dinsdag 4 juni 2013

Gesprek aan het sterfbed

Ik spreek iemand die sterven gaat:
we noemen leven, dood.
De woorden komen als vanzelf,
nooit is de ruimte groot.

Ik sterf zelf daar een klein beetje,
blijf leven naderhand.
Wat we doen is zonder tijd,
mijn hartslag voelt gênant.

Ik praat met de verdoemde,
haar leven loopt straks af.
We babbelen een tijdje,
ieder met eeuwigheid als straf.

dinsdag 28 mei 2013

Mens en machine

De dokter heeft een nummertjesautomaat ingevoerd. Niet voor het spreekuur, maar bij het laboratorium. Het is een maatregel zonder diepgaand doel, een service aan de wachtenden.

Omdat ik iedere week één keer bloed moet prikken krijg ik de gelegenheid de processen bij de implementatie van deze maatregel te observeren. En zoals iedere nieuwe maatregel blijkt ook deze niet zonder tegenstanders.

Tot mijn verbazing blijken veel mensen geen nummertje te trekken. Niet omdat ze dat niet gewend zijn, of omdat ze de nieuwe nummerautomaat niet zien, maar omdat ze dat weigeren. Ze willen niet meewerken aan deze ordening der dingen. Uit het gemor van mijn lotgenoten maak ik op dat ze de wereld anders waarnemen dan hun dokter. Ze voelen zich beledigd!
-"Ik kan best onthouden na wie ik ben!"
De nummerautomaat is een motie van wantrouwen aan hun geheugen, en nog meer.
Naast de belediging blijkt er een ander fundamentaal bezwaar te bestaan: de noodzaak tot contact is verdwenen! Het vragen: "wie is er voor mij",  is een noodzakelijk en onontkoombaar excuus om 's morgens om 08.00 uur iemand aan te spreken. Voor de mensen op leeftijd in de wachtkamer niets minder dan een een flirt in wording! Het bezoek aan deze wachtkamer is een uitje. De uitstaande conversatie, waarop je je al thuis kunt voorbereiden het voorstadium van een huwelijksaanzoek. Maar als zodanig natuurlijk onbespreekbaar, en dus wordt er al snel weer gezwegen. Zoals dat hoort in een echte wachtkamer.

Als ik een week later terugkeer voor een volgende prik, blijkt de nummerautomaat leeg. De nieuwe rode glimmende automaat staat aanwezig en doelloos midden in de ruimte te niksen.
-"Geen nummertjes?" vraag ik nietsvermoedend.
Ik roep een storm van onvrede op. Opnieuw blijken mijn lotgenoten beledigd. Het zijn andere oudjes. Ze hebben geen kennis van de voorgeschiedenis. Niemand was er vorige week ook.
-"Schaffen ze van mijn centen zo'n apparaat aan, zitten er geeneens nummertjes in".
Ook een lege automaat is het bewijs van onkunde en verspilling: betaald van onze centen, maar niet in gebruik.

-"Wil ik keurig een nummertje trekken, zijn er geen nummertjes", moppert een oude man. Geldverspilling en en potentiële beschuldiging van onfatsoenlijk gedrag, of erger: weigering om mee te werken. Twijfel aan de mogelijkheid dat de bejaarde het nieuwe apparaat zal begrijpen.
Ik knik meelevend. Het leven van een zieke is zwaar. Daar helpt de dokter graag aan mee.

Ik vraag wie er als laatste is gearriveerd. Omdat ik niet toevallig heb gezien wie er voor mij is binnen gekomen. Een oude dame lonkt kort naar mij. Daarna is het weer stil, zoals het hoort.

zondag 26 mei 2013

Het empathisch horloge

Kunnen waarden en normen onderwerp zijn van wetenschappelijk onderzoek? Sterker nog: kan wetenschappelijk worden vastgesteld wat 'goed' of 'slecht' is? Kan het kwaad in de wereld met nieuwe technologie en rationele argumenten worden ingedamd? Kunnen zij die kwaad doen, leren van hun eigen gedrag en van hun onbewust stromende sappen en processen?

