij tot nu toe was ontgaan, klinkt een ongeduldige stem. Wat ik blief. Twee Mc kroketten en een Mc Flurry, krijg ik opgedragen.
- "Dat is dan € 6,50", roept de paal.
Ik zie geen gleuf.
- "Je moet doorrijden pap".

Bij een venster zie ik voor het eerst een persoon. Hij neemt het geld in ontvangst en stuurt me door naar het tweede loket. Daar neem ik het voedsel in ontvangst.
- "Ik zou er wel iets te drinken bij willen".
- "Ja dat had je eerder moeten bedenken! Dan moeten we nog een rondje".

Ik heb het al aardig onder de slag.

donderdag 25 maart 2010

Dood zijn

Als de kano om slaat probeer ik weer boven te komen. Maar ik kan het boven niet vinden. Paniek overvalt me, heel kort. Ik wil naar boven, maar daar is een steen. Ik zit vast! Dit is het einde. Meteen is er een enorme kalmte. Dit is het dus, ik ga dood. Een eindeloze vrede omsluit mij. Ik ben dood. Dan kom ik, als vanzelf, boven. Ik zie schreeuwende mensen in paniek. Maar ik ben er nog, niets aan de hand.

Elke keer als er iemand is overleden, of is vermoord, vraag ik me af hoe het is om dood te zijn. Of beter of iemand zich ooit af vraagt hoe het is om dood te zijn. De achterblijvers zijn zó verdrietig, dat geen enkel woord hen troost kan bieden, zo lijkt het.

Toch helpt het mij om me voor te stellen dat ik dood ben. Dat ik niets meer weet, dat het nooit meer terug komt, dat ik niet meer verlang, dat het goed is zo. De dode heeft geen verdriet, geen pijn, geen spijt, geen geknakte toekomst. Zelfs niet al was hij maar een kind. De dode zelf is klaar. De pijn is weg. Het ultieme geluk is bereikt.

De pijn zit bij de achterblijvers. Zij missen iemand. Zij denken aan de geknakte toekomst, zij huilen om de gemiste contacten, hun eigen gemiste contacten.

"Het leven gaat door" is het onontkoombare cliché, het cliché dat de levenden niet kunnen omzeilen. In dat doorgaande leven is iedere situatie in zichzelf even goed als de vorige. Iedere situatie heeft zijn eigen leven en zijn eigen dynamiek. In de ene tijd met de dode, in de andere tijd zonder de dode. Slechts het in de ene tijd nadenken en beleven van de andere tijd levert stress of verdriet op. stress over de toekomst, verdriet over het verleden.

Het uitspreken van deze gedachten blijkt nog erger dan dood gaan. Anderen wensen je dan bijna dood. Hoe kun je zoiets zeggen. Maar ik kan er niets aan doen. De gedachten komen vanzelf. En bij iedere dode helpen ze mij.

Het is tenslotte nogal aanmatigend de dode z'n dood kwalijk te nemen, als oorzaak van mijn verdriet.

dinsdag 23 maart 2010

Tefaf (2)

Ik ben naar de Tefaf geweest. Voordat ik ging, wist ik niet wat dat was, of dat het bestond. Een beurs, waar kunst wordt verhandeld voor bedragen die ik in mijn hele leven nog niet bij elkaar verdien, is geen gebeurtenis die vooraan in mijn beleving of aandacht zit.
Maar mijn recente fascinatie voor beeldende kunst, aangevuld met een gratis gekregen kaartje (in willekeurige volgorde) deden mij in Maastricht en het MECC belanden.

Het is verbijsterend hoeveel kunst er bestaat, in omloop is en wat het kost. Hoog opgetaste muren vol renaissance en middeleeuwen, zorgvuldig gedrapeerde stillevens, en in hoekjes weg gestopte kostbaarheden, strijden om aandacht en betasting. Want het mag wel niet, maar je kunt ze echt aanraken, die Van Gogh, talloze Picasso's, de Giotto en heel erg veel Duitse expressionisten.

Ook de mensen zelf zijn bewegende stillevens:
Een oude mevrouw zit naar een schilderij te staren. Ze is diep onder de indruk. Ze vertelt aan de kunsthandelaar hoe mooi ze het schilderij vindt. Aan zijn gezicht te zien, doet ze dat niet voor het eerst. Het schilderij zelf ondertussen stelt een vrouwenhoofd voor in een enigszins Kubistische stijl. Ik moet aan de steen van Jolan denken. Die lijkt me zeker zo mooi.

De dochter van de mevrouw probeert moeder met zachte hand mee te voeren.

- "Ik hoop dat ik het ga kopen", richt de mevrouw zich voor het laatst tot de verkoper. "Nog even met mijn man overleggen".
- "Moeder, nog één keer zwaaien, we moeten gaan".
- "Meisje, het is de laatste dag".
- "Wat zei u ook weer wat het koste?"
- "Zes miljoen mevrouw"
- "Ja ja"

Even staat mijn wereld stil. Zes Miljoen! Ooit was er een man van zes miljoen. Maar een schilderij van zes miljoen, en zo dichtbij! Ik vraag me af wat maakt dat de ene kunstenaar onbetaalbaar is, en de andere niet. Ik ken het schilderij niet. Van de kunstenaar heb ik nog nooit gehoord.

Het schilderij zal ik nooit meer vergeten.
En de steen van Jolan heeft nu ook een vaste associatie.

maandag 22 maart 2010

Tefaf

Het trapje is van zwaar eikenhout en zit strak in de lak. Het past bij de geelbruine kleur, die dit deel van het gebouw domineert. Op de vierde trede van het trapje staat een man van een jaar of veertig. Hij heeft lang haar, en omdat hij schuin omhoog kijkt, kan ik de naderende halve maan zien schemeren. Hij draagt een flodderig pak, dat desondanks een dure indruk maakt.
In z'n hand heeft hij een, bij de trap passend, vergrootglas van king-size formaat. De doorsnee is minstens twintig centimeter, de dikte zeker twee. Rijkhalzend bekijkt hij een nog hoger hangend schilderij, waarop een vaas met bloemen. Een schilderij dat mij alleen was opgevallen omdat ik het lelijker vond dan alle andere in de directe omgeving.

Aan de voet van de trap staan twee vrouwen, naast een man van de kunstgalerij die de trap vast houdt.
- Z'n lievelingsboem staat er op" zegt de oudste vrouw.
De kunsthandelaar knikt maar zegt niets, misschien bang deze precaire en wellicht voor hem kansrijke situatie een ongewenste wending te geven.

Ik blijf nog een volle minuut kijken, maar niemand van de aanwezigen schijnt het een vreemd tafereel te vinden. Dan loop ik door. Op zoek naar mijn favoriete bloem.