Eerst een voorbeeld. In 21 staten van de VS mogen nog lijfstraffen worden toegepast bij kinderen op scholen. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond, dat kinderen die lijfstraffen ondergaan een factor zijn in het geweld in de maatschappij. Ook blijken die kinderen sociaal minder vaardig en (hoe is het mogelijk) zij zijn later weer meer voorstander van lijfstraffen dan volwassenen, die als kind geen lijfstraffen hebben ondergaan. Dat is allemaal onderzocht.

Het feit dat lijfstraffen traditie zijn, dat ze behoren tot de cultuur van de zuidelijke staten en dat 90 % van de ouders er voorstander van is, maakt niet dat lijfstraffen daardoor minder slecht zijn. Het feit dat in de bijbel staat dat 'wie zijn kind lief heeft de roede niet spaart', met andere woorden dat God een fan is van lijfstraffen, ook niet.

Waar komen onze normen en waarden vandaan? Waar zijn morele regels op gebaseerd? Een deel van de mensheid zegt dat normen en waarden van God gegeven zijn, of van Allah. Religieuze dogmatici weten het zeker: waarden en normen komen van God. Niet Christelijke progressieven weten zeker dat dat niet zo is. Zij zeggen dat goed en kwaad onder druk van evolutie of cultuur zijn ontstaan. Zij die 'X' vinden blijken langer te overleven. Ze zijn aangepaster, worden beter geaccepteerd, en lopen dus minder kans op uitroeiing. Toch staan zij toe dat religieuze dogmatici hun standpunten als waar blijven verkondigen en houden zij er in hun gedrag rekening mee. Hun zelfvertrouwen is lang niet van het niveau van de dogmatici en hun normen nemen hun eigen waarden niet serieus. Tenzij tolerantie tegenover niet tolerantie een ultieme norm is. En zo houden zij mede de dogmatiek in stand.

Hoe het ook is, normen en waarden zitten in ons brein verankerd volgens Sam Harris, en het is daarmee onderzoekbaar. Van goed handelen voel je je beter, door  slecht handelen voel je je minder gelukkig, of daaraan beleef je minder welzijn. Dat is meetbaar. Dat gaat als volgt:

Welzijn en het ervaren van welzijn is een toestand van de hersenen. Op korte en op lange termijn. Er zijn stoffen in ons lichaam die onze welzijnsbeleving beïnvloeden die over jaren ontstaan. Die stoffen zorgen er ook voor dat we beter op anderen zijn afgestemd. We voelen ons beter als anderen zich beter voelen. Altruïsme is (natuurlijk) een daad van eigenbelang. We weten dus ook wanneer anderen zich beter voelen. En we hebben daar belang bij, want we voelen onszelf daardoor beter. Onze hersenen weten dat. We zijn in staat tot empathie. En die empathie is redelijk universeel.

Weer een voorbeeld: We voelen ons niet beter als we vrouwen besnijden. We weten eigenlijk wel dat dat niet bijdraagt aan het welbevinden van die vrouwen. Onze hersensappen bedriegen ons niet, God wel. Bij vrouwenbesnijdenis gaan de daders tegen hun eigen natuur in. Notabene (in het katholicisme) de grootste en enige 'doodzonde'. De zonde tegen het geweten. Het gaat dan over het bewuste geweten weliswaar, maar dat kan door de paus vast worden bijgesteld. Ik vraag hierbij alvast patent aan op het hulpmiddel dat uiteindelijk tot wereldvrede zal leiden. Het komt vast zover dat we met een klein scannertje aan ons hoofd op ons horloge kunnen zien of wat we van plan zijn eigenlijk wel door de beugel kan. Want wat voor vrouwenbesnijdenis geldt, geldt natuurlijk ook voor op de stoep fietsen.

Doelvlaktechnologie toegepast op waarden en normen. Het kan!

woensdag 17 april 2013

Merel-wereld

In de tuin hipt een merel. En even later nog één. De stapel met tuinafval, die daar ligt te wachten op de container, omdat die van deze week vol is, heeft een enorme aantrekkingskracht op het merel-echtpaar. Rondom de onderrand van de stapel, zoeken de merels hun weg. Ze grijpen een takje of stukje stro en laten het daarna ook meteen weer vallen. Soms houden ze het stukje in hun snavel geklemd om dan dezelfde procedure toe te passen op andere takjes. Wat op zich knap werk is, met dat andere stukje nog in je snavel.

Ik kijk er met verbazing naar. Blijkbaar wordt bij ieder takje of strootje de inschatting gemaakt: 'Bruikbaar' of 'niet bruikbaar'. Dat betekent dat de merel zich een voorstelling vormt van hoever hij tot nu toe is met z'n verbouwing, en dan afweegt: nee, deze is net te lang, die te kort, die te dik. Hij ziet zijn half afgebouwde huis in zijn geestesoog voor zich en denkt: 'daar moet nog iets tussen', of 'daar kan nog iets bovenop, maar dat niet, dat is te lang, of te kort, of het past niet bij de rest. Of 'dat vindt mijn vrouw (of man) vast niet mooi'. Want hij wijst er meer af dan dat hij meeneemt. Of zij natuurlijk. Mijn merel-geslachts-determinatie is niet zo goed, hoewel ik me meen te herinneren dat je iets met de kleur van de snavel kunt. Misschien eens opzoeken op internet. Beide merels zijn blijkbaar ook even bouwkundig onderlegd. Tenminste vanuit mijn insvalshoek van achter het raam.

De volgende dag zit achter in de tuin, op de schutting,  een splinternieuwe merel. Uit een ander nest natuurlijk. Z'n (of haar) zwarte veren glimmen prachtig in de zon. Z'n gele snavel is geler dan geel. Hij houdt z'n kop scheef en kijkt ergens naar. Iets dat zich boven hem in de boom lijkt te te bevinden. Ik vraag me af wat hij ziet, en hoe hij dat ziet. En wat de impact daarvan dan is, zeker als je pas uit het ei bent.
Een vogel heeft geen bewustzijn, kan niet nadenken over wat hij ziet. Hij is niet z'n brein. Of juist wel. Hij ziet het hier en nu. Het ene hier en nu schakelt zich aan het volgende. Zonder kennis van het verleden of van de toekomst. Het instinct als enige drijfveer. Het vage gevoel dat het misschien mis zou kunnen gaan. Of dat het eten zou kunnen opleveren. Of dat het zou kunnen passen in de verbouwing.

Het is een fascinerend schouwspel.

dinsdag 2 april 2013

Zielig

Pasen. Het ideale moment om eens het veld in te trekken. Een frisse neus halen. Buitenlucht zoeken. Met een paar goede vrienden een rondje langs de IJssel, toch de mooiste rivier van Nederland, althans volgens Jac. P. Thijsse, natuurkenner en veldbioloog, die trouwens al lang dood is.

De weilanden zijn nog kaal. Een reiger staat zielig ergens in het niemandsland. Ik vind een reiger de meest trieste vogel die er bestaat. Als je een reiger ziet, staat hij meestal aan een slootkant. Ergens waar misschien ooit een kikker was, maar vandaag niet. Een reiger kijkt ook niet naar het water. Hij zoekt niet. Hij weet: hier is niets te halen. Maar toch staat hij daar, omdat hij weet: ik ben een reiger, en ik hoor bij een slootkant. Als een wrak op het autokerkhof, of een grensrechter bij een amateurwedstrijd. Het hoort erbij, maar je bent er liever niet. Soms staat een reiger midden in het weiland. Als een daad van verzet: "Ik kan ook in een weiland staan". Maar dat is even zielig. Ook daar is niets te halen.
Ik heb nog nooit een reiger iets zien vangen. Of iets zien eten. Reigers zijn ook altijd mager. Zien er uit alsof ze al jaren honger hebben. De onderkant van hun veren is gerafeld, als de dode punten van een blondje dat mooi zou kunnen zijn, als ze niet die dode punten had. Maar ze doet er niets aan, want ze weet niet van de schaar, of van mooi zijn. Blond is al mooi genoeg. Een reiger is de fallus van de triestheid, ongekroond potentieel koningsdagsymbool.

In de buurt van de reiger staat een bordje. Het bordje is goudkleurig en is voorzien van een inscriptie. "Aangeboden ter gelegenheid van het afscheid van burgemeester Blommenstein van Voorst". Niet dat de burgemeester van adel is, maar hij was burgemeester van de gemeente Voorst. Het bordje staat naast een boom, een zwarte populier. Ik herken geen bomen en zeker geen zwarte populier, maar ook dit feit staat op het bordje. Het is stil in het veld. De zwarte populier is een heel gewoon boompje. Het gouden bordje, midden in de weilanden, ver weg van de bewoonde wereld, doet vermoeden dat de burgemeester minder populair was dan het bordje en de populier willen doen geloven. Een gouden bordje met inscriptie voor een burgemeester, waarvan de bevolking liever geen gedenkteken had midden in het dorp.

Ongewild wordt dit fenomeen nog versterkt doordat boom en bordje zijn geplaatst op 15 meter afstand van een eeuwenoude eik, de enige boom die ik wel herken. Waarvan zelfs ik kan zien dat de ruime meter doorsnee en de welige takkenhoed duiden op een lang en deugdzaam leven. De eik staat daar statig en zegt niets, dringt zich niet op, heeft geen bordje: 'Kijk mij eens oud zijn en hier statig staan'. Dat heeft de eik niet nodig.

Ik weet het zeker, burgemeester Blommenstein moet de reiger onder de Voorster burgemeesters zijn geweest.

maandag 1 april 2013

Praktische Wijsheid

Pasen. Eindelijk tijd om wat te lezen. Maar er is zoveel, en ik heb lang nog niet alles uit. Ik ben tegelijk bezig in teveel boeken: de biografie van Conrad Busken Huet (op zich al meerdere blogs waard), 'de Nieuwsfabriek' van Rob Wijnberg (meteen lezen!), 'Conservatieve vooruitgang', van Baudet en Visser (iets voor jarenlang naast-het-bed-wijsheid) ,en toch vandaag begonnen in 'een inleiding op het leven en werk van Kierkegaard', door Geert Jan Blanken.

Gelukkig blijkt dat een goede keus. In de achterliggende week viel op mijn bureau het rapport 'Leraar zijn', van de onderwijsraad. Daarin wordt maar weer eens een lans gebroken voor de professionele ontwikkeling van de leraar als verbeterfactor in het onderwijs. Individuele en persoonlijke ontwikkeling dit keer. Geen '1000 dingen die u ook nog verkeerd doet'.
Vier factoren komen aan de orde. Eén van die factoren: het bieden van professionele ruimte aan leerkrachten. Dat betekent dat je iets mag vinden van wat je doet, en iets mag doen met wat je vindt. Niet blind en willoos de gesuggereerde innovaties van 'deskundigologen' uitvoeren, maar zelf nadenken en zoeken naar oplossingen.
De onderwijsraad komt tot het inzicht dat een leerkracht iedere dag tientallen ingrijpende beslissingen moet nemen in het omgaan met kinderen. En moet beslissen over het realiseren en vorm geven van leerdoelen en leer-activiteiten met de materialen die daarvoor zijn. Steeds weer bedenken wat de beste manier om iets over het voetlicht te brengen. Ze hebben er nu ook een naam voor: "Praktische wijsheid" .

Al lezend in Kierkegaard ontdek ik dat deze notie al veel langer bestaat. Kierkegaard onderscheidt in het omgaan met het leven drie elementen of stadia van beleven en overdenken. Niet als levensfasen, maar als momenten in het omgaan met het alledaagse. Het eerste is 'het onmiddellijke', de manier waarop iets binnen komt, het hier en nu, zowel in pezierige als onplezierige zin. Dan komt 'het reflectieve'. Het nadenken over wat er gebeurt of overkomt. In dat stadium is kennis onontbeerlijk. Als laatste fase kent hij 'het geloof', een buitengewoon vreemde term voor de ervaring dat je het begrijpt. Hij bedoelt eigenlijk de religieuze ervaring van de Aha- erlebnis, het echt begrijpen. Hij noemt het zelf: "de diepe innerlijke bewogenheid"of de onbeschrijfelijke ontroering van het hart". Johan Cruijff zou zeggen: "je gaat het pas zien als je het door hebt"  of een deskundigoloog noemt het 'diepteleren'.

Wijsheid is ook een term. Jammer dat Kierkegaard een wat verwarrende verstrengeling met het belastende begrippenkader van religie maakt. Jammer dat de onderwijsraad niet wat meer Kierkegaard leest.

zondag 24 maart 2013

Domheid

In mijn boekenkast ben ik weer eens op zoek gegaan naar mijn meest geliefde encyclopedie. Hoe retro. Een papieren encyclopedie. Waar één tweet toe kan leiden, terwijl ik bij wijze van uitzondering eens twitterde. Ik citeerde Nietsche, of beter ik citeerde 'Wijze woorden', wie dat dan ook mag zijn, die ons Nietsche onder de aandacht bracht. Een vorm van 'schenkende liefde'.
Nietsche schijnt gezegd te hebben: "Het vergeten van het doel is de meest voorkomende vorm van domheid".

Ik moet onmiddellijk denken aan de lessen die ik regelmatig zie in basisscholen. Prachtige lessen vaak. Regelmatig komt het voor dat de leerkracht ergens halverwege kwijt raakt wat zij de leerlingen ook al weer aan het leren is. Dan neemt de activiteit het over, en wordt het gebruikte boek ('de methode') plotseling leidend in plaats van het doel. Vaak hebben de kinderen dat feilloos in de gaten. Ze reageren met wat de leerkracht noemt: "ongewenst gedrag". Waar gaat het mis? Is dit echte domheid?  Ben je als je iets vergeet niet dom? Ben je het wel 'vergeten'? Is een bepaald soort vergeten niet juist de essentie van domheid?

Reacties op mijn tweet volgen: o.a. 'iets voor hele de mensheid misschien', 'niet erg, tijdelijk de weg kwijt' en ook 'als je iets vergeet ben je niet dom'.
Ik snap dat de definitie van domheid in het geding is. Bladerend in mijn favoriete encyclopedie stuit ik op mijn lievelingspassage:

"Een ridder bond de strijd aan met de Domheid, een monster waarvan geen signalement bekend was, alleen de naam en de plaats. Zwaar geharnast trok hij met geheven zwaard door het waterland. Hoe dichter hij de plaats naderde, hoe dieper zijn voeten wegzakten. Vlak voor hij verdween werd de stomverbaasde ridder omhelsd door het moeras" Uit: De Encyclopedie van de Domheid van Matthijs van Boxsel..

In potlood heb ik erbij geschreven: Misschien dacht hij wel: "hier moet het toch ergens zijn!".

Prachtig! Want wat is domheid? Domheid is niet een gebrek aan intelligentie. Dat juist niet. Domheid is niet voorbehouden aan niet- intelligente mensen. Domheid, iets doms doen, is juist iets wat iedereen overkomt. Domheid is iets wat je nooit vooraf kunt vaststellen. Achteraf, ja dat lukt:
- "Dat was een beetje dom", een gevleugelde Maximaiaanse uitspraak, die inmiddels onderdeel uitmaakt van de Nederlands- Argentijnse cultuur.
Je kunt domheid nooit voorkomen, domheid bestaat juist bij de gratie van dat je hebt geprobeerd te voorkomen en dat het toch gebeurt. Domheid is een grens die alleen wordt ontdekt als hij al is overschreden, op het moment dat je weg zakt in het moeras en weet: "hier ergens moet het zijn". Domheid is een zelfstandige eigenschap, waarvoor de één meer talent heeft dan de ander.

Van Boksel geeft prachtige voorbeelden. Domheid ontstaat niet door niet te denken, domheid ontstaat juist door na te denken! Twee mannen bouwen een huis onder aan een berg. Ze zagen boven op de berg bomen om en dragen die naar beneden naar de plaats waar het huis moet komen. Dan valt één van de bomen en rolt naar beneden. De mannen kijken met open mond naar deze oplossing. Dan dragen ze de bomen de berg weer op, om ze naar beneden te laten rollen. Een oplossing, die alleen kan ontstaan door na te denken!

Domheid is een taboe. We lachen om domheid, bij voorkeur de domheid van anderen. Strijd tegen domheid is onzinnig. Het toppunt van domheid is om niets meer te doen of te zeggen of te tweeten uit angst een domheid te begaan.

We kunnen onze eigen domheid nooit begrijpen, alleen achteraf vaststellen.We kunnen domheid dus ook niet voorkomen: we hebben nl. alle maatregel getroffen zodat er niets mis kan gaan. Dan pas zijn de omstandigheden voor domheid perfect!